|
Zoals gezegd, deelden de straalkapellen oorspronkelijk in het strenge decoratieschema dat het koor, de omgang en de zijbeuken direct na hun voltooiing | 309 |
|
kregen: zwarte gordelbogen en ribben, rood-witblauwe manchetten bij de sluitstenen, door rode leliekronen omkranst, de reliëfs verguld. De bijzondere hangende sluitsteen in de middelste straalkapel draagt verguldsel op de kolonetten, wimbergen, pinakels en op het bladwerk onderaan rondom een rode kern, de nissen tussen de kolonnetten zijn blauw met rode biezen. Op 17 november 1896 wordt door de Rijksadviseurs voor de Monumenten aan de Minister van Binnenlandse Zaken de ontdekking bericht van de wandschilderingen in deze kapel, de St. Annakapel, oorspronkelijk de kapel van het Viskopersgilde met een altaar dat aan St. Petrus gewijd was. ‘Behalve eene zeer schoone gewelfschildering werd bij de restauratie van het inwendige dezer kapel eene reeks van schilderwerken gevonden, die een sieraad voor de kerk mogen worden genoemd; het zijn de beelden van zes Apostelen, in de xve eeuw door een onbekend meester geschilderd (juist van teekening en rijk van kleuren). Zij zijn vergezeld van de symbolische visschen der christen-oudheid en van bijschriften, die aan de eene zijde de beteekenis dier visschen verklaren en aan de andere zijde bestaan uit grafschriften van oude familiën der stad 's-Hertogenbosch’.106
Dit zijn alle gegevens van vóór de zeer ingrijpende restauratie en aanvulling der schilderingen door J. Anthony in dat jaar. Geen calque, geen oude foto. De schilderingen zijn thans aanmerkelijk verbleekt in vergelijking met de oudste foto's, die in het al genoemde plaatwerk van 1900 gereproduceerd staan.107
De apostelfiguren bevinden zich tussen de montants van de blindnistraceringen in de gesloten wandvlakken van de meest westelijke travee der straalkapel. Aan de noordzijde ziet men van links naar rechts: Simon met de zaag, Jacobus de Meerdere met pelgrimsstraf waaraan de schelp hangt en Philippus met een herkruiste kruisstaf. Daaronder zijn drie blazoenen geschilderd. Tweemaal, namelijk onder Simon en Philippus, op zilver drie rode bijenkorven, 2 en 1; helmteken een bijenkorf tussen een vlucht rood en zilver. Het moet, met het oog op de nog te noemen grafschriften, het wapen Dicbier voorstellen, maar dit toont in plaats van bijenkorven heiblokken en de vergissing moet wel op Anthony's restauratie teruggaan, zodat men zich afvraagt of er vóór 1896 (nog) wel iets van familiewapens te zien was.108 Onder Jacobus het wapen Van Vladeracken, gevierendeeld: 1 en 4 op zilver drie rode molenijzers, 2 en 3 op goud drie rode vierbladen met kelkblaadjes.109 Boven de apostelen is in elk der drie vakken een vis afgebeeld en daarboven bevindt zich een banderol met tekst in gotische minuskels. Boven de apostel Simon: ‘Jofrou Cathalijn, heer Eduard Dicbier rudder huysvrouw, overleed Assumptionis mccccxxiii’.
Boven de apostel Jacobus: ‘Jouvrou Corneliken Vladeracken huysvrouw heer Hendrick Dickbier gestorven Lichtsmisdag mccccxxvi’.
