|
De straalkapellen hebben tussen 1870 en 1914 een neogotische decoratie gekregen; in hun gewelven schemert daar nog iets van de middeleeuwse beschildering doorheen. De kooromgang en de koorzijbeuken zijn wat het opgaand werk betreft, tussen 1922 en 1926 van kleur- en witsellagen ontdaan met sparing van de al genoemde en nog nader te beschrijven figurale muurschilderingen en een fragment van een tapijtschildering in zwart en goud in de buitenste noordelijke zijbeuk. Daar zijn ook karige resten van de gewelf- en ribbeschildering gespaard gebleven, evenals in de zuidelijke koorzijbeuken. Na het onderzoek en de aanvang van de restauratie van de gewelfschilderingen in het hoogkoor sinds juli 1982 kon een vrij volledig beeld gevormd worden van het oorspronkelijke decoratiesysteem zoals dat onmiddellijk of spoedig gevolgd moet zijn op de bouw van respectievelijk kapellenkrans, omgang, zijbeuken en vervolgens op de voltooiing van de gewelven van het hoogkoor, die blijkens de steenhouwersmerken ineens geslagen zijn. Het interieur is, zoals in de gotiek gebruikelijk, eerst witgekalkt, zowel pijlers en wandvlakken als gewelfschelpen. Op deze dunne kalkpleisterlaag heeft het opgaand werk, zowel pijlerprofielen, schalken als wandvlakken met hun traceringen, een bijna wit lichtgeel gekregen zonder enige kleurige ornamentering. Maar over de ribben, gordel-, muraal- en scheibogen, zowel in de lage ruimten als in de hoge (behalve in de koorscheibogen), is terstond op het witsel een zwart gekleurde kalklaag gelegd om de architectonische krachtlijnen te versterken. Zij vinden plotseling, ongeveer 5,50 m onder de geboorte der hoge koorgewelven, zonder manchet of afgrenzende horizontale kleurlijn, hun aanvang op de rechtopgaande profielen. In de zijbeuken en omgang begint het zwart meteen boven de baldakijnen die aan de pijlers gehecht zijn. Het is overal afgezet met mee opgaande rode contourlijnen. Het zwarte netwerk hangt als het ware in de ruimte, terwijl men eerder zou verwachten dat het zijn visuele steunpunt al vanaf de pijlerbasementen zou vinden, die hoogstwaarschijnlijk oorspronkelijk ook zwart waren. Zwart met een rode contourlijn is wel aangetroffen op de pijlers tussen beide noordelijke koorzijbeuken meteen naast de afsluithekken van de Sacramentskapel die daar tot 1978 stonden; ook de pijlerbasementen daar vertoonden sporen van zwart. De muraalbogen om de hoge koorvensters zijn gebroken wit, de schildbogen daaromheen zwart met een Engelse rode bies langs het gewelf en in de top onderbroken door een witte manchet van ongeveer 40 cm naar beide kanten. Met het zwart contrasteert het verguldsel van de figurale
| 302 |
|
sluitstenen, met karnaat voor gezichten, handen en voeten. Rond de sluitstenen is een kleine rode leliekroon geschilderd en langs de ribben in het hoogkoor bovendien een rode kam van omgekeerde spitsboogjes. Voor deze composities zijn in het verse pleisterwerk hulplijnen ingedrukt, de leliekronen zijn vermoedelijk met sjablonen van klein formaat gemaakt, die als een legkaart aan elkaar gepast moesten worden. In de omgang en zijbeuken zijn de gewelfribben daar waar zij de sluitsteen aanvatten en met een profiel omringen, van manchetten voorzien in rood, met blauwe bies, roodwit geblokt op het peerkraalprofiel met verguldsel op de kanten. Ook in het hoogkoor zijn manchetten aanwezig, eveneens in rood, met blauwe biezen in de hollijsten en roodwit geblokte kraal- en peerkraalprofielen. Het koorinterieur heeft in zijn eerste uitmonstering dus een grote mate van blankheid bezeten, in de gewelven niet minder dan in het opgaand werk. Dit systeem is in de oudste oostelijke zijbeuktraveeën van het schip voortgezet en pas bij een volgende bouwfase (nieuwe Lieve Vrouwe Broederschapskapel, transeptgewelven, hoogschip en rest van de zijbeuken) in de steek gelaten voor een ander patroon.
