|
Het middenschip is geheel volgens het systeem van het hoogkoor opgetrokken. Het schoorstelsel beantwoordt vrij nauwkeurig aan dat van de zuidzijde van het koor. De meest oostelijke stoel staat haaks op die welke het noordtransept schraagt en vormt daarmee één constructie. De bekronende fialenbundels van de zijbeukcontreforten zijn door korte luchtboogjes met ingezwenkte deklijst (waarop hogels) verbonden met de spiegels van de onderste geledingen der luchtboogstoelen. De binnenbogen van de luchtbogen zijn geprofileerd met een platte band, te weerszijden daarvan een vloeiend ojief, in tegenstelling tot het profiel op de overeenkomende plaats aan de koorluchtbogen, waar een kraal en hollijst scherp gescheiden zijn. De diepe vensterneggen bestaan van binnen naar buiten uit een kwarthol, kraal, hol, peerkraal, hol en schuine kant, zoals in het hoogkoor. Aan de voet der vensters is hierin een smalle doorgang uitgespaard over de dakgoot. In de wimbergen is een maaswerkvulling van op een | 192 |
|
middenas geconcentreerde spitse visblaasmotieven aanwezig, te weerszijden buiten de wimberg eenvoudige arketten. In afwijking van het koor en in overeenstemming met het transept zet de wimberglijst met een horizontale lijst aan. De pinakels in de balustrade hebben onder hun helm rechtlijnige gevelspitsjes, terwijl die bij het koor ingezwenkt zijn, zoals ook bij de lagere fialenbundels op de luchtboogstoelen. Vóór de restauratie van 1869-1873 was hier in beschadigde toestand een balustrade aanwezig met een patroon bestaande uit diagonaal opgolvende visblazen, waarvan de richting per travee alterneerde. Tijdens die restauratie werd een nieuwe balustrade gehouwen met hetzelfde maaswerkpatroon als de balustrade van de zijbeuk, maar tijdens de tweede restauratie, in 1968-1973 en 1981 (de meest oostelijke travee pas toen) werd weer een nieuwe geplaatst met het oorspronkelijke patroon. Bij de westtoren eindigt de lichtbeuk zodanig, dat de balustrade na de pinakel met een hoek omgaat en tegen de toren staat. Deze oplossing is uit perfectiedrang bij de eerste restauratie gekozen, voordien was de natuursteen op deze hoek bij de toren juist onafgewerkt en als het ware in afwachting van verdere westwaartse voortzetting na de in de bedoeling liggende afbraak van de romaanse westtoren.
Alleen in het meest westelijke licht is de oorspronkelijke venstertracering bewaard gebleven: in de kop een cirkel, gevuld met een drievoud van door een kleine middencirkel oversneden driepassen, en rustend op (en in contour samenvloeiend met) twee ezelsrugbogen, die telkens twee lancetten omspannen.
Luchtboogstoelen en lichtbeuk van het schip, zuidzijdeDe zuidkant van het middenschip wijkt nauwelijks af van de noordkant. De vensterneggen echter hebben aan de binnenzijde eerst een hollijst en dan pas hetzelfde profiel als de noordvensters. De balustradepinakels hebben ingezwenkte in plaats van recht belijnde frontaaltjes. De casementen van de bovenpartijen der derde en vierde luchtboogstoelen (geteld uit het westen) hebben rondboogvormige arketten.Evenals aan de noordzijde was in de meest westelijke travee de venstertracering gespaard gebleven, met hetzelfde patroon.
De hoekoplossing bij de westtoren is hetzelfde als aan de noordkant, maar ondieper doordat de middenas van de toren meer zuidwaarts ligt dan die van het schip. Het zadeldak van het schip is aan de west- en oostzijde met een steil driezijdig schild afgesloten en is door enkele dakkapellen geopend.
| 193 |
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 192-193