Boven de apostel Philippus tenslotte: ‘Joufrou Godelieve dochter heer Hendrick Dicbier gestorven sint Cecilien avent mccccxxxi’. De apostelen op de zuidwand zijn van links naar rechts: Paulus met boek en zwaard, Johannes met kelk, Andreas met Andrieskruis en in een buidel hangend boek. Daaronder zijn, in kleine vierkante taferelen die overeenkomen met die der wapenschilden aan de tegenoverliggende zijde, respectievelijk uitgebeeld de prediking van Paulus, de marteling van Johannes in het vat kokende olie en de roeping van Andreas (vanaf de oever spreekt Jezus hem, die zich met anderen op een vissersscheepje bevindt, toe). Meer nog dan de apostelfiguren verraden deze drie scènes geheel de hand van J. Anthony, zoals men die ook kan leren kennen uit de kruiswegstaties van de St. Jan: de middeleeuws historiserende kledij en het sentiment zijn helemaal die van de Antwerpse religieuze kunst van de 19de eeuw, en men moet zich zelfs afvragen of onder deze schilderingen wel iets authentieks schuilgaat. Boven de apostelen is in elk der drie vakken weer een vis afgebeeld, terwijl de tekst van de drie gotische opschriften in banderollen luidt:
‘Jhs die hync aent heijlch kruys dryuur alzde lef liefde u scroei by de vijer [vuur] Jhs die van vysken gebecken spyse naemt Jhs gekruist oock vys is genaemt Jhs Wyens zy met die lancy gewont ons evel mensch meekt u bloet gesont’. Hier wordt wel duidelijk, dat bij de stichting van de schilderingen naast de gedachtenis van enige overledenen ook de betekenis van de kapel als die van het gilde der vishandelaren een rol speelde met toepassing van de aloude christologische vissymboliek. De zes vissen lijken enigszins naar soort gedifferentieerd te zijn en met wat goede wil zou men van links naar rechts kunnen onderscheiden een haring, merkwaardig genoeg met een kroontje op, een baars, een brasem, een makreel, een zalm en een karper. De apostelen zijn voorgesteld als staande in een perspectivisch door schaduwen aangeduide rechthoekige nis, maar ook hier is het de vraag, in hoeverre wij met een 15de eeuwse compositie of eigen werk van Anthony te maken hebben. Het is weer dezelfde ooggetuige als bij het Kruisigingstafereel die vaststelt, dat ook hier een middeleeuwse schildering is verloren gegaan. Van Anthony, en niet van de oorspronkelijke schilder, zijn de sprekende schaduwen in de schijnnissen waarin
| 310 |
|
de apostelen staan; de sterke kleuren van hun mantels, vrijwel de gehele Jacobusfiguur (veel was er niet van over); alle wapenschilden. Op de plaats van de afbeelding van Sint Jan in de olie was een schildering ‘voorstellende een vrouw met een visch in haar hand waarschijnlijk een fragment van een veel grootere voorstelling, maar die was te onduidelijk, men heeft die maar geheel weggenomen en er dat andere tafereel voor in de plaats gesteld’.110 Ook de vissen zijn niet wat zij waren: boven Paulus was ‘een grote kabeljauw met zwart alleen op den witten muur geteekend, en niet zonder een groote mate van begaafdheid’. Ook de vissen aan de overkant waren ‘zeer, zeer mooie visschen’, ongerestaureerd van dichtbij gezien, mooie, grote kabeljauwen. ‘Wat zal dat een prachtige kapel geweest zijn met haar hooge ramen, de middelste in de krans om het hooge koor, en wat zijn nu die schilderingen weer frisch en duidelijk, maar leelijk’. In dezelfde tijd waarin elders in de kerk de schoonwerkoperatie al op gang was gekomen, kregen de