De kleurstelling van het transept heeft ook zijn invloed gehad op het hoogkoor, dat nog geen eeuw na zijn voltooiing een nieuwe beschildering kreeg. Anderhalve meter onder de aanzet van de gewelven, dus hogerop dan de zwarte beschildering, begint een Engels rode laag op de schalkenbundels die overgaan in de gordelbogen en gewelfribben. Ook dit rood begint abrupt. Het verguldsel van de sluitstenen werd toen door polychromie geheel overdekt: rode achtergrond, rode, groene, blauwe en gele gewaden. Het lager dan het rood reikende zwart op de opgaande profielen werd wit overdekt, zodat ook het rode netwerk dus een zwevend geheel werd; ook bij deze uitmonstering blijven pijlers, wandvlakken, scheibogen geheel wit. De enige kleur in de wand is de groene beschildering van de gebeeldhouwde bladornamenten in de hollijsten horizontaal boven en onder het triforium. In hoeverre de kooromgang en de zijbeuken deel hadden in deze vernieuwing, is de vraag (wegens de radicale ontpleisteringen), maar rood zullen de ribben en gordelbogen zeker nooit geweest zijn omdat zij het ook in de schipzijbeuken niet zijn. Wel werden in de buitenste noordelijke koorzijbeuk op de gewelfvelden resten van een ornamentatie van bladwerk in schemertoestand aangetroffen uit een latere periode dan de rode leliekronen en wellicht te vereenzelvigen met het werk dat daar door meester Willem Vlammen in 1522 werd uitgevoerd. Bij de restauratie in 1978 is in deze beuk het stelsel van ribben en gordelbogen eerst roodgeschilderd, maar vijf jaar later zwart zoals ook in de overige koorzijbeuken en -omgang in 1982-1983 de overeenkomstige onderdelen in de oorspronkelijke zwarte kleur werden beschilderd. De hoge koorgewelven kregen, in dezelfde campagne waarin de ribben en gordelbogen roodgeschilderd werden, een ornamentatie van krullende bladranken en stengels met bloemen en bloemknoppen tussen welke een groot aantal grote wervelende menselijke figuren afzonderlijk en in groepen in een samenhangende compositie geschilderd zijn, waartoe de engelen behoren die Hezenmans in 1866 vermeldt als bedekt door een kalklaag.
Het blijkt dat de iconografie van dit nieuwe ensemble onverbrekelijk samenhangt met die van de oudere gebeeldhouwde sluitstenen en dat zij te zamen als de uitbeelding van de Wederkomst des Heren gezien moeten worden. Van een Laatste Oordeel kan hier niet gesproken worden, want de verrijzenis der mensheid, uitverkiezing en verdoemenis zijn niet uitgebeeld.78 De compositie ontwikkelt zich als volgt.
De meest oostelijke sluitsteen toont Christus in zijn wederkomst: het zwaard der rechtvaardigheid en de lelie der barmhartigheid worden door engelen aan zijn mond gehouden. Om hem heen bevindt zich in een halve kring zijn hemels gevolg van engelen, geschilderd in de schelpen van het straalgewelf van de absis. In het middelste segment een tweetal engelen met in aanbidding geheven handen, dan aan elke zijde tweemaal een tweetal engelen blazend op bazuinen, waaraan een heraldisch versierde vaan hangt en een engel die een luit bespeelt. Opgeteld zijn hier tien bazuinen aanwezig en uitgebeeld niet de vier die in de windrichtingen het Laatste Oordeel aankondigen, maar de vele die met triomfgeschal Christus' Koningschap bejubelen.
