afb. A.F.A.M. Wetzer, 7 juli 2007
C. Peeters, 'De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch' (1985) 248, 277
|
Het oude reliëf, dat sinds de verwijdering van de kerk in 1932 in de bouwloods wordt bewaard, behoorde tot de best geconserveerde wimbergfrontalen. Het linker deel toonde een vrouwelijke figuur, staande op een console in de vorm van een geknield engeltje. De vrouw was gekleed in een lange jurk met een heupgordel, versierd met bloemmotieven. Op de borst droeg zij een opvallende parelsnoer; zij had halflang golvend haar en droeg een bonnet. Op de rechter arm droeg de vrouw een grote aardewerk (schenk)kan, waarvan het oor was afgebroken. In de linker hand hield zij een langwerpig voorwerp omhoog, dat nog het meest weg had van een toorts, maar wat net zo goed een rol perkament kan zijn geweest. Aan de rechter zijde toonde het reliëf een staande man op een geheel verweerde console. De man droeg een nauwe broek en een lijfrok, op de heupen versierd met een gordel die rijk gedecoreerd was met bloem- en geometrische motieven. De man bespeelde met een goed bewaarde dubbele strijkstok een voorwerp dat nog het meeste weg had van een blaasbalg. Verder had de man een sik met twee punten, lang krullend haar en droeg hij een mutsje. De duiding van het reliëf is net als de omringende reliëfs uiterst moeizaam. Xavier Smits meent in de vrouwelijke figuur Maria Magdalena te herkennen. In logische navolging op zijn beredeneerde betekenissen van de voorafgaande reliëfs schrijft hij in 1907:
‘Frontaal n° 20 stelt immers eene sierlijk-getooide bruid voor, naast welke een spelend muzikant geplaatst is. De
| 164 |
|
eerste draagt eene vaas op haar rechter schouder. Om haar hals hangt een parelsnoer. Wie mag hier afgebeeld zijn? Het is Maria Magdalena, als steeds met eene vaas balsem voorgesteld. Het lijden van Christus werd immers op de vorige frontalen afgespeeld en de Zaligmaker ten grave gelegd. Thans gaat de Bruid van het Hooglied (Cant. Caput III), met welke Maria Magdalena in de middeleeuwsehe symboliek vereenzelvigd wordt, langs de pleinen der stad en vraagt daar treurend naar haren verloren Meester, den geliefden Bruidegom harer ziel. De muzikant, naast haar gaande, begeleidt met vedelspel het treurlied, dat de bruid aanheft, daar de wachters haren beminde niet gezien hebben’.153
Jan Mosmans was het in het geheel niet eens met deze verklaring, maar zijn duiding is zo mogelijk nog verder gezocht. In een poging ook nog enige samenhang met de aanpalende reliefs te zoeken, schrijft hij het volgende:
‘Nadat aan de aspiraties van verschillende volksgroepen was voldaan is de ontwerper der frontalen voor afwisseling even tot het idee „huwelijk" teruggekeerd en parodiëert hij een soms voorkomende verhouding, nl. een groot verschil in tweeër leeftijd. Wij zien een jonge, met parelsnoer getooide vrouw, die in de rechterhand een schenkkan omhoog heft en in de linker een tortijs of toorts draagt. Neven haar een reeds grijzende man, die een keuken-blaasbalgje, omgekeerd onder de kin, als een viool hanteert terwijl hij met de kolentang van het haardvuur, als over de snaren strijkt! Welk spreekwoord dat van violen gewaagt, of welk ander, kan hier in steenvormen omgezet zijn?’.154
De verder nogal gekunstelde | 165 |
|
verklaring eindigt met een de accurate observatie dat de man een wel zeer vreemd instrument bespeelt. Het idee dat het een schertsinstrument - een blaasbalg - betreft wordt door Kees Peeters resoluut van de hand gewezen. Hij schrijft in 1985:
Links een vrouw met bonnet op loshangend kort haar, een parelsnoer op haar lijfrok hangende, lange onderrok, in haar rechterhand een kruik, in haar linker een toorts (?). Rechts een man met bonnet, lijfrok en hozen, met een dubbele strijkstok een snaarinstrument bespelend. [...] De strijkstok is in het nieuwe beeldhouwwerk ten onrechte als twee afzonderlijke stokken of als een tang gereconstrueerd, het instrument is geen blaasbalg, maar waarschijnlijk een vedel.155
Dat Jan Mosmans in dit detail toch gelijk kan hebben gehad blijkt uit het gegeven dat tussen de later geplaatste luchtboogbeeldjes op de luchtbogen van het schip maar liefst twee originele figuurtjes zijn bewaard die de blaasbalg bespelen.156 Wellicht is hier inderdaad een nu vergeten spreekwoord of gezegde in steen uitgebeeld? In 1933 werd het reliëf uitgenomen en vervangen door een aangevulde kopie, gehakt door Jos Goossens. Het bestaande reliëf werd nauwkeurig gekopieerd in Ettringer tufsteen en terughouden aangevuld, waarbij de rechter kraagsteen werd gereconstrueerd als pendant van de linker. In 2005 werd de kopie uit 1933 vervangen door een nieuwe kopie, gehakt door Ton Mooij. | 166 |
