C. Peeters, 'De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch' (1985) 250, 280
|
De voorstelling van zwik z31 in de symbolisch belangrijke centrale, oostelijke travee van het hoogkoor was tot aan de restauratie van 1914 voor de helft goed bewaard gebleven (z31). Aan de linker zijde staat een man op een console, waarop een zittende engel met een wapenschild is uitgebeeld. Op het wapenschild zijn overduidelijk drie (franse) lelies te onderscheiden: twee boven en één onder. De grote figuur draagt eenvoudige puntschoenen, nauwe hozen en een met knopen afgezette lijfrok, met strakke kraag en wijd openhangende mouwen met een randversiering. Een met bloemmotieven versierde gordel is nog juist zichtbaar. Hieraan hangt een dolk, waarvan het heft wordt omklemd | 190 |
|
door de linker hand van de man. Met de andere hand houdt hij een lang, dun voorwerp voor de borst, waarvan het bovenste deel is afgebroken. Het hoofd van de man toont een deels afgebroken baard en wijd krullend haar. Tenslotte draagt de man een kroon, afgezet met kleine rozetten. De rechter figuur stelt overduidelijk een vrouw voor. Zij staat op een console, waarvan de voorstelling geheel is afgebroken. De vrouw draagt puntige schoenen onder een lang plooiend gewaad dat in het midden een rij knopen laat zien. Het middendeel van de vrouw is vrijwel geheel verdwenen en zelfs uit de afdruk is nauwelijks iets over de oorspronkelijke detaillering van het reliëf af te leiden. De borst- en schouderpartij is nog wel bewaard. Hier is zichtbaar dat het gewaad een laag uitgesneden kraag had, afgezet met kleine rozetten. Het hoofd van de vrouw is grotendeels verdwenen, maar wel is de afdruk van een kroon of diadeem zichtbaar. Vanaf het hoofd zijn tenslotte aan weerszijden van de vrouw lange vlechten of lange haren te zien, doorlopend tot op heuphoogte. Het ligt voor de hand dat hier op de as van de kerk een koningspaar is uitgebeeld, maar de over de identificatie ervan lopen de meningen uiteen. Verwijzend naar de Franse lelies, stelt Smits in zijn dissertatie van 1907 dat een van “Brabants’ vorsten” in het zwikreliëf is weergegeven. Hij voegt daar aan toe: “Onder het bestuur van Jan Zonder Vrees (1404-19) was de herbouw van het koor der Bossche kerk begonnen (-)”.127 Smits was destijds in de veronderstelling dat de kerk na de stadsbrand van 1419 werd herbouwd. Jan Mosmans schaart zich aanvankelijk achter deze opvatting: “De onderstelling dat Jan-Zonder-Vrees, (1404-1419) de toenmalige vorst van Bourgondië en Brabant hier geplaatst werd, is niet te gewaagd (-)”.128 Enkele jaren later echter, als Mosmans zijn vernieuwde visie op de zwikkenreeks publiceert, stelt hij iets anders en duidt hij de historische figuren als hertog Anton, de broer van Jan Zonder Vrees, en Antons gemalin Elisabeth van Görlitz.129 De draai die Mosmans maakte was ingegeven door het feit dat hij niet meer in de overtuiging was dat het koor van de Sint-Jan na de stadsbrand van 1419 werd herbouwd, maar dat zij ouder was. Bij die vroegere datering behoorde vanzelfsprekend ook een vroegere heerser. Voortbordurend op de gedachte dat de tijdens de bouw regerende vorst zou kunnen zijn uitgebeeld, zou volgens de nu geldende datering van de bouw van het hoogkoor tussen 1375 en 1385 de populaire hertogin Johanna van Brabant (1322-1406) kunnen zijn bedoeld. Johanna regeerde Brabant vanaf 1355 tot haar dood en was in de ruim zestig jaar van grote betekenis voor de ontwikkeling van het hertogdom. De overgebleven