In het westelijke compartiment van het absisgewelf wordt de sluitsteen met de wederkomende Heer vergezeld door twee drommen heiligen, vrouwelijke aan de noord- en mannelijke aan de zuidkant. Te onderscheiden zijn bij de gekroonde en van nimben voorziene heilige maagden, Catharina met een dubbel rad, Barbara met de toren, Margaretha (?) met een boek, achter haar Agatha met een tang waaraan een afgeknepen borst. De groep mannelijke heiligen, eveneens met nimben om het hoofd, wordt aangevoerd door Johannes de Doper met het lam, Johannes Evangelist met de kelk en een heilige met krullende baard en hoofdhaar met grote tonsuur, gevouwen handen, zonder attribuut, die waarschijnlijk de apostel Petrus voorstelt.
Beide groepen zitten in wolken geknield.
De sluitsteen in de volgende travee heeft als thema de heilige Maagd, in de hemel gekroond en door haar zoon met een acclamatiegebaar in haar waardigheid bezegeld, achter, tussen beiden in, een engel. Merkwaardig genoeg wordt dit onderwerp in de gewelfschildering min of meer herhaald.
| 303 |
|
Rechts (zuidelijk) troont God de Vader, de tiara op het hoofd, waarachter een kruisnimbe. Hij is uitgerust met kruisstaf en globe en maakt een zegenend gebaar. Een engel met in aanbidding gevouwen handen begeleidt hem. Centraal in het gewelfveld zweeft met wijdgestrekte vleugels de duif van de heilige Geest in een krans van ver uitschietende stralen, links (noordelijk) knielt met gevouwen handen de heilige Maagd, een forse kroon op het hoofd waarachter een nimbe. Zij wordt door drie engelen begeleid van wie twee de slippen van haar mantel dragen, één in duikvlucht haar nimbe met de handen raakt. Deze ceremonie wordt in de overige gewelfvelden van dezelfde travee vergezeld door twee engelen die de bazuin blazen, waaraan weer vanen met vage sporen van heraldiek hangen, drie luitspelende engelen en een die de harp bedient.
De drie volgende traveeën zetten het tafereel van goddelijke triomf en lofprijzing voort in één samenhangende reeks voorstellingen waarin de drie sluitstenen (respectievelijk met de twee Johannessen, de twee apostelvorsten en de twee Jacobussen) Christus' gevolg bij zijn Wederkomst vertegenwoordigen: de Doper en de Evangelist als bemiddelaars voor de zondige mensheid. Een engelenschaar verricht de hemelse lofprijzing: een blaast op een bazuin, vijf zwaaien wierookvaten ten teken van het opdragen van de gebeden der mensheid aan God, drie strekken hun handen in aanbidding en wellicht als begeleiding van hun eigen lofzang, de eigenlijke, hoogste jubilus, zonder instrument (hun gezichten echter vaag, monden niet goed meer zichtbaar) en elf tonen lijdenswerktuigen van Christus als de insigniën van zijn Wederkomst en Rechterschap, als tropeeën van lijden en verlossing: de hellebaard uit de hof van Olijven, de geselkolom, de doornenkroon, de geselroede, het kruis, de zweetdoek, drie nagelen, de rietstok met spons, het azijnvat, de lans (waaraan een vaan met kruisteken), het opperkleed en de dobbelstenen, de ladder, een zalfpot.
Op vier plaatsen zijn de sporen van de engelenfiguren uiterst vaag; wat hun attributen waren, is niet meer te zien, het kunnen nog andere van de talrijke in de 15de eeuw gangbare arma Christi geweest zijn (zoals de buidel met de dertig zilverlingen, de lijdenskelk, de lantaarn uit de hof van Olijven, zwaard en oor, Pilatus' schenkkan en bekken, de haan, hamer, boor, nijptang, de INRI-titulus).79
Van de vleugels der engelen is compositorisch dankbaar gebruik gemaakt, breed buigen zij uit met priemende uiteinden, de bovenranden geschubd en voorzien van donkere bollen die wellicht een herinnering zijn aan de pauwenogen op de vleugels der opperste drie engelenkoren, serafijnen, cherubijnen en tronen, ogen die nooit luiken en duiden op het sine fine van hun lofzang. Overigens nemen deze Bossche engelen niet meer de oude hiërarchie in acht en zijn geen vertegenwoordigers meer van de negen engelenkoren van de Pseudo-Dionysius, zo min als dat elders in de 15de eeuwse kunst het geval is.80 Wel is hier ongetwijfeld, boven de koorbanken der kanunniken het zingen en musiceren der engelen oorspronkelijk gezien als begeleiding van het koorgebed van het kapittel, als aanduiding ‘hoe wij met de negen koren der engelen opgaan in het geestelijk leven’ zoals Jan van Ruusbroec (1293-1381) het zingen van godslof in het klooster beschrijft.81 De musica coelestis begeleidt de musica humana, de hemelse lofprijzing de aardse liturgische zang.
