|
Hoewel verwerkt in een latere bouwfase, kunnen de twee drielobbige kraagstenen tegen de noordwand van het noordtransept hier niet | 159 |
|
ontbreken, aangezien zij vanwege de sterke overeenkomsten tot de reeks drielobbige kraagstenen in de kooromgang lijken te behoren. De kraagstenen zijn ingemetseld in twee smalle blindnisvelden vlak naast de ingang van de Sacramentskapel, de vroegere broederschapskapel. Gezien het keurige metselwerk er omheen, zichtbaar op oude foto’s, lijkt het er op dat dit direct gebeurde bij het optrekken van het onderste deel van de gevel van het noordtransept, omstreeks 1400. De duidelijk oudere, maar goed bruikbare kraagstenen lagen toen kennelijk al klaar. De westelijke van de twee (k148) bevat aan de onderzijde de buste van een jongeman met een zacht, glimlachend gezicht. Hij heeft lang golvend, steil haar, een lange snor, een golvende gespleten baard en blote schouders. Onwillekeurig doet het gezicht aan Jezus denken, maar het is onwaarschijnlijk dat deze in een dergelijke onderdanige positie als kraagsteen van een beeld zal zijn uitgebeeld. Een opmerkelijk detail is het kuifje haar op het voorhoofd van de man. Vanaf zijn schouders en uit zijn nek komen verder gekrulde koolbladeren op, die samen de drielobbige deksteen ondersteunen. Het geslacht van de persoon onder de naastgelegen kraagsteen blijft in het midden (k149). Het is een engelachtige figuur, zonder dat er vleugels zijn uitgehouwen. De baardeloze figuur, die een mantel met een brede kraag draagt, heeft breed krullend haar dat onder een hoofdband uitkomt. Een kuifje haar, vergelijkbaar met de man ernaast, wipt over de hoofdband heen. Op de schouders liggen dikke knoestige takken, waarvan uit zijtakken de gestileerde, krullende koolbladeren komen die onder de drielobbige dekplaat zijn gedrapeerd. De gipsafgietsels van deze twee kraagstenen bleven niet bewaard in de bouwloods en zijn alleen bekend van een oude foto. De twee kraagstenen zijn stilistisch en qua opbouw zo verwant aan de vijf drielobbige kraagstenen in de kooromgang, dat er geen twijfel bestaat over de samenhang. Waarschijnlijk zien we hier de kraagstenen zoals ze van oorsprong bedoeld waren, voordat ze in tegenstelling tot de andere passend werden gemaakt voor de geprofileerde pijlers van de kooromgang. | 160 |
|
Het is de vraag waarom nu juist deze twee niet in de kooromgang werden geplaatst, waar voldoende plaats was. Aan de identificatie van de reeks van kragende figuren, dragen deze twee nauwelijks bij. Hooguit kan de suggestie van Smits, dat het in de kooromgang gaat om de herders en koningen uit het kerstverhaal, worden weerlegd, want de twee koppen in het noordtransept hebben daarmee niets te maken.17 Mogelijk dienden de kraagstenen om twee engelenbeelden te dragen, afgaande op archiefstukken. In de rekeningen van de broederschap van 1489-1490 wordt namelijk gemeld dat buiten de kapel drie nieuwe beelden waren geplaatst. De verder onbekend gebleven “Melijs de kerkcen cnaep” heeft behalve een “Ons Lieve Vrouwe” ook twee engelen, vermoedelijk stenen beelden, voor die plaats gemaakt.18Wellicht werd de ingang van de kapel vanuit het noordtransept gemarkeerd met een Mariabeeld, onder een stenen baldakijn in de hoek, waarnaast de twee engelen konden worden geplaatst op de twee beschreven kraagstenen. | 161 |
| Noten | |
| 17. | Smits 1907, 152-156 |
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 159
Harry Boekwijt, Ronald Glaudemans en Wim Hagemans, De Sint-Janskathedraal van 's-Hertogenbosch (2010) 102
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 19, 159-161
C. Peeters, De Sint Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1985) 287