|
Het hoogaltaar is de onmiddellijke consequentie van de afbraak van het hoogaltaar en het oxaal uit de 17de eeuw en komt voort uit de antiklassieke geest die deze sloop bevorderde. Onder beide initiatieven staat dezelfde signatuur, namelijk die van plebaan C.N. van Amelsfoort en jhr. J.M.B.J. van der Does de Willebois, als voorzitter en secretaris van het kerkbestuur. Dit laatste schreef namelijk op 22 october 1867 een prijsvraag uit voor een nieuw hoogaltaar met twee zijaltaren. De voorwaarden waren zeer strict en op zich al bijna een ontwerp: afmetingen, opbouw (met een ciboriumkas en een open sanctuarium daarboven als een toren in het midden boven de tombe), materialen en bouworde (gotiek uiteraard), lagen vast, ook de sculptuur: twee serafijnen zonder andere beelden.80 De twee kleine altaren moesten schuin tegen de vieringpijlers aan de kooringang geplaatst worden, ter ere van de Moeder Gods en Johannes Evangelist. Van een koorhek was in het geheel geen sprake meer. Op de sluitingsdatum 1 mei 1868 waren vijf inzendingen binnen, die op 14 mei door een jury, bestaande uit Louis Baeckelmans en Eugen Gugel, architecten, onverlet latende het eindoordeel van het kerkbestuur zelf, beoordeeld werden.81 Er waren tekeningen van onder andere H. Peeters Divoort te Antwerpen (onder het teken van het anker), J.J. Vielvoye te Rotterdam (motto Perpetua Securitas) en Lambert Hezenmans (S. Joannes ora pro nobis).82 De voorkeur ging uit naar het ontwerp van deze laatste, hoewel men het te streng van stijl vond, blijkbaar te vroeggotisch, te stijf geometrisch. Daarop is dit plan nog vrij ingrijpend gewijzigd, tot men er in september vrede mee had. Het hoogaltaar (marbre blanc clair) werd uitgevoerd door atelier Louis Veneman, de ijzeren tabernakel door Lambert van Rijswijk te Antwerpen, het kruiscorpus en de serafijnen (in Caensteen) door Jos. Graven, in 1869.83 In 1902 is het altaar veranderd: toen kwam het marmeren antependiumreliëf met de martelie van Sint Jan in de kokende olie, geflankeerd door engelen in nissen, werk van H. van der Geld, tot stand. Het tabernakel werd verhoogd, een tweede baldakijn overtopt het eerste met een hogelspits en kruis. De koperen tabernakelkast en expositietroon zijn eveneens uit 1902. De zijaltaren met hun retabels (pierre de Rochefort) kregen uiteindelijk heel andere patrocinia, namelijk die van de beelden tegen de vieringpijlers erboven: het noordelijke was gewijd aan St. Leonardus van Veghel (in reliëf zijn proces en marteldood, door Jos. Graven, 1872), het zuidelijke aan St. Willibrord (in reliëf zijn bisschopswijding en prediking, door Jos. Graven, 1873). In 1966 zijn deze altaren afgebroken, de twee reliëfs worden in de Bouwloodsen bewaard. | 344 |
| Noten | |
| 80. | KA, Gedrukte tekst van de Prijsvraag, 22 october 1867. |
| 81. | KA, Proces verbaal der beoordeeling der ingezonden plans. |
| 82. | De ontwerptekeningen van Hezenmans zijn bewaard gebleven; die van H. Peeters Divoort zijn onlangs teruggevonden en gelijken enigszins op die van Hezenmans, hetgeen niet verwondert bij de stricte voorwaarden van de prijsvraag. Wèl de gotische bouworde, maar niet de liturgie van na Trente liet een altaar van middeleeuwse gedaante toe: het is een ‘modern’ altaar, zelfs zonder retabel. Hezenmans' inspiratiebron is onmiskenbaar het illustratiemateriaal van Viollet-le-Duc, Dictionnaire raisonné de l'architecture francaise, t. II, Paris 1856, fig. 8-9, 14, 17, s.v. ‘Autel’. |
| 83. | Rek. 1869. Aan Veneman totaal f 7.500,-, aan Graven f 1.300,-. Tegelijk levert A. Sopers voor f 750,- de beelden van de H. Maagd en Johannes Evangelist voor de koorpijlers achter het altaar, die daarmee samen één compositie vormen. |
C. Peeters, De Sint Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1985) 344
C. Peeters, De kathedrale basiliek van St. Jan te 's-Hertogenbosch (1973) 49-50
C. Peeters, De Sint Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1985) 344, 377 (afb. 363)
Frans van Valderen, De kathedrale basiliek van St. Jan te 's Hertogenbosch (1949) 33, 34