|
In de driehoekige topgevel van de transeptgevel zijn bij de restauratie aan het einde van de negentiende eeuw zes grote kalkstenen beelden geplaatst. Er was voor de restauratie nog slechts één beeld bewaard gebleven, dat van Christus op Thabor, nu opgesteld in de luidpoort. Er waren in totaal zes grote beeldnissen. Op de tekening van Abraham Van Beerstraten (omstreeks 1665) zijn behalve het Christusbeeld nog twee andere, niet nader te identificeren beelden zichtbaar. De onderste drie beeldnissen zijn door het perspectief niet zichtbaar, zodat niet is vast te stellen of er nog beelden in aanwezig waren. Aan het begin van de negentiende eeuw waren de twee flankerende beelden mogelijk nog aanwezig, getuige enkele schetsen die in het kerkarchief worden bewaard, en mogelijk was er nog een vierde beeld in de onderste centrale nis. Deze tekeningen zijn echter een wankele basis voor conclusies. De schets van de gebroeders Donkers (1855) en enkele vroege foto’s van de zuidzijde laten er geen misverstand over bestaan dat alleen de bovenste centrale nis nog een beeld bevatte. De beeldencompositie van de zuidelijke geveltop is bij de laatnegentiende-eeuwse restauratie niet alleen aangevuld met het nieuwe beeld van Maria, midden onder de Christusfiguur, maar bovendien zijn de zijdelingse nissen gevuld met beelden die nu samen met dat Christusbeeld de Gedaanteverandering op de berg Thabor voorstellen: flankerende grote beelden van Mozes en Elias, en kleine geknielde beelden van Petrus en Jacobus. Veertig dagen vóór het feest van de Kruisverheffing (14 september) herinnert het feest van de Gedaanteverandering van Christus eraan hoe Jezus de apostelen Petrus, Johannes en Jacobus wilde voorbereiden op zijn kruisdood. Zijn verheerlijking op de berg Thabor is niet alleen een voorafbeelding van de verrijzenis, maar ook van de toekomstige heerlijkheid van de kerk als Lichaam van Christus. De drie leerlingen zien door de gedaanteverandering van Jezus naast zijn godheid ook zijn verheerlijking die zal geschieden na de overwinning op de dood en de verrijzenis uit de dood door zijn terugkeer naar de hemel waar hij zetelt aan de rechterhand van zijn Vader. Op de berg Thabor troost en sterkt Jezus zijn leerlingen (Johannes, Petrus en Jacobus), maar ook wordt hij zelf opgebeurd en bemoedigd als mens, terwijl Mozes en Elias hem eer bewijzen. Maria hoort dus in het geheel niet aanwezig te zijn in dit tafereel, en bovendien was er door de plaatsing van het Mariabeeld geen plaats meer in de geveltop voor de derde getuige, Johannes de evangelist. De onderste centrale beeldnis werd aangepast voor het zittende, en dus minder hoge beeld van Maria met kind door het voetstuk onder het beeld met veertig tot vijftig cm te verhogen. Johannes werd op de uit iconografisch oogpunt onjuiste plaats boven Jezus, midden op de geveltop, geplaatst in de vorm van een in koper gegoten beeld, met open boek in de hand, de adelaar aan zijn voeten. Blijkens een sterk verweerde tekst in het boek, alleen van bovenaf waar te nemen, werd het beeld geschonken door Jonkheer P. J. Bosch van Drakestein en in 1895 geplaatst. Koldeweij vermoedt terecht dat het oorspronkelijk de bedoeling van de negentiende-eeuwse | 45 |
|
herstellers moet zijn geweest om centraal onder het Christusbeeld de derde apostel, die naast Petrus en Jacobus getuigen waren van de gedaanteverwisseling op de berg Thabor, Johannes de Evangelist te plaatsen. Maar omdat deze een plek op de centrale geveltop kreeg in de vorm van het koperen beeld, plaatse men hier het beeld van Maria met kind.71 Op een ongedateerd, niet uitgevoerd restauratieontwerp voor de geveltop zien we op de plaats van Maria een staande Christus met een kruisstaf in de hand, geflankeerd door een heilige met een zaag als attribuut (rechts), mogelijk de apostel Simon die een marteldood zou zijn gestorven door te zijn doorgezaagd. Links is een staande vrouw met hoofddoek getekend. Links onder een geknielde vrouw met boek in de handen, rechts een geknielde, bebaarde man. Wanneer de heilige met de zaag Jozef moet voorstellen, dan zou de vrouw links Maria kunnen zijn en de twee oudere, knielende figuren de ouders van Maria, Anna en Joachim. Op deze tekening staat het Johannesbeeld al op de top ingetekend.72 | 46 |