straalkapellen daarentegen een nieuwe polychrome decoratie. De meest noordwestelijke kapel werd in 1903 paars uitgemonsterd en bezet met het motief van doornenkroon en spijkers, omdat daar het in 1901 verworven Lijdensaltaar kwam te staan. In het boogveld boven het deurtje naar de traptoren herinnert de geschilderde voorstelling van een handschoen en van enige veters aan de tijd dat deze kapel in dienst stond van het gilde der nestel- en handschoenmakers. In 1880 werd besloten tot een nieuwe beschildering van de Sint Joseph- en van de Heilig Hartkapel, de twee straalkapellen die respectievelijk aan de noord- en aan de zuidkant de Sint Annakapel, de middelste straalkapel, flankeren.111 Maar het schijnt nog geruime tijd geduurd te hebben vooraleer een kunstenaar daartoe aangezocht is. Het werd tenslotte Theodorus (Dorus) Antonius Bonifatius Hermsen. Geboren op 14 mei 1871 te 's-Hertogenbosch, kreeg hij een schildersopleiding aan de Koninklijke School voor Nuttige en Beeldende Kunsten aldaar, waarna hij in Den Bosch een atelier vestigde dat zich speciaal op de kerkpolychromie toelegde. In 1918 verhuisde hij naar Den Haag waar hij een kunsthandel begon. Ook boek- en tijdschriftillustraties maakte hij en van hem ook is de ietwat romantische gekleurde tekening of kleurenlitho als ontwerp voor het affiche van de tentoonstelling van oude kerkelijke kunst met opvoering van een oud mysteriespel te 's-Hertogenbosch in 1913, waarop als in een drieluik te zien is hoe meester Alart du Hamel en zijn leerling Jan Heyns in de bouwloods ontwerpen tekenen voor de Bossche Sint Jan, die men door het venster van hun werkvertrek al voltooid ziet, hoe meester Arnt van Maastricht gheelgieter de laatste hand legt aan de koperen doopvont van Sint Jan en Jeroen van Aeken die sich noempt Bosch aan een paneel met de Aanbidding der Koningen penseelt.112 Hermsen beschilderde onder meer de zijkapellen van het koor van de Sint Josephkerk te 's-Hertogenbosch, de interieurs van de Sint Willibrordkerk te Deurne (1901-1902) en in Den Haag die van de Sint Antonius en Lodewijk (in de oorlog verwoest), de Sint Joseph (gesloopt in 1975) en de kruiswegstatie in de Sint Liduina (gesloopt in 1977). Hij overleed op 26 april 1931 in Den Haag.113
In 1914 heeft Hermsen de H. Hartkapel en in 1918 de St. Josephkapel gepolychromeerd. Vensterneggen, gewelfribben en gewelfschelpen voorzag hij van bloemen en bladeren, in de blindnissen van de gesloten wandvlakken bracht hij composities aan waarin hij zich richtte naar die van de overeenkomstige wanden in de middelste straalkapel. Links zien wij een vrouwefiguur die door het opschrift als isabella austriaca, aartshertogin Isabella van Oostenrijk, geïdentificeerd wordt, naast haar St. Theresia van Avila. Onder Isabella een wapenschild: op rood St. Michael en de draak van goud; onder Theresia een wapenschild: op zilver een naar beneden waaiervormig uitlopend Maltheserkruis van zwart: in de zwarte schildvoet een zespuntige ster van zilver; gekroonde helm, helmteken, een arm uitkomende met een zwaard schuinlinks geplaatst in de hand. Om het helmteken een stralenkrans van tien gouden sterren. Op de tegenoverliggende, rechtse muur de gestalten van St. Dionysius de Kartuizer en paus Sixtus iv. Het wapen onder de eerste: op goud drie groene roodgetongde leeuwen, 2 en 1, dat onder de tweede: op blauw een zilveren kruis; boven het schild de pauselijke tiara, achter