|
Het kerkhof rond de Sint Jan is herhaaldelijk uitgedijd en weer ingekrompen. Aan de zuidzijde grensde het rechtstreeks aan de pastorie van het Begijnhof, aan de Begijnhofmuur en het werd bij het zuidportaal van de Sint Jan en de Bouwloods door een ijzeren hek, ‘roester’ of ‘roostel’ afgesloten, ongetwijfeld een rooster over een greppel om loslopend vee de toegang tot het kerkhof onmogelijk te maken.6 In 1452 had de bisschop van Luik vergunning gegeven het kerkhof zuidwaarts te vergroten en door een muur van de straten af te scheiden.7 De vergunning kan betrekking hebben op delen van het al genoemde terrein tot de Begijnhofmuur, op het terrein ten zuiden en zuidoosten van het koor, langs de Choorstraat, en het gebied dat thans de naam St. Janskerkhof draagt. Op de zuidoosthoek van het kerkhof, aan de doodlopende Choor- of ‘Kerck-hofstraete’, zou het ‘Vundelingshuys’ gestaan hebben.8 In de rekeningen vanaf 1630 vinden wij sporadisch posten voor onderhoud en herstel van de omheiningen van kerkhofgedeelten afzonderlijk. Zo wordt in 1659-1660 ‘de sijdel ofte heijmuur tussen het bagijnhoff ende de kerck op gemetselt’ door Gijsbert van der Lijp.9 Aan de westkant werd het kerkterrein begrensd door een bakstenen muur met steunberen vanaf de Bagijnhofpastorie noordwaarts ongeveer midden door de Torenstraat,
| 159 |
|
een muur die van drie ingangen was voorzien, namelijk tegenover de Kerkstraat, vóór de Luidpoort en vóór het terrein ten noorden van de Lievevrouwekapel, een terrein dat nooit bebouwd is geweest.10 Noordwaarts volgt voorts, met rooilijn in het verlengde van deze muur, het huizenblok op de hoek van de Torenstraat en de Hinthamerstraat. Van de noordpartij van het kerkterrein, langs de Hinthamerstraat, zijn vermoedelijk al in de 13de eeuw erven uitgegeven en bebouwd, zodat dit gebied dichtslibde op de ‘kerkganc’ of ‘Kerck-hofstraete’ (tweede weg dus van die naam) ofwel het ‘Potghieterstraatje’ na, axiaal op het noordportaal gericht in het verlengde van de Boerenmouw. Uit de cijnsboeken is de parcellering en bewoning, met name die tussen 1575 en 1590, enigszins na te gaan.11 De vogelvluchtkaart van Jacob van Deventer, tussen 1552 en 1560 gemaakt, laat deze bebouwing schematisch, als een rode strook langs de Hinthamerstraat, zien.12 Deze huizen waren, volgens Van Heurn, alle van de kerk, maar werden door haar in 1611 of daaromtrent verkocht ter bestrijding van de kosten van het nieuwe oxaal, dat inderdaad een zeer kostbare onderneming was.13 Als dit zo is, hoe zijn de percelen dan weer deel van het kerkhof gaan uitmaken? Dat is een onopgeloste vraag, evenals de vraag waarom zij verdwenen zijn. Om de begraafplaats te verruimen? Na oorlogsschade in 1629? (veel bommen vanuit de richting Vught zijn over de kerk heen op haar noordkant en noordelijke belendingen terechtgekomen). Op de stadsplattegrond in het Toonneel der Steden van Joan Blaeu, uitgegeven in 1649 (maar veel gravures in dit boek zullen al ruim tevoren voorbereid en vervaardigd zijn), is het terrein naar de Hinthamerstraat al even open als nu en als op de kadastrale kaart van 1817. Het terrein werd naar de straat door een muur(tje) afgezet. In 1727-1728 wordt betaling verricht ‘tot het maken van den Beer’, niet nader gelocaliseerd.14 In 1786 wordt een ‘Beer’, wellicht dezelfde, gesloopt: ‘Ontvangen’ van verkoop van oude steen na ‘het amoveeren van den steenen Beer, nevens de Hinthamerstraat langs het grote of St. Jans Kerkhof’.15 Een ‘beer’ is een lage stenen muur. Daarvoor in de plaats leverde de steenhouwer J.H. Loth 24 stenen palen waarin liggend boven elkaar twee ijzeren gaarden als hek werden bevestigd.16 Veel later, in 1800, leverde dezelfde Loth een stenen lantaarnpaal op het kerkhof.17. De ‘kerkganc’ lag, zoals gezegd, tegenover de Boerenmouw en bood plaats aan een kruisbeeld, ‘'t groot cruys op St. Janskerkhoff’, een stenen kruisbeeld dat door de protestanten al in 1528 was vernield en daarna vervangen door een zwaar koperen corpus op een houten kruis. Dit werd in 1629 opgeborgen en in 1641 door de Rendant der kerkelijke goederen verkocht aan de Antwerpse Predikheren.18 Er was nog meer stoffering op dit deel van het kerkhof, zoals blijkt uit de stadsresolutiën van 1728, toen het huisje van de doodgraver werd verkocht, en uit de rekening van 1754-1755: ‘Betaalt aan Willem van der Linden eene somme van 12 gl. in voldoening van het ledigen van 4 knekelhuijsen staanden ten noorden van de Grotte Kerk 12-0-0’.19
