|
De authentieke sculptuur rond de twee kerkdeuren in de voorhal van het zuidtransept is uitzonderlijk goed bewaard gebleven. In de zwikken bevinden zich reliëfs met zich beeldhouwwerk gewijd aan het leven van Johannes de evangelist en zijn visioenen. Uit de schetsen die de gebroeders Donkers in 1855 maakten, blijkt duidelijk dat het beeldhouwwerk, tot en met de figuren aan de hangende toten, vrijwel intact was gebleven.85 Slechts het bladwerk rond de deuren en enkele van de onderste (bereikbare) dierfiguren waren beschadigd. Het beeldhouwwerk was in de loop der tijd meerdere malen over gekalkt, waardoor details onzichtbaar waren geworden, maar waardoor de fijne sculpturen ook goed beschermd bleven. Daardoor kon het in 1897 van onder de kalklagen vrijwel gaaf te voorschijn worden gehaald. Hierbij werd echter ook zorgvuldig de authentieke onderste laag met polychromie verwijderd. Slechts heel kleine fragmentjes van deze lagen zijn van dichtbij beschouwd nog terug te vinden. P.J.H. Cuypers liet als Rijksadviseur voor de Monumenten gipsafgietsels maken van de reliëfs en liet opstellen in zijn nieuwe Rijksmuseum te Amsterdam als 'uitmuntende onderwijsvoorbeelden'.86 | 57 |
|
Over de duiding van de reliëfs is al relatief veel geschreven, door diverse auteurs. De eerste die uitgebreid ingaat op de reliëfs is historicus Jan Hezenmans, in zijn monografie over de Sint-Jan uit 1866. Hoewel de sculpturen in zijn tijd nog grotendeels onder dikke kalklagen verborgen gingen, kent zijn enthousiasme over de kwalteit van de reliëfs geen grenzen als hij schrijft dat het hem 'leed' doet van het beeldhouwwerk 'geen teekening te kunnen ten beste geven, want ook de naauwkeurigste beschrijving kan daarvan niet anders dan een zwak en onvolledig denkbeeld schenken'.87 Enkele bladzijden verder benadrukt hij nog eens het belang van het beeldhouwwerk: 'Het beeldwerk van dit portaal is uitmuntend van vormen en wint het daarin verre van het noordelijke; 't is een onschatbaar overblijfsel der oude kunst en wie zal het niet met ons bejammeren, dat er zooveel van is verloren gegaan?'.88 Hoewel Xavier Smits, Jan Mosmans en later Cees Peeters de beschrijving van Hezenmans sterk verbeteren - zij konden ook het schoongemaakte werk bestuderen - zal hier de beschrijving van Hezenmans in extenso worden opgenomen.89 De verbeteringen van de andere auteurs komen bij de beschrijvingen van de onderdelen aan de orde. Hezenmans vervolgt: 'Al dadelijk moeten wij de opmerking maken dat zich hier het zelfde verschijnsel als bij alle oude hoofdkerken voordoet; het zuider-portaal namelijk, is veel rijker versierd dan het noordelijke. Is men de voorhal binnen getreden, dan staan boven de kerkdeuren, als op twee groote bladzijden, verschillende reeksen van beeldwerk; in zeer geheimzinnige vormen, vertoonen zij ons het einde der wereld en de teekenen welke zulks vooraf zullen gaan, benevens eenige trekken uit het leven van den profeet des nieuwen verbonds , Joannes, die dat alles voorzag en voorzeide'. Hierna gaat hij in op de verschillende taferelen die in de reliefs zijn uitgebeeld: 'Boven de oostelijke deur staan de voorteekens die der wereld haren nabijzijnden ondergang zullen aankondigen. Rechts staan de valsche profeten, onder de inblazing des duivels hun boeken schrijvende en den inhoud luidkeels aan de voorbijtrekkende schare verkondigend, links de Antichrist. De Antichrist is er voorgesteld, gelijk de mid-deneeuwen zulks niet ongewoon waren, door een tweelijvig monster met één hoofd. Deze wijze van voorstelling, zeggen wij, was in de middeneeuwen niet ongewoon; ook Albertus Magnus schetste den Antichrist alzoo; hij noemt de dieren en verklaart de beteekenis daaronder verscholen. “De Antichrist”, zegt hij, in zijne uitlegging der Openbaringen, “wordt vergeleken bij een panther, een leeuw en een beer”, en waarom? “om zijne trotsch, zijne wreedheid en ontucht af te beelden”, ondeugden welke niet de natuur van ieder dezer dieren overeenkomen. De beeldhouwer van het zuider portaal heeft ze dan ook in het drieledig monster naauwkeurig vereenigd; en om alle dubbelzinnigheid voor te komen, heeft hij den strijd voor en tegen Christus in nog een anderen vorm daar boven geplaatst, in den vorm gelijk de middeneeuwen zich dien het gereedst | 58 |