het schild twee gekruiste sleutels met de baarden naar boven; de schuinrechts geplaatste is van goud; de schuinlinkse geplaatste van zilver.114 Het is niet duidelijk wat deze vorstin, prelaat en twee heiligen te zamen betekenen. Dionysius de Kartuizer (1402-1471), prior van de Kartuize in Roermond, werkte mede aan de stichting van een Kartuizerklooster in Vught (in 1473 was het er definitief als St. Sophiaklooster gevestigd, tot 1591, wanneer het verplaatst wordt naar de Refugie in de St. Jorisstraat, welk gebouw door de monniken in 1615 verkocht wordt, waarna zij naar Antwerpen vertrekken). Op dezelfde manier zou Theresia in verband gebracht kunnen worden met de stichting van een Carmelitessenklooster in Den Bosch in 1622; hun komst werd door Isabella van Oostenrijk bevorderd. In 1872 werd opnieuw een Carmelitessenklooster in Den Bosch gevestigd. Is de plaats van Isabella aldus verklaarbaar, wat Sixtus iv (paus van 1471 tot 1484) hier doet, is onduidelijk; hoogstens kan men zeggen, dat onder zijn (niet zeer hoogstaand) pontificaat de stichting van het Vughter Kartuizerklooster plaats vindt. Ook is hij
| 311 |
|
degene die in 1476 het feest van Maria Onbevlekt Ontvangen (8 december) invoert. Wellicht is de voorstelling nader te verklaren wanneer de familiewapens thuisgebracht zijn. De schildering van Dorus Hermsen in de H. Hartkapel heeft een compositie overeenkomstig die in de St. Josephkapel en richt zich nu in het bijzonder naar de zuidwand van de middelste straalkapel zoals die er sinds de herstellingen en aanvullingen door J. Anthony uitzag. Het werk werd in 1914 voltooid en uitgevoerd in wat Mosmans noemt een ‘for ever procédé’.115 Links twee vrouwegestalten: de Samaritaanse vrouw, met een waterkruik in haar hand, boven het hoofd als MULIER SAMARITANA omschreven, rechts Maria Magdalena met balsemvaas, eveneens met haar naam boven het hoofd. In gotisch schrift staat boven de Samaritaanse, in een golvend spreuklint binnen een rechthoekig kader: Domine video quia Propheta es tu (Joh. 4, 19), en insgelijks boven Maria Magdalena: Remittuntur et peccata multa quoniam dilexit multum (Lucas 7, 47). In het rechthoekige compartiment onder de Samaritaanse is de Goede Herder voorgesteld (Luc. 15, 1-7), onder Maria Magdalena de vrouw die de verloren drachme terugvindt (Luc. 15, 8-9). Op de tegenoverliggende muur zien wij de geketende en voor een kruis staande gedaante van de Goede Moordenaar, bonus latro, zoals het opschrift luidt, en rechts naast hem zachevs, de rouwmoedige tollenaar. In het kronkelend spreuklint boven de moordenaar: Hodie mecum eris in paradiso (Luc. 23, 43), boven Zacheus: Hodie salus domini huic facta est (Luc. 19, 9). Onder de figuren weer taferelen: links de terugkeer van de Verloren Zoon (Luc. 15, 11-32), ernaast rechts de Barmhartige Samaritaan (Luc. 10, 30-37). Alle voorstellingen hebben betrekking op de goddelijke liefde en barmhartigheid zoals ze juist in de cultus van het H. Hart, waaraan de kapel gewijd is, gememoreerd worden.
Zoals al bij de meeste hiervoor genoemde schilderingen opgemerkt moest worden, is ook ten aanzien van de St. Joseph- en van de H. Hartkapel niets vastgelegd, gedocumenteerd of gefotografeerd van eventueel aanwezige resten van beschildering vóór het nieuwe werk werd uitgevoerd. Het is ook absoluut onbekend of zich eronder nog zulke resten bevinden, of ze verwijderd zijn of er allang niet meer waren.
