|
Tegen de twee oostelijke koorpijlers zijn dubbele kraagstenen geplaatst die ogenschijnlijk niet werden vernieuwd in de negentiende eeuw. Op een gravure van Servaas de Jong uit 1847 zijn beide | 202 |
|
sculpturen afgebeeld en het lijkt er op dat ze vrijwel ongeschonden bewaard waren gebleven.160 Ook de gebroeders Donkers tekenen ze beide, schijnbaar intact, in hun opmetingsschetsen uit 1853-1854.161 Lambert Hezenmans maakte omstreeks 1869 twee uitgewerkte tekeningen van de sculpturen. De dubbele constructie tegen deze pijlers bestaat uit een onderste en een bovenste kraagsteen, die het beeld moest dragen. Hiertussen is een gelede colonnet met een achthoekige doorsnede geplaatst. De onderste kraagsteen tegen de zuidoostelijke koorpijler (k9) toont een gehurkt zittende engel met krullend haar, opengeslagen vleugels, plastisch weergegeven kleding en blote voeten. Het voorwerp voor de borst is een psalterium of psalter dat door de engel met de rechter hand wordt bespeeld. Het is geen wapenschild, zoals wel eens beweerd is.162 De engel past hiermee weliswaar bij de andere musicerende engel in het hoogkoor, maar is stilistisch toch geheel afwijkend: volumineuzer weergegeven dan de naburige engelen en komt in tegenstelling tot de andere kraagstenen veel meer naar voren. De engel lijkt ook te zijn bijgewerkt, | 203 |
|
met name aan de handen en de vleugels, en nogal hardhandig te zijn ontdaan van verf of pleisterlagen. De colonnet er boven heeft een vrijwel identiek gebeeldhouwd schild aan een riem als de hiervoor besproken pijler, maar dan gespiegeld daaraan weergegeven. Hierop is weer een vrij platte kraagsteen met loofwerk, dat bestaat uit fijn uitgewerkte druivenwingerd met druiventrossen. De twee beeldhouwwerken tegen de oostelijke koorpijlers lijken van latere datum te zijn dan de oorspronkelijke kraagstenen in het hoogkoor, die direct bij de bouw aan het einde van de veertiende eeuw werden aangebracht. Op grond van de stijl, de wapenschilden en de bloemen in het loofwerk, lijkt de bovenste plastiek eerder uit het einde van de vijftiende eeuw te stammen. In 1480-1481 nam schilder Goessen van Aken een opdracht aan voor het schilderen van nieuwe retabelluiken voor het hoogaltaar van de Sint Jan. Uit een latere bron blijkt dat het middenpaneel van dit altaar was geschilderd door zijn broer, Jheronimus Bosch. Een vernieuwing, vergroting of herschikking van het hoogaltaar kan de aanleiding zijn geweest voor het veranderen en ophogen van de twee kraagstenen aan weerszijden van dit altaar. Mogelijk waren de beelden op de lage kraagstenen door het vergrote altaar niet meer zichtbaar en werden ze hoger, op de verhoogde kraagstenen geplaatst. Het zou verklaren waarom er een tijdverschil is tussen de onderste en de bovenste sculpturen en de datering zou er goed bij passen. | 205 |
| Noten | |
| 161. | Schetsboekje gebroeders Donkers 1853-1854. Kerkarchief Museum de Bouwloods. |
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 202-203
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 203
Don Rackham, Een kathedraal op papier (2003) 106-110