|
Het dekstuk op de lage bankwang aan de noordoostzijde van het koorgestoelte stelt de biecht voor, het sacrament van boetvaardigheid. In het midden van de groep zit een monnik op een verhoging. Deze biechtvader houdt de handen tegen elkaar gevouwen voor de borst en neigt enigszins voorover om een vrouw te aanhoren die voor hem neerknielt. Achter de monnik bevindt zich een derde figuur die - met in elkaar geslagen handen - half knielt en de biecht lijkt gade te slaan. Het groepje is sterk gerestaureerd: van de biechtelinge zijn aangezicht, handen en een deel van de mantel aangevuld; van de monnik de schouderpartij met mantel en kap, het hoofd en de handen; van de halfgeknielde mannefiguur is het hoofd beschadigd en diens aangezicht, armen, handen en linkerschouder werden vernieuwd. De herstellingen door Hendrik van der Geld aan deze groep zijn zo ingrijpend dat weinig meer kan worden gezegd over de oorspronkelijke voorstelling. Jan Hezenmans interpreteerde het dekstuk in 1866 ook al als de biecht.21 en Lambert Hezenmans tekende hier in 1863 een groep die min of meer de vorm heeft van het snijwerk van Van der Geld uit de jaren 1877-1881. De meningen van de vorige-eeuwse restaurateurs over dit dekstuk waren dus zeer eensluidend. Toch is het mijns inziens de vraag of we hier ook oorspronkelijk te maken hadden met de op zich hoogst ongebruikelijke voorstelling van het sacrament van de biecht.22 In de eerste plaats geeft de originele ondergrond van de scene duidelijk aan dat het gebeuren in de openlucht plaats vindt. Weliswaar was het toegestaan buiten biecht te horen, maar slechts als hoge uitzondering en, in tegenspraak tot wat we hier zien, slechts voor mannen; voor vrouwen, was dit nadrukkelijk verboden. Bovendien is de biecht strikt vertrouwelijk en het sacrament wordt voltrokken zonder bijzijn van derden; de aanwezigheid hier van de merkwaardige man achter de rug van de monnik is dus problematisch. Als we deze overwegingen evenwel buiten beschouwing laten en kijken naar de huidige twee hoofdpersonen, zien we onmiskenbaar de biecht en zelfs min of meer zoals deze in de middeleeuwen gebruikelijk was: de biechtvader op een vrijstaande stoel gezeten en naast hem zat de biechteling(e) die hij de absolutie voor hem neerknielde. | 73 |
| Noten | |
| 21. | Hezenmans 1866, p. 73. |
| 22. | Samenvattend, ook over de biecht in de late middeleeuwen: L. Brinkhoff e.a. (ed.), Liturgisch Woordenboek, deel 1, Roermond/Maaseik 1958-1962, kol. 263-268, lemmata 'biecht' en 'biechtstoel'. |
A.M. Koldeweij e.a., De koorbanken in de St.-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1991) 73
|
De bekroning stelt het Heilig Sacrament der Biecht voor, dat dikwijls in de koorbanken is toegediend. Op de plint staat Sinte-Cathrien (5). | 210 |
| Noten | |
| 5. | Een draak ligt onder haar voet, zooals bij nagenoeg alle XVe eeuwsche beelden van Sinte-Cathrien in het Museum van 't Park du Cinquantenaire te Brussel. Twee engelen staan boven haar. |
C.F.Xav. Smits, De Kathedraal van 's-Hertogenbosch (1907) 210
Vincent Cleerdin, De kathedrale basiliek van Sint Jan (1938) plaat
Concordius van Goirle & Martien Coppens, De koorbanken van St. Jan (1946) 53, 67, 74, 124-127
A.M. Koldeweij e.a., De koorbanken in de St.-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1991) 73, 74 (afb.)
Jan Mosmans, De St Janskerk te 's-Hertogenbosch (1931) 377
Jan van Oudheusden, De Sint Jan van 's-Hertogenbosch (1985) 67 (afb.)
C.F.Xav. Smits, De Kathedraal van 's-Hertogenbosch (1907) 210