|
Het is dus heel onwaarschijnlijk dat de geveltop oorspronkelijk door middel van een beeld werd beëindigd. Hoe de middeleeuwse top er dan wel uit heeft gezien, was aan de hand van de overgebleven restanten in de negentiende eeuw nauwelijks meer te herleiden. Op de tekening van Van Beerstraten (circa 1665), die voor ontwerpers en onderzoekers als de gebroeders Donkers, Lambert Hezenmans, Xavier Smits en Jan Mosmans overigens onbekend was en dus niet kon worden geraadpleegd, is zichtbaar dat de middelste topfiaal nog grotendeels intact was. We mogen dus aannemen dat de top werd bekroond met een fiaal met pinakel als de flankerende exemplaren, wellicht wat groter en eventueel geschraagd door kleine luchtbogen, zoals de gebroeders Donkers die tekenen op hun prijsvraagontwerp uit 1855. Jan Mosmans, in zijn boek uit 1931 toch al geen grote fan van de restauratieopvattingen van Hezenmans, wijst er terecht op dat de gebroeders Donkers waarschijnlijk een uit historisch oogpunt beter restauratievoorstel hadden getekend. Hij verhaalt:
'Ten bewijze hiervoor kan strekken, de schets van den ouden toestand, zooals de Gebrs Donkers ons [-] hebben nagelaten, schets, die zij op hunne restauratieplannen dienovereenkomstig met drie fialen op den hoogsten geveltop, hebben uitgewerkt. Het plaatsen van het koperen beeld van St Jan heeft nu ook het volledig herstellen van den ouden iconografischen opzet verhinderd. De oorspronkelijke middeleeuwsche iconographische gedachte hield blijkbaar de uitbeelding van den Thabor in. Dat mag men concludeeren uit het nog overgebleven beeld, en uit den sterk rechtlijnig en verticaal verdeelden geveltop, die juist het benoodigde aantal nissen oplevert. In de middelste nis staat het bovenaardsche beeld van den verheerlijkten Christus, vrij vlak gehouden, en daardoor “blinkend als sneeuw," ruim 2 Mr hoog [-], in de loodsen nauwkeurig nagekapt en dus onder zeker oogpunt, volmaakt authentiek. In de zijnissen op lager plan, staan de nieuw-ontworpen en gebeitelde beelden van Mozes en Elias, die met Hem op den berg spraken. Op nog lager plan staan, de eveneens nieuwe, Petrus en Jacobus, maar behoorde ook Johannes aanwezig te zijn, die allen van Christus' verheerlijking getuige waren. Maar Johannes kreeg de hem toebehoorende plaats niet. Hij zou immers, dat had de Muze aan Hezenmans ingefluisterd, in koper boven komen te prijken. De verbaasde Thabor-pose zou hij daarbij moeten afleggen en het leerarend Evangelieschrijvers-gebaar hebben aan te nemen. Op zijne plaats tusschen de bevoorrechte leerlingen stelde de bouwhersteller een nieuw ontworpen beeldgroep, Maria met het Goddelijk Kind op haren schoot. Ondanks deze iconografische ongerechtigheid, is het transsept, als geheel, een heerlijke, op zich-zelf staande, ongemeene bouw-constructie'.73
Het restauratieontwerp van de gebroeders Donkers laat, hoewel moeilijk zichtbaar, ook de juiste iconografische reconstructie van de beeldengroep zien, met de centraal onder het Christusbeeld geplaatste Johannes.74 | 47 |
| Noten | |
| 71. | Koldeweij 1982, 11. |
| 72. | Ongedateerde tekening (niet uitgevoerd), kerkarchief Sint-Jan. |
| 73. | Mosmans 1931, 275-276. |
| 74. | De inzendingen voor de prijsvraag van het Noordbrabants Genootschap, en daarmee de tekeningen van de gebroeders Donkers, worden bewaard in het Noordbrabants Museum te ’s-Hertogenbosch. |
Ronald Glaudemans, Het zuidtransept : Bouwhistorisch onderzoek 2007-2010 (2010) 45-48