In 1866 gaf het kerkbestuur de smid Scheffers opdracht voor een ijzeren hek langs de Hinthamerstraat en in 1867 werd dit geplaatst, met zijn neogotische pinakels en uitgesmede leliën op de traliën (op oude foto's te zien). Het maakte in 1935 plaats voor het lage bakstenen muurtje dat thans de gehele noord-, oost- en zuidoostkant omgeeft. In 1873 liet het kerkbestuur een ijzeren hek aan ‘het plein der kerk’ plaatsen, waarmee vermoedelijk de open ruimte aan de Torenstraat bedoeld is.20
Over de oostelijke omheining van het kerkhof handelt een rekeningpost van 1693-1694: ‘Van dato den 31 julij 1692 vastgestelt sijnde om te maacken een muer ende een duer voor St.Jans Choor in plaats van het vergaan hecken’. Op 9 augustus 1692 werd het publiek aanbesteed: timmerman Peter Sloth maakte er een poort voor met ‘frontespies’ (fronton).21
Ten zuidoosten van het koor der kerk, waar een hoek afgezonderd was als begraafplaats voor slachtoffers van de pest, stond een Heilig Kruiskapel volgens Van Heurn.22 Over de twee altaren daarin had de plebaan het begevingsrecht; in 1375 wordt bericht, dat de kapel vernieuwing nodig had, aldus deze schrijver. Andere bronnen voor het bestaan van zulk een kapel zijn tot heden niet gevonden.
Aan de zuidkant werd het kerkhof flink ingekort toen het Begijnhof verdween. De kerk daarvan diende een tijd lang als Engelse kerk, daarna als gehoorzaal van de Illustre School, stortte in 1701 in en werd toen gesloopt. Toen in 1675 de gedwongen uitsterving der Begijnen een feit was, ontstond er onenigheid tussen de Raad van State en de stadsregering over de eigendom der gebouwen, die beide al langer in gebruik hadden. Het geschil werd opgelost in 1721: de Raad van State verwierf de houten stallen in eigendom, die hij al in 1701 had neergezet en die in 1741 door de bakstenen veldartilleriestallen, de barakken, vervangen werden die tot 1934 langs de Triniteitstraat stonden. De stad verwierf de overige gebouwen van het Begijnhof en liet deze, op het pastoorshuis na, in 1749 afbreken. Het terrein werd ingericht als paradeplaats voor het garnizoen, met klinkers bestraat, met stenen paaltjes afgezet en enige jaren later met lindebomen beplant.23 Daarbij werd het kerkterrein tussen Choorstraat en Kerkstraat aan het kerkhof onttrokken en tot openbare weg gemaakt. Alleen een smalle strook
| 160 |
|
langs de zijbeuk van het schip bleef afgezonderd door een houten hek, terwijl ook vóór de sacristie langs het koor, die sinds 1631 tot woning van de koster diende, en vóór diens tuin, een houten hek met toegang stond, zoals nog op de aquarel van J. Jelgerhuis uit 1827 te zien is. Op 17 maart 1784 werd een resolutie aanvaard, ‘het kleine kerkhoff aan de zuidzijde van de groote of St. Janskerk met een hek of latwerk te laaten afsluiten’.24 Op 29 maart diende de timmerman W. Hubert bij de Rentmeester een memorie in over houten palen rondom de Sint Jan en neemt aan, 36 stenen palen te leveren. Of dit is doorgegaan, is onduidelijk, maar in dat jaar leverde de steenhouwer J.H. Loth 12 stenen palen, ter vervanging van oude houten palen, en twee stenen ingangspijlers, die mogelijk dezelfde zijn als op de aquarel van Jelgerhuis te zien zijn.25 In 1823 en ook nog in 1867 liet het kerkbestuur de latwerken nazien en verven. In 1868 werden de lindebomen in de voormalige kosterstuin gerooid. Het kerkhof was alleen begraafplaats der kleine luiden en armen. De laatste bijzettingen, onder meer van doden uit het Groot Ziekengasthuis, vonden in 1832 plaats. In 1856-1857 kwam de nieuwe rooms-katholieke begraafplaats aan de Graafseweg tot stand.
