|
Iconografie: jonge vrouw, die met haar rechterarm een gesloten boek omklemt en in haar linkerhand een lantaarn draagt; een kleine duivel staat schuin achter haar en blaast de kaars in de lantaarn uit. Gudula, dochter van graaf Witger en de heilige Amalburga († ± 690), werd omstreeks het midden van de zevende eeuw geboren. Ze werd door de heilige Gertrudis opgevoed in het klooster Nijvel, totdat deze stierf in 659. Gudula keerde toen terug naar haar ouderlijk huis in Ham bij Aalst, waar ze haar verdere leven in naastenliefde en godsvrucht doorbracht tot haar dood in 712. In 1047 bracht men haar relikwieën over naar Brussel. Haar attribuut de lantaarn is ontleend aan de legende die verhaalt hoe de duivel haar trachtte te verhinderen ’s nachts naar de kerk te gaan. De duivel doofde de kaars in haar lantaarn, doch deze begon op gebed van Gudula opnieuw te branden. Symbolisch werd dit uitgelegd als het hemelse licht dat niet te doven is temidden van de duivelse bekoringen. | 119 |
125 Heiligenbeelden in de St. Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1984) 119
| 1984 |
A.M. Koldeweij en F.J. van der VaartDe 125 beelden: ikonografie en heiligenlevens125 Heiligenbeelden in de St. Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1984) 119 |
Nomina Benefactorum, qui insigne aliquod ornamentum dederunt Cathedrali (1856-1944) 101
Jo Claes, Alfons Claes en Kathy Vincke, Sanctus : Meer dan 500 heiligen herkennen (2004) 170-171
Paul Spapens, Kees van Kemenade, 366 Heiligendagen (2005) 52-53