|
De vieringpijlers zijn blank behoudens een verticaal langwerpig zwart vlak als achtergrond van het gedraaide baldakijn tegen de noordoostelijke pijler. De ruggen van de vieringbogen zijn grijs-zwart geschilderd, in de hollijsten bevinden zich rood-geschilderde gebeeldhouwde rozetten. De kraagstenen die de evangelistensymbolen dragen zijn polychroom behandeld: groene bladeren met gebroken witte druiventrossen, rode bloembladeren met wit hart, een okergele golflijn op de stijltjes van het bouwseltje daarboven, kopergroen de rotsblokken daarboven die de symbolen tot voetstuk dienen.138 De vleugels van de vier wezens zijn bontgekleurd, de dieren oorspronkelijk meer heraldisch dan natuurgetrouw van kleur; het rund bont rood-groen-wit-oker, de adelaar oker, de leeuw roodbruin, in de recente fase zijn zij met een vette emulsieverf naturalistisch gekleurd, de gevleugelde mens werd ook daarmee behandeld en kreeg in plaats van een blauw een rood kleed. Blijkens het jaartal op drie der banderollen die de wezens vasthouden, is die tweede beschildering in 1839 uitgevoerd. De vleugels werden toen wit met grijze contouren. In de zone tussen deze vier beeldhouwwerken in de hoeken van de vieringtoren, en de gaanderij, hebben de wand, de traceringen en de reeks kraagstenen in de gedaante van manskoppen hun oorspronkelijke polychromie onder latere witkalk geheel behouden;139 de wanden helderwit (een blanke sauslaag, later tot driemaal toe met steeds grijzere sauslagen overdekt), de traceringen geel, de gezichten lichtrose, de oogballen geprononceerd wit met zwarte pupillen, het krulhaar zwart en bruin, dikke rode lippen, verder kleurige kragen en hoofddeksels, alles niet erg verfijnd en nogal burlesk, wat ook geldt voor de veelkleurige hoekfiguurtjes van aap, uil en vechtersbazen. Opmerkelijk is de proeve van geschilderde wandtracering op het vlak onder de balustrade van de gaanderij, aansluitend bij de gedrukte rondbogen met toten waarachter zich de dragende troggewelfjes bevinden: een hogel, een driepas en een visblaasmotief zijn daar in geel op het witte pleisterwerk getekend, maar niet tot een volledig patroon voortgezet. De uit 1901-1905 daterende balustrade en al het vandaarachter tot het plafond opgaande en in diezelfde jaren schoongebikte muur- en traceerwerk zijn in 1976-1977 opnieuw respectievelijk geel en wit geschilderd, het bladwerk van de kraagstenen kopergroen. Het omlijste vierkante middenvak in het strucplafond is in 1822 beschilderd met het thema van het Alziend Oog Gods, een menselijk oog in een gelijkzijdige driehoek, van waaruit goudgele
| 320 |
|
lichtbundels uitstralen. Tweemaal is deze schildering al in de vorige eeuw bijgewerkt, eerst in 1839 en nogmaals in 1898 zoals blijkt uit een signatuur en datum: J. Brilmans, 29 juni 1898. In 1839 volgde tevens de beschildering van de koof met een ranken-, bladeren- en bloemenbeschildering, met tamelijk ruige bruin-met-gele bloemen. Dit hele decor werd in 1899 overschilderd met heel andere cirkelende ranken en grote exotische rode bloemen die meer het model van de koorgewelfschilderingen uit 1839 volgden. Op de kooflijst staan, behalve de naam van een leidekker, de namen geschreven van W. van Roij met de datum 6 september 1822 (westzijde) en van A. Brilmans met de datum 1 december 1899. Het zijn wellicht de namen van een stucadoor uit de tijd van de constructie van het plafond en van de schilder die de nieuwe bloemendecoratie aanbracht. Dit laatste werk is bij de restauratie van 1976 wegens zijn slechte staat geheel verwijderd en de oudere beschildering die daaronder te voorschijn kwam, hersteld. De laatste toevoegingen aan de schildering van het Alziend Oog, uiterst onhandig van stijl en uitvoering, werden ook verwijderd. | 321 |
| Noten | |
| 138. | J. Schuurmans, Rapport over het schoonmaken en kleuronderzoek op en bij de vier Evangelisten, typoscript 26 januari 1977 in de Bouwloodsen. |
| 139. | Rapport van H.H.J. Kurvers over de schilderingen en afwerklagen na bezoek van 26 maart 1976 (Rijksdienst voor de Monumentenzorg); Rapport D. Schoonekamp onderzoek kleurlagen koepel, 9 juni 1976 (uitgevoerd door Pieter de Ruyter) in de Bouwloodsen. |
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 320-321
Jan van Oudheusden, De Sint Jan van 's-Hertogenbosch (1985) 52
C. Peeters, De restauratie van de Sint Jan (1982) 12
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 320-321
Frans van Valderen, De kathedrale basiliek van St. Jan te 's Hertogenbosch (1949) 50