|
In 1874-1878 vond, van oost naar west, het herstel tot in details van het buitenwerk der noordelijke schipzijbeuken plaats, alles wederom in Udelfanger zandsteen uitgevoerd. In 1875 werd het Merlarkoor gerestaureerd waarvoor in 1866 al een wijziging was voorgesteld en goedgekeurd.82 In 1877 maakte Hezenmans het ontwerp voor een geheel nieuw te bouwen travee ter vervanging van de bakstenen noodsluiting tussen de Lievevrouwekapel (de ‘Lage Kapel’) en de zijbeuk, uitgevoerd in het volgende jaar. Na hun eerste inspectie in 1874 berichtten Cuypers en Gugel (aan de laatste had De Stuers verweten bij zijn inspecties voordien zonder critiek stereotype rapporten uitgebracht te hebben), dat de herstelling van het uitwendige, de materiaalkeuze, de bewerkingswijze volkomen goedkeuring verdienden. ‘Slechts op één punt werd aanmerking gemaakt, namelijk op de willekeurige wijze, waarop de gebeeldhouwde figuren worden aangebragt of vernieuwd; om hierin verbetering te krijgen werd er op aangedrongen, dat voortaan de bestaande figuren in gips zouden worden afgegoten, vervolgens deze afgietsels zouden bijgewerkt en eindelijk in steen overgebragt worden’. Aangeraden werd, om bij voorbaat reeds van alle sculptuur afgietsels te maken en niet tot verdere verwering te wachten. Voor de reliëfs van de erwtenman en het echtpaar ernaast kwam deze raad te laat.
Ook wezen beide rijksadviseurs op het gemis aan verband tussen het uit- en het inwendige herstel, waardoor het verkrijgen van een harmonisch geheel verhinderd werd. Reeds nu bleek een gebrek aan eenheid uit de weinig gelukkige keuze
| 74 |
|
van verschillende onlangs aangebrachte gebrandschilderde glazen. Daarbij werd door de inspecteurs tactisch verzwegen, dat voor het ontwerp daarvan dezelfde architect verantwoordelijk was als voor het uitwendige herstel, namelijk Lambert Hezenmans. De aanmerking over het ontbreken van harmonie werd door de minister aan de commissie voor de uitwendige herstelling medegedeeld, waarop geantwoord werd, dat de glazen geschenken waren en dat de gewenste eenheid gewaarborgd werd doordat de aartsbisschop, tevens parochus der kerk, over alle herstel het toezicht had. Hij zei de minister toe, alle disharmonie te zullen verhoeden en de inzichten van de minister te zullen bevorderen. Naar aanleiding van de opmerkingen van Cuypers en Gugel over de sculptuur werd in 1877 een begin gemaakt met het afgieten in gips van zeven figuratieve reliëfs in de wimbergen der straalkapellen. Van de kosten daarvan namen de kerk en de stad ieder drie-achtste, het rijk het overige op zich. Ook werden in 1877 en 1878 reeds enige voorlopige reparaties aan de noordzijde van het koor en aan de ‘Hooge Kapel’, de Lieve Vrouwe Broederschapskapel, uitgevoerd: woekerplanten werden verwijderd, losse stukken steen vastgezet.
| 75 |
| Noten | |
| 82. | Vgl. noot 77. |
C. Peeters, 'De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch' (1985) 74-75
Jan Mosmans, De St Janskerk te 's-Hertogenbosch (1931) 141-148