|
In de driehoekige topgevel van de transeptgevel zijn bij de restauratie aan het einde van de negentiende eeuw zes grote kalkstenen beelden geplaatst. Er was voor de restauratie echter nog slechts één beeld bewaard gebleven, dat van Christus op Thabor, nu opge- | 264 |
|
steld in de Luidpoort. Er waren in totaal zes grote beeldnissen. Op de tekening van Abraham Van Beerstraten (omstreeks 1665) zijn behalve het Christusbeeld nog twee andere, niet nader te identificeren beelden zichtbaar. De onderste drie beeldnissen zijn door het perspectief niet zichtbaar, zodat niet is vast te stellen of er nog beelden in aanwezig waren. Aan het begin van de negentiende eeuw waren de twee flankerende beelden mogelijk nog aanwezig, getuige enkele schetsen die in het kerkarchief worden bewaard, en mogelijk was er nog een vierde beeld in de onderste centrale nis. Deze tekeningen zijn echter een wankele basis voor conclusies. De schets van de gebroeders Donkers (1855) en enkele vroege foto’s van de zuidzijde laten er geen misverstand over bestaan dat alleen de bovenste centrale nis toen nog een beeld bevatte. De beeldencompositie van de zuidelijke geveltop is bij de laatnegentiende-eeuwse restauratie niet alleen aangevuld met het nieuwe beeld van Maria, midden onder de Christusfiguur, maar bovendien zijn de zijdelingse nissen gevuld met beelden die nu samen met dat Christusbeeld de Gedaanteverandering op de berg Thabor voorstellen: flankerende grote beelden van Mozes en Elias, en kleine geknielde beelden van Petrus en Jacobus. Veertig dagen vóór het feest van de Kruisverheffing (14 september) herinnert het feest van de Gedaanteverandering van Christus eraan hoe Jezus de apostelen Petrus, Johannes en Jacobus wilde voorbereiden op zijn kruisdood. Zijn verheerlijking op de berg Thabor is niet alleen een voorafbeelding van de verrijzenis, maar ook van de toekomstige heerlijkheid van de Kerk als Lichaam van Christus. De drie leerlingen zien door de gedaanteverandering van Jezus naast zijn godheid ook zijn verheerlijking die zal geschieden na de overwinning op de dood en de verrijzenis uit het graf door zijn terugkeer naar de hemel waar hij zetelt aan de rechterhand van zijn Vader. Op de berg Thabor troost en sterkt Jezus zijn leerlingen (Johannes, Petrus en Jacobus), maar ook wordt hij zelf opgebeurd en bemoedigd als mens, terwijl Mozes en Elias hem eer bewijzen. Maria hoort dus niet aanwezig te zijn in dit tafereel. Bovendien was er door de plaatsing van het Mariabeeld geen plaats meer in de geveltop voor de derde getuige, de apostel Johannes. De onderste centrale beeldnis werd aangepast voor het zittende, en dus minder hoge beeld van Maria met Kind door het voetstuk onder het beeld met veertig tot vijftig centimeter te verhogen. Johannes werd op de uit iconografisch oogpunt onjuiste plaats boven Jezus, midden op de geveltop, geplaatst in de vorm van een in koper gegoten beeld, met open boek in de hand, de adelaar aan zijn voeten. Blijkens een sterk verweerde tekst in het boek, alleen van bovenaf waar te nemen, werd het beeld geschonken door Jonkheer P. J. Bosch van Drakestein en in 1895 geplaatst. Koldeweij vermoedt terecht dat het oorspronkelijk de bedoeling van de negentiende-eeuwse herstellers moet zijn geweest om centraal onder het Christusbeeld Johannes de Evangelist te plaatsen, als derde apostel die naast Petrus en Jacobus getuige was van de gedaanteverwisseling op de berg Thabor. Maar omdat deze op de centrale geveltop kwam, plaatste men het onder het beeld van Maria met kind.45 Op een ongedateerd, niet uitgevoerd restauratieontwerp voor de geveltop zien we op de plaats van Maria een staande Christus met een kruisstaf in de hand, geflankeerd door een heilige met een zaag als attribuut (rechts), mogelijk de apostel Simon die een marteldood zou zijn gestorven door te zijn doorgezaagd. Links is een staande vrouw met hoofddoek getekend. Links onder een geknieldevrouw met boek in de handen, rechts een geknielde, bebaarde man. Wanneer de heilige met de zaag Jozef moet voorstellen, dan zou de vrouw links Maria kunnen zijn en de twee oudere, knielende | 265 |
