|
De ontpleistering in 1888 maakte halt in de triforiumzone; daarboven bleef een hoeveelheid lagen van witkalk en later van lichtgeel in stand, kleur was er niet aanwezig.124 Zoals in het noordtransept en het hoogkoor neemt het rood van de ribben, gordel- en schildbogen kort (1,80 m) onder hun aanzet een aanvang. De schildbogen hebben in top een manchet met een zwart- | 314 |
|
op-wit kepermotief, beëindigd door witte banden met zwarte contouren en begeleid door een witte, zwarte en gele band in de bovenste profielen. Datzelfde motief bevindt zich ook als manchetten bij alle sluitstenen (in plaats van zwart rood op de platte kant van de peerkraal), maar in een latere fase is daar wit overheen geschilderd met een blauwe band als onderbreking. Zulke manchetten, wit-blauw-wit tussen zwarte buitencontouren, waren ook aanwezig juist onder de uitwaaiering van de profielenbundel tot gordelbogen en ribben. Bij de restauratie is voor het oudste patroon gekozen. Op de gewelfvelden had de oudste beschildering slechts weinig sporen achtergelaten, slechts enkele ranken en bladeren zijn zichtbaar geworden en zij zijn min of meer het uitgangspunt geweest voor de beschildering in de 19de eeuw: ranken met bladeren in kopergroen, bloemen gelijkend op distelbloei en distelbloem in gele oker, zwart, lichtgeel, omber, alles in zwarte contouren gezet. In twee gewelfvelden van de meest zuidelijke travee staat in warmgrijs geschilderd: E.L.B. 1868, in zwarte contourverf bovendien eenmaal de naam J.C. Dickmans zonder jaartal. E.L.B. zullen de initialen van een schilder(sknecht) zijn, maar merkwaardig is, dat de kerkrekeningen over 1868 geen grote schilderswerkzaamheden vermelden en dat de decoratie van Dickmans in de overige hoge ruimten uit 1839-1840 dagtekent en in de noordtravee van het zuidtransept het jaartal 1840 draagt. Hoe dan ook, het resultaat van de restauratie in 1979 (zuidelijkste travee) en 1982 (beide andere traveeën) laat thans een vermenging zien van twee perioden: het rode ribbennet overeenkomstig de uitmonstering kort na de bouwtijd der gewelven, vermoedelijk omstreeks 1520, en de distelvegetatie op de velden overeenkomstig de 19de-eeuwse decoratie, die toen echter samenging met een hernieuwde okergele ribbenbeschildering. Dat er van de oorspronkelijke versiering op de velden zo weinig over was, moet samenhangen met de schade, die de gewelven bij de torenbrand van 1584 opgelopen hebben: niet het hele gewelf is ingestort, maar de kalklagen kunnen door de hitte verzand en afgevallen zijn. In 1609 werd het herstelde gewelf gewit opgeleverd; de ribben zijn dan echter ongetwijfeld in het bezit van hun rood gebleven.
| 315 |
| Noten | |
| 124. | Rapport J. Schuurmans, zie noot 120; tevens zijn rapport over de Restauratiewerken aan de derde (zuidelijkste) travee, 17 februari 1978. |
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 314-315
Paul le Blanc, Kerk in kleur (2002) 91
Jan van Oudheusden, De Sint Jan van 's-Hertogenbosch (1985) 28
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 314-315