resten van de vrouw sluiten de uitbeelding van de hertogin niet uit, maar bevestigen deze veronderstelling ook niet. De gekroonde man naast haar zal dan niet haar eerste echtgenoot graaf Willem IV van Holland zijn, en zeker niet haar gehate tweede echtgenoot Wenceslaus I van Luxemburg, die Johanna in 1381 ontredderd en kinderloos achter liet. Gezien het blazoen met de Franse lelies kan hier haar neef Philips de Stoute (Philippe II le Hardi, 1342-1404), hertog van Bourgondië en zoon van de Franse koning Jan II de Goede, voor in aanmerking komen omdat hij grote invloed kreeg op Johanna’s bewind nadat zij weduwe was geworden. Zijn zoon Anton zou vanaf 1406 de eerste Bourgondische hertog van Brabant zijn. Het blijft dan vreemd dat de uitgebeelde figuur een koningskroon draagt. Noch de Brabantse, noch de Bourgondische hertogen werden gekroond afgebeeld en de hertogskroon die zij in hun wapen voerden had slechts een heraldische betekenis. Wellicht is de kroon een verwijzing naar Philips’ koninklijke afkomst. Op de foto’s die voorafgaand aan de restauratie van 1914 werden gemaakt, zijn enkele opmerkelijke, verder ongedocumenteerde details zichtbaar. Zo valt het op dat tussen de gebeeldhouwde blokken bij de bouw een vulstuk van tufsteen is aangebracht. Blijkbaar pasten de reliëfs niet helemaal goed bij de assemblage. Verder was het geheel, zoals ook zichtbaar bij andere wimbergen, overdekt door een kalkpleisterlaag. Een nog belangrijker detail is vooral goed zichtbaar aan het gewaad van de hertogin, waar overduidelijk stucwerkreparaties zijn te herkennen, bedoeld om verdere afkalving van de tufsteen tegen te gaan. Deze reparaties zouden al vóór de overgang in protestante handen moeten zijn aangebracht, een bewijs dat het tufstenen beeldhouwwerk in elk geval aan het begin van de zeventiende eeuw reeds aan ernstige erosie onderhevig was. Bij de restauratie van 1914 zijn beide zwikken geheel | 191 |
|
vervangen door kopieën in Franse kalksteen. Hierbij is de fragmentarisch bewaard gebleven hertogin met nauwkeurige in achtneming van de bewaarde details aangevuld. De console onder deze figuur is geheel fantasie. Het authentieke beeldhouwwerk van de toch goed geconserveerde koning, is niet bewaard in de bouwloods, evenmin als van de gave kraagsteen met engel daaronder. | 192 |
| Noten | |
| 127. | Smits 1907, 166-168. |
| 128. | Mosmans 1931, 293-295. |
| 129. | Mosmans 1935, 152. |
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 190-192
|
Recht in de aslijn der kerk zal komen de regeerende Hertog van Brabant, nl. Antonis van Bourgondië met zijn tweede echtgenoote Elisabeth van Gorlitz. Dus niet die kleine, baardeloze Fransche Prins Jan-zonder-Vrees, waarmede men deze frontaal steeds doorverfde! Die had hier weinig of niets mee te maken, al was hij een broeder van onzen Brabantschen hertog. (afb. G) | 152 |
Jan Mosmans, ''s-Hertogenbosch 1185-1935' (1935) 139-156
| 1931 |
Jan MosmansFrontalen van het priester-choor (No. 8)De St. Janskerk te 's-Hertogenbosch (1931) 293-294 |
Vincent Cleerdin, De kathedrale basiliek van Sint Jan te 's-Hertogenbosch (z.j.) plaat 3
Ronald Glaudemans, Het hoogkoor : De wimbergreliëfs (2010) 43-47
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 190-192
Ronald Glaudemans, Sint-Janskathedraal : Bouwhistorisch onderzoek 1999-2008 (2010) 110-111
C. Peeters, De Sint Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1985) 250, 280
C.F.X. Smits, De Kathedraal van 's Hertogenbosch (1907) 166-168, plaat XII