|
figuren de ouders van Maria, Anna en Joachim. Op deze tekening staat het Johannesbeeld al op de top ingetekend.46 Het is onwaarschijnlijk dat de geveltop oorspronkelijk door middel van een beeld werd beëindigd. Hoe de middeleeuwse top er dan wel uit heeft gezien, was aan de hand van de overgebleven restanten in de negentiende eeuw nauwelijks meer te herleiden. Op de tekening van Van Beerstraten (circa 1667), die voor ontwerpers en onderzoekers als de gebroeders Donkers, Lambert Hezenmans, Xavier Smits en Jan Mosmans overigens onbekend was en dus niet kon worden geraadpleegd, is zichtbaar dat de middelste topfiaal nog grotendeels intact was. We mogen dus aannemen dat de top werd bekroond met een fiaal met pinakel als de flankerende exemplaren, wellicht wat groter en eventueel geschraagd door kleine luchtbogen, zoals de gebroeders Donkers die tekenen op hun prijsvraagontwerp uit 1855. In zijn standaardwerk van 1931 wijst Jan Mosmans, toch al geen grote voorstander van de restauratieopvattingen van Hezenmans, er terecht op dat de gebroeders Donkers waarschijnlijk een uit historisch oogpunt beter restauratievoorstel hadden getekend. Hij verhaalt: “Ten bewijze hiervoor kan strekken, de schets van den ouden toestand, zooals de Gebrs Donkers ons [-] hebben nagelaten, schets, die zij op hunne restauratieplannen dienovereenkomstig met drie fialen op den hoogsten geveltop, hebben uitgewerkt. Het plaatsen van het koperen beeld van St Jan heeft nu ook het volledig herstellen van den ouden iconografischen opzet verhinderd. De oorspronkelijke middeleeuwsche iconographische gedachte hield blijkbaar de uitbeelding van den Thabor in. Dat mag men concludeeren uit het nog overgebleven beeld, en uit den sterk rechtlijnig en verticaal verdeelden geveltop, die juist het benoodigde aantal nissen oplevert. In de middelste nis staat het bovenaardsche beeld van den verheerlijkten Christus, vrij vlak gehouden, en daardoor “blinkend als sneeuw”, ruim 2 Mr hoog [-], in de loodsen nauwkeurig nagekapt en dus onder zeker oogpunt, volmaakt authentiek. In de zijnissen op lager plan, staan de nieuwontworpen en gebeitelde beelden van Mozes en Elias, die met Hem op den berg spraken. Op nog lager plan staan, de eveneens nieuwe, Petrus en Jacobus, maar behoorde ook Johannes aanwezig te zijn, die allen van Christus’ verheerlijking getuige waren. Maar Johannes kreeg de hem toebehoorende plaats niet. Hij zou immers, dat had de Muze aan Hezenmans ingefluisterd, in koper boven komen te prijken. De verbaasde Thabor-pose zou hij daarbij moeten afleggen en het leerarend Evangelieschrijvers-gebaar hebben aan te nemen. Op zijne plaats tusschen de bevoorrechte leerlingen stelde de bouwhersteller een nieuw ontworpen beeldgroep, Maria met het Goddelijk Kind op haren schoot. Ondanks deze iconografische ongerechtigheid, is het transsept, als geheel, een heerlijke, op zichzelf staande, ongemeene bouw-constructie”.47 Het restauratieontwerp van de gebroeders Donkers laat, hoewel moeilijk zichtbaar, ook de juiste iconografische reconstructie van de beeldengroep zien, met de centraal onder het Christusbeeld geplaatste Johannes.48 | 266 |