De engelen zijn zonder onderscheid gekleed in een lange albe met wijde mouwen, een gewaad dat breed en in hoekige plooien over hun voeten valt. Het is niet door een cingel omgord, maar wel hangt er een stola schuin over een schouder of over beide schouders en voor de borst gekruist (onderscheidenlijk als bij de acoliet en de diaken) omheen, bij het middel door een losse knoop gebonden en als een lang kreukelig lint in het rond fladderend. De ovale gezichten worden door weelderige dichte krullen en lokken omgeven, sommigen dragen een amict om de hals en sommigen een diadeem met kruis op het hoofd. De wierookvaten bestaan uit een polygonale vuurschaal op voet en een deksel met een architectonische gedaante door geveltoppen rond een torenspits, al of niet in een peervorm eindigend. De schaal hangt aan twee kettingen, die met een derde ketting aan de dekseltop samenkomen in een ring die door de engel als handvat gebruikt wordt; de zwaaiende kettingen hebben dezelfde hoekige en verstrengelde contouren als de stola's. Dit wierookvattype is het in de 15de en begin van de 16de eeuw gebruikelijke.82 Ook het type van de bazuin, eigenlijk een trompet (buccina, buisine, Busine), is in die tijd gewoon: de rechte buis van één kogel voorzien, loopt recht uit in de konische klankbeker. De luit heeft de amandelvorm die in de 15de eeuw gewoon is, met één rond klankgat in het vlakke klankbord en een haaks op de hals staand schroevenstuk. Het doet wat armelijk aan, dat bij zo veel plaats en zo veel engelen zo weinig verschillende muziekinstrumenten zijn uitgebeeld, geen vedels, geen psalter, geen blokfluit.83
Het plantaardig ornament bestaat uit kronkelende gegolfde bladranken, lange gebogen stengels met spitse bloemknoppen, die enigszins aan die van de egelantier doen denken. Maar zij zijn alles behalve naturalistisch uitgewerkt en decoratief voorzien van meeldraden die het voorkomen hebben van een varenveer of van een kurketrekkervormige hechtrank.
De gewelfschildering als geheel heeft door de verwering en verbleking het karakter van een
| 304 |
|
tekening gekregen, waarin de zwarte contouren van de vegetatie, haarkrullen en plooienval, overheersen op een geelbruine tonaliteit. De locale kleuren, karnaat voor gezichten en handen, geel voor vleugels en engelengewaden, blauw, rood, groen en geel voor de gewaden van God de Vader, de heilige Maagd en de heiligengroepen, zijn even ver verbleekt als die van bloemen en bladeren. Bij de restauratie is het fond weer witgemaakt, de zwarte contouren zijn versterkt en overal daar aangevuld waar naar de vorm van het ontbrekende door analogieën met enige grond van waarschijnlijkheid gegist kon worden. In feite is het resultaat, in 1983 behaald, een mengsel van de eerste en de tweede decoratie: van de eerste zijn de centrale partijen hersteld: verguldsel van de sluitstenen, manchetbeschildering en leliekronen rondom. Stilistisch is de figuratie niet direct met gewelfschilderingen elders vergelijkbaar, maar iconografisch zijn er wel verwantschappen. Het koorgewelf van de St. Maartenskerk te Zaltbommel laat ook een samenspel van de figuratie der gebeeldhouwde sluitstenen en schilderingen op de gewelfschelpen zien.84 Op de sluitsteen in het straalgewelf is de wederkomende Christus voorgesteld, met uitgestrekte armen, met doornenkroon en wondetekenen, gekleed in chiton en rode mantel, zittend op de regenboog. Geschilderd zijn engelen met wierookvaten, met de lijdenswerktuigen, met een luit; andere muzikanten zijn merkwaardig genoeg geen engelen, maar profane figuurtjes, terwijl de samenhang van het programma verder ondermijnd wordt door de aanwezigheid van groteske figuren, meerminnen, een pelicaan, een phoenix en een kraanvogel. Twee trompet- of bazuinblazers hebben een vaan aan hun instrument hangen, waarop als heraldisch