|
voorstellen moesten, in den strijd van een muzelman en een kruisridder. In het midden der deur ontplooit de adelaar van St. Jan Zijne vlerken, om op te stijgen en die tafereelen te overzien. De westelijke deur geeft het oordeel, met twee trekken uit het leven van St. Jan. In het midden verschijnt Christus, de rechter, en met hem de vier bazuinende Engelen. Onafhankelijk van de kleinere figuren, rond hem uit de graven verrijzende, bevinden zich rechts eene vrouw en links een grijsaard, beide met spreukrollen in de hand en in smeekende houding tot hem gekeerd. Deze figuren kunnen voorstellen èn het geheele menschelijk geslacht, èn de verworpelingen en uitverkorenen, èn de Sybil en den profeet Joël, die beide van het oordeel gewaagd hebben; moeilijk is het, tusschen de verschillende uitleggingen waartoe deze beelden zich leenen, eene keuze te doen, maar zooveel is zeker, dat hier aan de gewone voorstelling van de H. Maagd en St. Jan den Dooper, zooals in het choor, niet te denken valt. In de hoeken boven de laatste figuren bevindt zich de Apostel Joannes, in het avondmaal op de borst des Heeres rustende en zijne marteling in de olie. De punten van het lijstwerk waarin deze beelden gesloten zijn, worden afgezet door de symbolen der Evangelisten, westwaarts beginnende in deze volgorde: de Arend, de Engel, de Leeuw en de Os. Ook de valsche profeten hebben hun symbolen; de twee punten aan de volgende deur voor hen overgebleven, zijn bezet door een wolf en een beschadigd vogelachtig dier, misschien een griffoen?.90
Het beeldhouwwerk in de voorhal bezit inderdaad een erg hoge artistieke kwaliteit, net zoals het bewaard gebleven authentieke werk aan de buitenzijde van de voorhal en aan de binnenzijde van de transeptgevel. Het lijkt werk te zijn van ten minste één, of anders een kleine groep van meesterbeeldhouwers. Ongetwijfeld werden deze kunstenaars speciaal voor deze klus aangetrokken en was het geen werk voor de gangbare beeldhouwers in de bouwloods. De kwaliteit van het werk wordt elders aan de kerk nauwelijks gehaald. Er is wel gesuggereerd een deel van het beeldhouwwerk, met name de zwikreliëfs, te verbinden aan Alard Duhameel zelf. Hoewel hij behalve bouwmeester een begenadigd graveur was en ongetwijfeld tijdens zijn opleiding zich de technieken van het beeldhouwen meester zal hebben gemaakt, is een toeschrijving veel te voorbarig en speculatief. | 59 |
|
De reliëfs en de deuromlijstingen in de voorhal van het zuidtransept bestaan nog grotendeels uit de authentieke onderdelen (blauw op bovenstaande tekening). De omlijstingen en de reliëfs zijn van oorsprong geheel van een fijne kalksteen gemaakt, vermoedelijk een steen uit de buurt van Brussel. De beperkte vernieuwingen in het beeldhouwwerk zijn van een hardere, maar goed passende Franse kalsteensoort. De wanden van de voorhal zijn voor wat betreft de onderste geleding oorspronkelijk geheel met Ledesteen bekleed geweest. Daarboven was de belangrijkste bekledingssteen tufsteen, met een aantal ankerlagen van Ledesteen. Dit verschijnsel is ook aan de binnenzijde van de gevel te zien. | 60 |
| Noten | |
| 85. | Schetsboek gebroeders Donkers (1855), kerkarchief Sint-Jan. |
| 86. | Peeters 1985, 255. |
| 87. | Hezenmans 1866, 118. |
| 88. | Hezenmans 1866, 120. |
| 89. | Smits 1907, 190-195; Mosmans 1931, 268-274; Peeters 1985, 254-255. |
| 90. | Hezenmans 1866, 118-121. |
Ronald Glaudemans, Het zuidtransept : Bouwhistorisch onderzoek 2007-2010 (2010) 57-60
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 274-303
Ronald Glaudemans, Het zuidtransept : Bouwhistorisch onderzoek 2007-2010 (2010) 57-81
Jan Mosmans, De St Janskerk te 's-Hertogenbosch (1931) 270 (afb. 174); 271 (afb. 175); 272 (afb. 176)
Jan van Oudheusden, De Sint Jan van 's-Hertogenbosch (1985) 32
C. Peeters, De Sint Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1985) 284 (afb. 252, 255)