|
Opstootjes zijn in de Bossche negentiende eeuw herhaaldelijk voorgekomen. Dikwijsls werden ze vergezeld van zelfgemaakte liedjes. Zoals in het begin van de eeuw bij een uit de hand gelopen echtelijke ruzie tussen Willem van Gheyn en Hermina de Pauw, in 1866 wegens hoge levensmiddelenprijzen tegen een boteropkoper, in 1875 tegen een ruziezoekende kaasverkoopster, maar vooral in 1891 bij het marktoproer. Een andere overeenkomst tussen het oproer van 1891 en een uit 1811 daterend opstootje is dat de commissaris van politie het veld moest ruimen.
Een carnavalsclubje van zo'n vijftien man was bezig met de carnavalsvoorbereidingen. Antonie Peeters (bekend als Peer den Brabander) zou een liedje componeren. Inspiratie had hij echter niet. Op een avond werd hij aangehouden door een hem onbekende heer. Deze vertelde hem een interessant verhaal van een getrouwde dame uit de hoogste Bossche kringen (met relaties in Parijs), die een buitenechtelijke verhouding zou hebben met twee heren.
Het thema was nu snel gekozen. Er werd een carnavalswagen gemaakt met een aantal vrouwenportretten. Eén ervan was duidelijk herkenbaar aan een aantal attributen, en stelde de betrokken vrouw voor. Een liedje was snel gemaakt, het bevatte onder meer de volgende vers:
'Daar, ziet nu eens wat prachtige kleeren.
Gekleed in het zwart zoo als men haar ziet. Zij loopt met twee getrouwde heeren. Maar hare man die weet van zulks niet. Zij diende tot schande van alle getrouwde. Wat nu gedaan met zulke Vrouwe? Brengt haar dan ook zonder zorg Naar den Uilen-borg.' Het gezelschap had zich gerealiseerd dt er risico's aan verbonden waren en daarom tevoren contact gezocht met P. Schouten, de commissaris van politie. Deze had geen bezwaar en gaf toestemming tot het drukken van het lied, het rondrijden met de carnavalswagen en het geven van voorstellingen in herbergen. De commissaris zag het komische ervan in en zorgde zelfs voor begeleiding van de stoet met agenten.
Verschillende dagen achtereen werd de wagen rondgereden en werden er voorstellingen, zowel in het openbaar als privé, gegeven. Onder meer waren tijdens een besloten voorstelling de maire (burgemeester) en de apostolisch vicaris aanwezig; beiden hadden genoten.
Maar de naam van de betrokken dame was door het slijk gehaald. Zij schakelde haar Parijse relaties in - Frankrijk had ons land in die dagen bezet - en P. Schouten, de commissaris van politie, raakte zijn functie kwijt. Maar de in opspraak geraakte vrouw kon niet meer op straat komen, zonder dat haar het liedje werd toegezongen.
Zij diende daarom een aanklacht in bij de nieuwe commissaris, Van Zuylen. Hij moest de dader opsporen. Steun kreeg Van Zuylen daarbij van de oud-commissaris, die op eerherstel uit was. Echter, na verloop van tijd moest de officier van justitie het onderzoek staken; de verdachte had immers officieel toestemming gekregen van de maire en de commissaris van politie!
|
Brabants Dagblad donderdag 19 september 1991
Aart Vos, 's-Hertogenbosch : De geschiedenis van een Brabantse stad 1629-1990 (1997) 145, 261, 265, 266, 381, 385, 397-399, 406, 415, 416