embleem een dubbele arend, uitgelegd als verwijzing naar het Romeinse Rijk en naar keizer Augustus, uiteindelijk verantwoordelijk voor de dood van Christus. De vanen aan de bazuinen van twee engelen in de Bossche gewelfschilderingen lijken echter niet voor een dergelijke verklaring vatbaar, en ook niet de standaard van Christus en Maria te zijn.85 De figuratie in Zaltbommel is in de loop van de 15de eeuw ontstaan, nadat er eerder, net als in Den Bosch, slechts een decoratie met leliën langs de ribmanchetten, uit ± 1400, was geweest. Nog wat onevenwichtiger of volkser zijn de engelen met bazuinen en arma Christi, geschilderd op het koorgewelf van de St. Martinuskerk in Weert. Een deel van hen is als putti opgevat, naakt maar wel met kruisdiadeem en stola schuin over de borst, sommigen dragen korte rokjes, maar de engel die de geselkolom draagt, is in wijd gedrapeerde albe met stola, en een engel met wierookvat draagt zelfs een dalmatiek. Twee putti houden windmolentjes, een voorstelling die ook op het schipgewelf van de Sint Jan voorkomt. In Zaltbommel vormt de voorstelling op het gewelf de eerste episode van de Jongste Dag, het Laatste Oordeel is als tweede op de opgaande zuidmuur van het koor afgebeeld. In Den Bosch is alleen sprake van Christus' verschijning met grote macht en majesteit, temidden van bazuinende engelen en uitverkorenen (Mattheus 24: 30-31; 25: 31; 26: 64) en daarmee verbonden de Kroning van Maria, de bruid die de hemelse bruidegom op de Jongste Dag binnenhaalt en die deelt in zijn koninklijke staat (Openbaring, 12: 1 en 19: 7-8) door de engelen uitgedrukt.86 Slechts een beperkt aantal elementen van de gangbare laat-middeleeuwse uitbeelding van het Laatste Oordeel is dus opgenomen, in tegenstelling tot wat op de monumentale panelen gebruikelijk is.87 Zulke beperkingen, afkortingen, vindt men ook op de koorgewelfschilderingen van de kerken van Kerkdriel en Hattem, respectievelijk uit het midden van de 15de eeuw en uit 1504. Maar in het algemeen is in de Noordnederlandse kerken, zowel in het Westen als in het Oosten, in de 15de eeuw het thema van het Laatste Oordeel voluit op de koorgewelven geschilderd, met de opstanding, uitverkiezing en verdoemenis, alle apostelen, bazuinende engelen, soms zelfs een kakofonisch tegengeluid uit de bazuinen der duivelen, meestal engelen met de arma Christi, wierokende engelen. Het Laatste Oordeel komt voor in het koor van de middeleeuwse kerken van Noordbroek, Borne, Zutphen (± 1495), Winterswijk, Hall, Harderwijk (zeer laat: 1561, met veel andere thema's), Naarden (1518), Enkhuizen (St. Pancras, 1484), Alkmaar (1519), Warmenhuizen en zal nog meer kerken gesierd hebben.88
Een nauwkeurige datering van de Bossche schildering is niet te geven, in alle opzichten van stijl en iconografie (ook de vorm van de muziekinstrumenten) schijnt zij 15de eeuws of uiterlijk uit de eerste jaren van de 16de eeuw. Het is niet onmogelijk, dat zowel deze versiering als die op de gewelven van het noordtransept, in stijl eraan verwant, gereed kwamen vóór de opening van de vergadering van het Gulden Vlieskapittel in 1481. In elk geval is er een relatie tussen deze schildering en de Bourgondische hertog, souverein van de orde van het Gulden Vlies. Op de twee bazuinvaandels in het straalgewelf zijn de sporen van heraldiek in kleur en tekening duidelijker dan op de twee in het volgende vak. De rijksarchivaris in Noord-Brabant, Dr. L.P.L. Pirenne, is erin geslaagd het ene van beide eerstgenoemde te herkennen als het wapen van hertog Philips de Goede van Bourgondië zoals hij dat vóór 1430 voerde. De kwartieren 1 en 4 vertonen het wapen van het Franse koningshuis waarvan hij afstamde, met Franse lelies of fleurs-de-lis, de kwartieren 2 en 3 het wapen van Bourgondië; het hartschild is het wapen van het graafschap Vlaanderen.