| Noten | |
| 153. | Smits 1907, p.159. |
| 154. | Mosmans 1935, p.145. |
| 155. | Peeters 1985A, p.248. |
| 156. | Glaudemans 2004, p.22, 42 en 74. |
Ronald Glaudemans, De Straalkapellen : Bouwhistorisch onderzoek 2003-2008 (2008) 164-166
|
Dit reliëf (z20) behoorde tot de best geconserveerde zwikvullingen. Het linker deel toonde een vrouwelijke figuur, staande op een console in de vorm van een geknield engeltje. De vrouw was gekleed in een lange jurk met een heupgordel, versierd met bloemmotieven. Op de borst droeg zij een opvallende parelsnoer; zij had halflang golvend haar en droeg een bonnet. Op de rechter arm droeg de vrouw een grote aardewerk (schenk)kan, waarvan het oor was afgebroken. In de linker hand hield zij een langwerpig voorwerp omhoog, dat nog het meest weg had van een toorts, maar wat net zo goed een rol perkament kan zijn geweest. Aan de rechter zijde toonde het reliëf een staande man op een geheel verweerde console. De man droeg weer nauwe hozen en een lijfrok, op de heupen versierd met een gordel die rijk gedecoreerd was met bloem- en geometrische motieven. De man bespeelde met een goed bewaarde lange tang een blaasbalg. Verder had de man een sik met twee punten, lang krullend haar en droeg hij een mutsje. De duiding van het reliëf is net als de omringende reliëfs uiterst moeizaam. Smits meende, in ‘logische’ navolging op zijn beredeneerde betekenissen van de voorafgaande reliëfs, in de vrouwelijke figuur Maria Magdalena te herkennen.154 Het voorwerp dat de vrouw draagt is echter duidelijk een schenkkan en geen zalfbus. Mosmans dacht dat hier het huwelijk was uitgebeeld of geparodieerd, en merkte terecht op dat het muziekinstrument van de man iets anders voorstelde: “(-) een reeds grijzende man, die een keuken-blaasbalgje, omgekeerd onder de kin, als een viool hanteert terwijl hij met de kolentang van het haardvuur, als over de snaren strijkt!”.155 Het idee dat het een schertsinstrument – een blaasbalg – betreft wordt door Peeters resoluut van de hand gewezen: “(-) Rechts een man met bonnet, lijfrok en hozen, met een dubbele strijkstok een snaarinstrument bespelend. (-) De strijkstok is in het nieuwe beeldhouwwerk ten onrechte als twee afzonderlijke stokken of als een tang gereconstrueerd, het instrument is geen blaasbalg, maar waarschijnlijk een vedel”.156 Het originele reliëf in de bouwloods laat echter wel degelijk een blaasbalg en een tang zien. Wellicht had Mosmans in dit detail toch gelijk, want tussen de originele luchtboogbeelden bestaan ook twee figuren die de blaasbalg bespelen.157 Ook komt het thema voor op diverse middeleeuwse kraagstenen in Brabant en Vlaanderen, waar narren de blaasbalg spelen met vorken. Op de gravure ‘de mosselschelp’ van Pieter Jan van der Heyden, gemaakt in navolging van Jheronimus Bosch, zien we een van de passagiers in de varende mossel ‘muziek’ maken door een blaasbalg met een varkenspoot te bespelen. De blaasbalg werd in de middeleeuwen geassocieerd met narren en voor de gek houden. Er is een rechtstreeks etymologisch verband tussen het Latijnse woord voor blaasbalg, ‘follis’ en het Franse ‘la folie’, de dwaasheid, en het engelse woord ‘fool’, dwaas, nar, zijn er van afgeleid. De man met de blaasbalg steekt de draak met ons, maar de essentie van de betekenis van het reliëf blijft duister omdat de flankerende vrouw even raadselachtig blijft. Wellicht is zij degene die de man probeert te verleiden, met haar parelsnoer en drinkkan?158 | 129 |
| Noten | |
| 154. | Smits 1907, 159. |
| 155. | Mosmans 1935, 145. |
| 156. | Peeters 1985 A, 248. |
| 157. | Glaudemans 2004, 22, 41 en 74; Glaudemans 2015, 28-29, 75 (Z-III-3) en 42 (N-III-1). |
| 158. | Vriendelijke mededeling prof. D.J. de Vries, Utrecht. |
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 129
| 1931 |
Jan MosmansFrontalen langs de facetten der straalkapellen (No. 20)De St. Janskerk te 's-Hertogenbosch (1931) 285, 287 |
|
| 1935 |
Jan MosmansIconografie van het choor en de straalkapellen der St. Jan te 's-Hertogenbosch's-Hertogenbosch 1185-1935 ('s Hertogenbosch 1935) 144 (No. 20), 145 |
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 128-129
Ronald Glaudemans, De Straalkapellen : Bouwhistorisch onderzoek 2003-2008 (2008) 164-166
C. Peeters, De Sint Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1985) 248, 277 (afb. 203-204)
C.F.X. Smits, De Kathedraal van 's Hertogenbosch (1907) 159