Christus op de berg ThaborOp de hoogste top van de transeptgevel staat nu dus het koperen beeld van Johannes Evangelist, patroonheilige van de kerk (T1). De baardloze Johannes heeft lange, krullende haren, is uitgebeeld in een lange mantel en heeft een ijzeren aureool rond het hoofd. In de rechter hand houdt Johannes een schrijfstift en in de andere een boek omhoog. De bovenzijde van het opengeslagen boek toont de volgende, deels niet meer leesbare tekst: [-] VAN – JRMR PA[-]US JAN – BOSCH – VAN DRAKESTEIN – COMMISSARIS DER – KONINGIN IN BRABANT – AAN DE – ST JANSKERK – MDCCCXCV. Het tegenoverliggende blad vermeldt: VAN RYSWYCK FE[-]ANIV 1895. Een wapenschild tegen het been van Johannes toont het wapen van de familie Bosch van Drakestein. Aan de andere zijde zit tegen de voet van het beeld een adelaar, symbool van de evangelist. Het beeld werd geschonken door Bosch van Drakestein, vervaardigd door de firma Van Rijswijck en geplaatst in 1895 als bekroning van de restauratie van de transeptgevel. Als gezegd is het niet erg waarschijnlijk dat er van oorsprong een beeld heeft gestaan op deze plek. Vermoedelijk was er gewoon een middenpinakel die hoger oprees dan de twee flankerende pinakels. Jan Mosmans schrijft er het volgende over: “De geveltop wordt bekroond door een groot koperen beeld van St Jan. Men heeft daarmede de toewijding van dit transept aan St Jan, in onzen tijd opnieuw willen accentueeren. Oppervlakkig en zonder nadenken beschouwd, doet het beeld van St Jan fraai en decoratief aan. Als “vrij-eindiging” is het voor de kritiek echter niet te aanvaarden. St Jan tusschen twee fialen staande, is bouwkundig geen gelukkige gedachte en moet, op de keper beschouwd, als een minder-aesthetische versiering aangemerkt worden. De plaats van het koperen beeld berust dan ook niet op authentieke gegevens. De aanduidingen, die van vroeger bestaan, wijzen op een geheel andere eindiging van den geveltop, nl. in een slanken steenen fiaal, die, vol-verantwoord, uit de bouwpartij- zelve opgroeide”.49 In de centrale nis in de geveltop bevindt zich een meer dan mansgroot Christusbeeld in kalksteen (T2), dat een zeer getrouwe kopie is van het bewaarde originele beeld. Christus is hier weergegeven als onderdeel van de gedaanteverwisseling (transfiguratie) op de berg Thabor. De figuur heeft een korte baard en lang haar, draagt een eenvoudig kleed en is blootsvoets. De rechter hand wijst naar beneden, de linker hand wordt voor de borst gehouden, hiermee het kleed iets omhoog trekkend. Rond het hoofd is een driedelige koperen stralenkrans bevestigd. Het authentieke beeld, vermoedelijk vervaar- | 267 |
|
digd uit Ledesteen en in elk geval niet uit tufsteen zoals in enkele publicaties vermeld, was aanvankelijk opgesteld in het Centraal Museum in ’s-Hertogenbosch, maar tegenwoordig weer in de kerk, in het torenportaal tegen de noordelijke wand.50 Het beeld bestaat uit twee gestapelde delen, net zoals de negentiende-eeuwse kopie. Boven op het hoofd is een deel van een metalen stralenkrans, met drie stralen, aangebracht. Oorspronkelijk had het beeld ook dergelijke toevoegingen aan beide zijden van het hoofd; de bevestigingsgaten zijn er van aangetroffen. Bij de negentiende-eeuwse kopie zijn deze stralen, in koper, weer aangebracht. Het in de negentiende eeuw nieuw bedachte beeld van Mozes (T3) staat aan de linkerzijde van het Christusbeeld. Mozes is klassiek weergegeven in een lang gewaad, met wilde lange baard en hoorntjes. In zijn linkerhand draagt hij de stenen tafelen met de tien geboden, waarnaar hij met de rechterhand wijst.51 Op de tekening van Van Beerstraten (circa 1667) is op deze plek nog een verder onherkenbaar beeld zichtbaar en het is goed denkaar dat hier inderdaad Mozes was uitgebeeld. Van Beerstraten tekent aan de andere zijde ook een beeld, waar nu de bebaarde profeet Elias staat, die met een boek (de Bijbel) voor de borst enigszins omhoog kijkt (T4).52 Links van het centrale Mariabeeld is een geknielde Petrus uitgebeeld (T5) en rechts ervan Jacobus (T6). Beide beelden gaan niet terug op oude resten.53 Maria of JohannesCentraal onder het Christusbeeld bevindt zich nu een zittende of tronende Maria met het Christuskind op schoot (T7). Maria is gekroond