Wel werd in de St. Aloysiuskapel, de tweede straalkapel geteld uit het noordwesten, de rest van een schildering waargenomen voorstellende de Heilige Maagd met het Kind, zich bevindende in de linkerbovenhoek van het wandvlak onder de afzaat van de blindnis in de westmuur der kapel. Zij is enigszins te onderscheiden op een ongedateerde fotoafdruk van de fotograaf Verhees, die J. Mosmans in december 1923 van hem kocht maar die decennia ouder moet zijn.116 De schildering zou door beschadigde opschriften omgeven zijn en in 1908 zijn verdwenen,117 maar dit laatste is niet helemaal waar, want een fragment, een rechthoekige partij met de hoofden van Maria en het Kind en hun aureolen, is uit de muur gekapt en overgebracht naar het Museum van het Provinciaal Genootschap en van dat fragment bewaart de Bouwloods van Sint Jan een foto.118 In de Kapel van de Heilige Kerk, het voormalige Catharinakoor, werden in 1911 de resten van een wandversiering aangetroffen, bestaande uit een ornamentale herhaling van het werktuig van Catharina's marteling, een dubbel rad, precies zo weergegeven als op de gewelfschildering van het hoogkoor.
| 312 |
| Noten | |
| 106. | ARA, Dep. Binnenl. Zaken; NDB, Cuypers' brievenboeken. |
| 107. | Zie noot 103. |
| 108. | Smits 1907, 200-201; Bloys van Treslong Prins I, 1924, 277-278; Smits 1912, 327; Mosmans 1931, 333, 321 en 388. |
| 109. | Behalve het in vorige noot genoemde nog: Van Sasse van Ysselt (zie noot 104), 58-59. |
| 110. | Zie noot 105. |
| 111. | Notulen kerkbestuur, 6 april 1880. In 1876 was de St. Josephkapel al door J.A. Goossens 'in Waterverfkleuren' beschilderd, in 1878 de H. Hartkapel door dezelfde 'in lijmverf' (Rekeningen over die jaren). |
| 112. | Exemplaren in GA en in de bouwloodsen. Afgebeeld in Ach Lieve Tijd, afl. 4, 97. |
| 113. | 'In Memoriam' door E.J.H.[aslinghuis] in Het Gildeboek 14 (1931), 93-94; A. Dijkmans S.J., Christelijke decoratieve kunst en de muurschilderingen van Theodorus Hermsen in de r.k. Kerk te Deurne, Nijmegen 1903, met loftuitingen die wel erg overdreven zijn volgens G. Brom, Herleving van de kerkelike kunst in katholiek Nederland, Leiden 1933, 388; Scheen I, 1969, 468; Henk de Laat, 'Kerkelijke en religieuze schilderkunst', in de Catalogus Naar gothieken kunstzin, 79. |
| 114. | Bloys van Treslong Prins (zie noot 108), 278, waar Sixtus IV per ongeluk IX genoemd wordt, wellicht door verwarring met paus Pius ix die in een gebrandschilderd glas in dezelfde kapel is voorgesteld. |
| 115. | Mosmans 1931, 536. |
| 116. | Foto Verhees in de nalatenschap Mosmans ga, doos 45: foto waarop de twee noordelijke straalkapellen zichtbaar zijn, de linkse nog met het Passieretabel. |
| 117. | Smits 1980, 17. |
| 118. | Catalogus Museum Provinciaal Genootschap 1926, 10, nr. 7589, anonieme foto zonder negatief in de Bouwloodsen van Sint Jan, inv. nr. 2. 41. 139. |
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 309-312
H. Beex, Gids voor de Sint Jan (z.j.) 11
Paul le Blanc, Kerk in kleur (2002) 65-67
John Damen, Gids voor de Sint-Jan (1982) 60 (afb.), 61
Jan Mosmans, De St Janskerk te 's-Hertogenbosch (1931) 321 (afb. 219)
C. Peeters, De restauratie van de Sint Jan 2 (1985) 322 (afb. 325, 326)
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 309-312
J.J.M. van Susante (voorwoord), Sprekende stilte (1958) 65, 79-80
Voorloopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst (1931) 178
T.H. Ytsma, De St. Janskerk te 's Hertogenbosch (1900) plaat 20