Op oude afbeeldingen, met name de steendruk van Servaas de Jong uit 1847, en op de oudste foto's, biedt het terrein ten noorden en noordoosten van de Sint Jan niets meer dat aan een kerkhof herinnert, vanaf 1860 is het gestoffeerd met materialen en loodsen voor de restauratie, in 1915 waren de thans nog bestaande houten bouwloodsen op het terrein voltooid.
| 161 |
| Noten | |
| 6. | In 1606 vermeld: Van Sasse van Ysselt II (zie vorige noot), 579. |
| 7. | ms. Van Heurn, 'Beschrijving van St. Jans'; Van Sasse van Ysselt II (zie noot 5), 392. |
| 8. | Nr. 14 op de stadsplattegrond in Cuypers van Velthoven. |
| 9. | KA, Rekeningen 1659-1660, f. 81 v. |
| 10. | Van deze muur een losse schets met notitie uit de 17de eeuw, met maataanduidingen en tekening van de goot in de straat westelijk parallel aan de muur; copie van deze schets in de schriftelijke nalatenschap J. Mosmans, GA, bundel 23. |
| 11. | Mosmans 1931, 19 en afb. 5, heeft van die percelen een reconstructie beproefd; in zijn nalatenschap bevinden zich zijn daarvoor gemaakte aantekeningen en een gedetailleerde schets, GA, bundel 23. Voor meer zekerheid zouden misschien zijn voornaamste bronnen, de cijnsboeken, nader bekeken moeten worden. |
| 12. | Het origineel in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. R. Fruin, 'Nederlandsche steden in de 16e eeuw, plattegronden van Jacob van Deventer', facsimile-uitgave, 's-Gravenhage 1917-1923, dl. 1; B. van 't Hoff, Jacob van Deventer, keizerlijk-koninklijk geograaf, 's-Gravenhage 1953. |
| 13. | Volgens Van Heurn, 'Beschrijving' (zie noot 7); Van Sasse van Ysselt 1911-1914, II, 392. |
| 14. | KA, Rekeningen 1727-1728, f. 83 r. |
| 15. | KA, Rekeningen 1786, f. 60 v.-61 r. |
| 16. | Ibid. en f. 80 v. |
| 17. | KA, Rekeningen 1800, f. 75 r. en v. |
| 18. | Van Sasse van Ysselt 1911-1914, III, 167; Mosmans 1931, 466; Cuypers van Velthoven, 40: voor de beeldenstorm van 1566 bleef het kruis behoed: ‘den Godt opten kerckhoff van den cruys gedaan’. |
| 19. | KA, Rekeningen 1754-1755, f. 70 r. De resultaten van de opgraving nabij en ter plaatse van de gesloopte bouwloodsen in juli-augustus 1984 onder leiding van de stadsarcheoloog H. Janssen zijn nog niet wetenschappelijk verwerkt en laten derhalve nog geen conclusies toe die hier vermeld kunnen worden. De vondsten bestaan uit de resten van een ongeveer aan de rooilijn van de Hinthamerstraat gelegen vakwerkhuis (hout en leem, 12de eeuw), opgevolgd door een bakstenen huis (14de eeuw?), wellicht rond 1400 afgebrand en niet vervangen; daarvan door een steeg gescheiden een tweede bakstenen huis (ook 14de eeuw?); op het erf een vierkante beerput; een grafveld met bijna driehonderd skeletten in kisten, 18de en vroege 19de eeuw. Berichten daarover: Brabants Dagblad 26 juli, 9, 11 en 16 augustus 1984, het laatste van de hand van T. Kappelhof, die veronderstelt dat de skeletten waarop zich sporen van sectie vertonen, overleden patiënten uit de militaire afdeling van het Groot Ziekengasthuis zijn. |
| 20. | KA, Notulen vergaderingen kerkbestuur, 3 dec. 1873. |
| 21. | KA, Rekeningen 1693-1694, f. 61 r. en v. |
| 22. | Van Heurn, 'Beschrijving' 1 (zie noot 7), 3e boek, 145. |
| 23. | Van Heurn 1778, 127-128; Van Sasse van Ysselt 1911-1914, II, 395. |
| 24. | KA, Rekeningen 1784, f. 94 r. en v. |
| 25. | Ibid., f. 99 v. en 100 r. |
C. Peeters, 'De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch' (1985) 159-161
| 1999 |
Marcel PortegiesDood en begraven in 's-Hertogenbosch : Het Sint-Janskerkhof 1629-1858Matrijs | Utrecht 1999 | ISBN 90 5345 142 0 |
J.H. van Heurn, Beschrijving der Stad 's-Hertogenbosch (2022) 183
Jan Sanders, Kroniek van Molius (2003) 213