| 305 |
|
Het andere bazuinvaandel in de koorsluiting is eveneens gevierendeeld en laat in het eerste kwartier vaag de lijnen van een (zilveren) balk op een (rood) veld zien, zoals dat deel uitmaakt van het wapen van Philips de Schone. In het vierde kwartier zijn sporen van een leeuw die dan het wapen van Brabant zou zijn. De kwartieren 2 en 3 zijn te ver verbleekt om nog vast te kunnen stellen of zij de wapens van Bourgondië nieuw en oud zouden kunnen zijn en ook staat niet vast of er een hartschild met de Vlaamse leeuw is geweest. Het eerste kwartier is het wapen van Habsburg en verwijst naar de vader van Philips de Schone, keizer Maximiliaan van Oostenrijk, na de dood van zijn vrouw Maria van Bourgondië in 1482 regent totdat Philips in 1494 in haar rechten trad. De rijksarchivaris acht het mogelijk, dat de twee andere, geheel verbleekte vaandels haar wapen bevat hebben en dat van Karel de Stoute, en besluit dat al deze gegevens naar een datering in het eind van de 15de eeuw wijzen. Philips de Goede stichtte op 10 januari 1430 de orde van het Gulden Vlies. Philips de Schone werd in het koor van de Sint Jan tijdens het kapittel van deze orde in 1481 als lid opgenomen door de ridderslag, in aanwezigheid van Maximiliaan. Het is dus niet uitgesloten dat de gewelfschildering diende ter opluistering van en/of herinnering aan dit kapittel. Een van de ontbrekende wapens zou dat van Maximiliaan geweest kunnen zijn, wellicht dus niet van Maria van Bourgondië, omdat zij als vrouw geen souverein van de orde kon zijn. Overigens is de toespeling op de Bourgondische hertogen in deze gewelfschildering wel uiterst discreet, geen enkel ander embleem is er dat op hen wijst, geen vuurslag, geen Vliesketen, geen spreuk.
Het ensemble moet al in slechte staat verkeerd hebben, ontkleurd geraakt door verpoederen en verwaaien van de kleurstoffen, toen J.C. Dickmans in 1839 zijn nieuwe beschildering eroverheen legde, zonder enige poging te doen het oude werk na te volgen, maar door de oude, ook al niet gaaf bewaarde, ornamentatie van de hoge schipgewelven in vrije vorm voort te zetten: ranken, bladeren, bloemen, waarin zich vogels en klein wild ophouden. De gewelfribben en gordelbogen werden toen geheel geschilderd, ook de manchetten. Het opgaand werk van het hoogkoor is altijd blank gepleisterd geweest met toevoeging van geel in latere onderhoudsbeurten.
