|
Vervolgens werd de restauratie van de zuidkant van het middenschip ondernomen, van west naar oost. In 1883 had men de drie eerste traveeën onderhanden, in 1884 de twee volgende. Aan de westkant kwam tot dan toe het inwendige metselwerk van de eerste travee bij de westtoren bloot aan de dag, erop wijzende, dat men bij de bouw een voortzetting van het schip westwaarts en afbraak van de oude toren voorzien had. Nu werd daar een bekleding met natuursteen aangebracht, en de balustrade in een hoek tot tegen de toren voortgezet. Wederom werd Udelfanger toegepast, voor herstel
| 75 |
|
van de vensterneggen Savonnière en voor het maken van vensterharnassen Saint-Joire kalksteen. Deze neggen waren, evenals het vlakke werk en de grote partijen, grotendeels van soliede Bentheimer, zodat de herstelling zich kon beperken tot het inbrengen van nieuwe stukken. De wimbergen verkeerden alle in slechte staat, het fijne ornament uit zachte, weinig weervaste kalksteen moest vernieuwd worden. Van de luchtbogen moesten de deklijsten en beeldjes vernieuwd worden, maar zijzelf werden, in tegenstellig tot die aan de noordkant, niet gesloopt. In 1885 volgden de twee laatste schiptraveeën. Hier bestonden de vensterbogen en wimbergen uit tufsteen die zwaar geleden had; ook de laatste steunbeer was van tufsteen, terwijl de andere uit sterkere zandsteen bestonden. De tuf werd grotendeels door Udelfanger vervangen. Voor parament-, beeldhouw- en ornamentwerk en voor de vensterharnassen werd Saint-Joire kalksteen gebruikt. Van de zandstenen schipbalustraden werden de beste gedeelten gehandhaafd.
In deze periode, vanaf 1884, werd door toedoen van Cuypers ook begonnen met het bewaren van afkomende beeldhouwwerkfragmenten, die hij per wagen en schip naar het Rijksmuseum in Amsterdam liet vervoeren.
| 76 |
C. Peeters, 'De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch' (1985) 75-76