Toon Blom: de armoei van een sigarenmaker
door Paul Kriele
Toon Blom, geboren 11 augustus 1894, is de oudste van zes kinderen. Vader Antonius Blom was wever bij passementenfabriek Hirdes aan het Hinthamereind. Rond de eeuwwisseling waren de lonen tussen de vijf en hooguit tien gulden per week. In een groot gezin was de oudste de eerste die vroeg uit werken werd gestuurd. In de sigarenindustrie lag in Den Bosch de meeste emplooi. Na een korte bloeiperiode vielen ook in die tak de grootste klappen.
Mijn vader was chef over een stuk of acht jongens. Met tien gulden schoon per week had hij een aardig inkomen, want beambten bij de Post of het Spoor brachten minder naar huis. Op de fabriek van Hirdes werden fournituren, stootbanden voor gordijnen en boordranden gemaakt, passementen noemt men dat. Op de lagere school was ik geen slechte leerling. De hoofdonderwijzer adviseerde me dan ook te gaan doorstuderen. Hij zou wel voor een beurs zorgen. Voor ik de uitslag daarvan hoorde had ik al werk aangenomen. Het was kort voor Sinterklaas dat de school een prijsuitreiking hield van de beste leerlingen van het schooljaar. Ik werd alsnog als beste leerling van het werk geroepen. Maar thuis vonden ze dat ik geld moest inbrengen.
Dat de tijd zo slecht was bleek wel uit de streken die ik als jongen uithaalde. Eigenlijk was het pure noodzaak dat we broden uit de bakken van de marktkramen stalen. Een andere keer gooiden we per ongeluk een mandje met appels om, die dan voor het grijpen lagen. Voor ik naar school ging at ik drie sneetjes roggemik en drie Franse sneetjes met een beetje margarine, anders niks. 's Avonds was het niet anders. Om 12 uur aten we warm en dan krabden we met zessen de pan zover leeg tot we de bodem zagen. Zondags mocht ik voor een dubbeltje vet spek gaan halen bij de slager in de Korte Tolbrugstraat. Met zo'n beleg op je brood leek het wel verjaardag.
Stakingen
Vader stierf al op 34-jarige leeftijd, op 10 oktober 1906. Drie maanden later is onze jongste Wilhelmina geboren. Mijn eerste werk deed ik bij Goulmy en Baar aan de Boschdijk. Het was de grootste sigarenfabriek van de stad met meer dan 500 arbeiders in dienst. Binnen een jaar, ik was nog leerling-sigarenmaker, kreeg ik longontsteking. Dat heeft zeven weken geduurd, maar ik ben niet meer teruggegaan. Ik stapte over naar Hirdes, waar vader werkte. Als jongen van vijftien maakte ik banden voor schei-gordijnen. Per dozijn band ontving ik 55 cent, een oudere knecht kreeg het dubbele. Grote stakingen kwamen er in Den Bosch niet voor. De arbeiders waren volgzaam aan het gezag en de Kerk. Al hadden ze een karig loon, ze waren tevreden ervan rond te kunnen komen. Op de achtergrond speelde de pastoor een rol bij het kinderaantal. Om aan werk te kunnen komen was zijn instemming doorslaggevend. Op 25 februari 1914, kreeg een zoon van een bondslid van De Federatieven ruzie met zijn baas van Goulmy en Baar. De jongeman werd ontslagen. Het conflict breidde zich zodanig uit, dat het omsloeg in een staking. Stakers en werkwilligen gingen op de vuist. Een dag later legden ook leden van de r.k. Sigarenmakersbond het werk neer. Er werden ruiten ingegooid bij de meelopers, zoals werkwilligen genoemd werden. De politie versterkt met de marechaussee moest tussenbeide komen. De partijen stonden tegenover elkaar. De stakers zongen:
De onderkruipers, daar komen ze aan.
Het zijn de gluipers, ze staan vooraan.
Het zijn kerels, wat hebben ze een lef
zonder geweten van het arbeidsproces.
Op het hoogtepunt van de staking bij Goulmy lag de fabriek plat, 235 man waren ontslagen. De onderkruipers konden alleen nog met begeleiding van de marechaussee veilig thuis komen. Tegen de actiegroep bij de poort riepen de werkwilligen:
Dat ze niet werken maggen
dat is hun voorgeschreven.
Het is ons ideaal waarnaar wij leven.
De staking liep ten einde. Voordat je weer aan het werk kon ging je naar de pastorie om een werkbriefje te halen. De pastoor had zoveel invloed, dat hij kon weigeren zijn handtekening te zetten, wanneer hij jou niet mocht. Hij wist precies of je zondags wel of niet in de kerk zat.
| 25 |
Al vroeg verkering
![body=[]](img/blom, toon (01).jpg) Het gezin Castelijns, dat woonachtig was in de Beurdsestraat, de buurt die gesloopt werd in de jaren vijftig. Foto: Ad Burgerhof
Op mijn zestiende vrijde ik al met Antonia de Haas, een meisje van veertien en dochter van een arbeider bij IJzergieterij Dufay Verschuren. Tonia en ik zijn op 22 augustus 1915 -na vijf jaar verkering- getrouwd. We kregen twaalf kinderen. Aanvankelijk zaten we aan de Kortestraat (volksnaam voor Korte Tolbrugstraat) klein behuisd. Met zessen aten en sliepen we in één kamer. Vader en moeder lagen in de ene bedstee, de vier kinderen tesamen in de andere. Daar tussenin lag de beerput, die enorm stonk als het regende. Je moest er genoegen mee nemen. Toen het kindertal op zes was gekomen zijn we verhuisd naar de overkant. Met een keuken, een zolder en één kamer méér voelden we ons de koning te rijk.
Het was toch een beroerde tijd. Bij Hirdes was ik intussen opgestapt omdat ik als enige over moest werken en dat verdomde ik. Zo raakte ik van het ene baantje in het andere: van kelner tijdens de stadsfeesten in 1935, zand sjouwen in de werkverschaffing bij de aanleg van de sportvelden op de Wolfsdonken en vlak voor mijn pensioen nog eens sigarenmaker bij Velasquez in Veldhoven, die aan de Sportlaan een fabriek huurde. Als binnenbladplugger, het uitsnijden van nerven van de tabaksbladeren, ben ik gepensioneerd. 's Maandags zou ik 65 worden. Zaterdags ervoor zei ik al tegen mijn baas: „Ik houd er mee op. Je ziet me niet meer”. Thuis zaten nog vijf knapen voor wie ik eten kookte. Dat kon ik met een AOW en een bedrijfspensioentje net volhouden. Mijn vrouw was al in 1957 overleden.
| 26 |

„Stadsgezichten” een Bosch' album (1990) 25-26