Fragmenten van een decoratie bevinden zich slechts op de twee pijlers en de spitsboog in het meest noordwestelijke facet van de koorsluiting, waar oorspronkelijk het Sacramentshuis stond. Tegen een zwart fond zijn hier over de profielen heen donker- en lichtgroen lover geschilderd, waarin bontgekleurde papegaai-achtige vogels huizen. De spitsboog is in Engels rood geschilderd. Het albasten Sacramentshuis hier werd in 1614 geplaatst en wellicht is toen ook deze geschilderde omlijsting tot stand gekomen.
| 306 |
| Noten | |
| 78. | Wanneer men D. Bax volgt in zijn Hieronymus Bosch and Lucas Cranach, Two Last Judgement triptychs, Amsterdam 1983, 76, dan zou het ook kunnen zijn, dat de verrijzenis van de mensheid uit de dood reeds heeft plaatsgehad en het oordeel reeds geveld is: de zaligen zijn reeds in de hemel opgenomen, maar de verdoemden kruipen nog op de aarde rond. Zo schilderen Dirc van Delf en Ruusbroec de eindtijd af. Maar zwaard en lelie in Christus' mond en de arma Christi pleiten in dit geval toch meer voor een ogenblik vóór de opstanding uit de doden. |
| 79. | Vgl. R. Berliner, 'Arma Christi', Münchener Jahrbuch der bildenden Kunst, 3. Folge, 6 (1955), 33-152. Op het doek van de deuren van het Oordeelspel achter in de Sint Janskerk waren vier engelen met lijdenswerktuigen geschilderd: kan en bekken van Pilatus, haan, ladder, en lijfrok met dobbelstenen. Mosmans 1931, 396-399 en afb. 242. Deze deuren zijn al decennia geleden spoorloos verdwenen. |
| 80. | F. van der Meer, 'De tweede val der engelen. Geschiedenis ener beeldvorming'. Saecula saeculorum (feestbundel C.W. Mönnich), Amsterdam 1982, 47-97. |
| 81. | Jan van Ruusbroec, Van VII Trappen in den graed der gheesteleker Minnen, uitg. door Lod. Moereels s.j., Tielt/Amsterdam 1976. Bij het koorgebed worden de engelen aanwezig geacht: Liturgisch Woordenboek I, Roermond/Maaseik 1958-1962, 673, s.v. 'Engelen'. |
| 82. | D.P.R.A. Bouvy, Kerkelijke Kunst 3. Edelsmeedkunst, Bussum 1967, 58, afb. 45 en fig. 19. |
| 83. | V. Denis, De muziekinstrumenten in de Nederlanden en in Italië naar hun afbeelding in de 15de-eeuwsche kunst (Verhandelingen van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten van België, Klasse der Schoone Kunsten VI, 2), Antwerpen/Utrecht 1944; R. Hammerstein, Die Musik der Engel. Untersuchungen zur Musikanschauung des Mittelalters, Bern/München 1962. |
| 84. | Seya Dalderup, Restauratie van de gewelfschilderingen in het koor van de St. Maartenskerk te Zaltbommel, 1980 (Fotocopie van typoscript, bibliotheek Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist), 47-75. |
| 85. | Banieren aan de bazuinen der engelen ook op een paneel met het Laatste Oordeel van Hieronymus Bosch uit ± 1510 (Groeningemuseum, Brugge), een Laatste Oordeel door Aertgen van Leyden en bij Brueghel. |
| 86. | Over de gekroonde Moeder Gods en de engelen: Hammerstein, o.c. (zie noot 83), passim. |
| 87. | Waaronder ook te rekenen de thema's van de Aanbidding van het Lam en Allerheiligen. Vgl. C. Harbison, The Last Judgement in Sixteenth Century Northern Europe: A Study of the Relation between Art and the Reformation, New York/London 1976; F. van der Meer, Apokalypse, Antwerpen 1978. |
| 88. | Harbison, o.c. (zie noot 83); Van Kalcken, o.c. (zie noot 5); Hoogewerff, o.c. (zie noot 5); H. Miedema, 'De ikonografie van de schilderingen in het koor van de Grote Kerk te Harderwijk', Oud Holland 94 (1980), 259-283. |
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 302-306
Paul le Blanc, Kerk in kleur (2002) 29-56
A.M. Koldeweij, In Buscoducis : Bijdragen (1990) 367 (afb. 3), 391 (afb. 3), 392 (afb. 4, 5)
Jan van Oudheusden, De Sint Jan van 's-Hertogenbosch (1985) 51, 68
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 302-306