weergegeven, draagt een hoofddoek onder de kroon en een mantel om de schouders. Zij houdt met de linker hand het kind en in de andere hand een met een lelie versierde scepter vast. Het Christuskind houdt een wereldbol met kruis in de hand en maakt met de andere hand een zegenend gebaar. Het beeld is geheel een restauratieproduct uit de eerste restauratiecampagne. De keuze om hier een Mariabeeld te plaatsen wordt als uiterst ongelukkig gezien vanuit iconografisch oogpunt. Het misverstand, als zou er een Mariabeeld in de top aanwezig zijn geweest, is mogelijk veroorzaakt door historicus Jan Hezenmans, die in 1866 het Salvatorbeeld in de top beschrijft als “den verlangde der volkeren, die op de armen zijner Moeder de spits inneemt”.54 De onduidelijkheid wordt nog versterkt door Pierre Cuypers, die in een van zijn aanbevelingen het volgende stelt: “Boven den boog van het groot venster is het voetstuk nog aanwezig, waarop het zittend beeld van Maria met het Kind het middenpunt vormt dezer opdracht”.55 Later, in 1893 toen de top ten behoeve van de restauratie in de steigers stond en de overblijfselen van dichtbij bekeken konden worden, meldt Cuypers, dat de resten van het oude Mariabeeld te weinig duidelijkheid vertonen en dat het beter is, voor een nieuwe Heilige Maagd met Kind een fraai middeleeuws voorbeeld tot model te nemen.56 Als er al resten van een beeld waren in deze nis, dan zijn ze uiterst gering geweest; op alle beschikbare foto’s en tekeningen van voor de restauratie is duidelijk een lege nis te zien. Ook op de tekening van Van Beerstraten (circa 1667) lijkt de plek al leeg. Het is aannemelijk dat hier, gezien de samenhang van de beelden in de top, het beeld stond van de apostel Johannes, die eveneens getuige was van de transfiguratie op Thabor. De nis lijkt in de huidige | 268 |
|
situatie echter niet geschikt voor een staande, maar wel voor een zittende figuur, zoals de nu geplaatste tronende Maria. Aan de hand van de in verhouding getekende schets van de gebroeders Donkers is op te maken dat het voetstuk onder het Mariabeeld bij de eerste restauratie met circa 40-50 centimeter is opgehoogd, waardoor een zittend beeld beter in de nis past. In de oorspronkelijke situatie was de nis even groot als de twee aangrenzende nissen, waar staande figuren een plek kregen en kan centraal een staand Johannesbeeld dus gemakkelijk geplaatst zijn geweest.57 | 269 |
| Noten | |
| 45. | Koldeweij 1982, 11. |
| 46. | Ongedateerde tekening (niet uitgevoerd), kerkarchief Sint-Jan. |
| 47. | Mosmans 1931, 275-276. |
| 48. | De ingezonden tekeningen van de gebroeders Donkers voor de prijsvraag van het Noordbrabants Genootschap worden bewaard in het Noordbrabants Museum te ’s-Hertogenbosch. |
| 49. | Mosmans 1931, 275. |
| 50. | Koldeweij 1989, 2. Mosmans 1931, 275. |
| 51. | In de bouwloods is een ontwerpmodel van gips bewaard gebleven, circa 45 cm hoog. Bouwloods gipsdepot, i-472. |
| 52. | Van het negentiende-eeuwse beeld is in de bouwloods een ontwerpmodel bewaard gebleven. Bouwloods gipsdepot, i-259. |
| 53. | Bouwloods gipsdepot, i-496 (Petrus, T5) en i-490 (Jacobus, T6). |
| 54. | Hezenmans 1866, 117. |
| 55. | Peeters 1985 A, 256. |
| 56. | Peeters 1985 A, 256. |
| 57. | In het depot van de bouwloods wordt een 45 cm hoog gipsen ontwerpmodel van het Mariabeeld bewaard. Bouwloods gipsdepot, i-478. |
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 265-269
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 265-269
Ronald Glaudemans, Het zuidtransept : Bouwhistorisch onderzoek 2007-2010 (2010) 45-56
A.M. Koldeweij, De transeptportalen (1983) 41
Jan Mosmans, De St Janskerk te 's-Hertogenbosch (1931) 274 (afb. 178)
Jan van Oudheusden, De Sint Jan van 's-Hertogenbosch (1985) 31
C. Peeters, De Sint Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1985) 284 (afb. 249)