|
'Inden Sot' (1603)
Hooge Steenweg 8
Omstreeks het jaar 1500 is het pand bouwkundig samengevoegd met het linker buurpand. Het bezit en gebruik van de panden blijft evenwel gescheiden. Het rechter pand telt in de beginjaren van de 16de eeuw veel verschillende gebruikers. Uit de cijnsboeken blijkt dat de percelen vóór die tijd ook met elkaar in relatie hebben gestaan, aangezien er voor beide de helft van 33½ voet (= ½ van 9,63 m) aan hertogcijns wordt
| 235 |
geheven. In 1520 moet Arnold Peters betalen, daarna Gijs Verstyegen, die als bezitter te boek staat.
Blijkens de haardentelling moet Hendrik Pauwels, 'vetwarier', in 1553 in het bezit zijn geweest van twee schouwen. Aangezien er geen sporen zijn aangetroffen van een dwarsmuur (de dunne muur in de kelder mag niet als zodanig gezien worden), is het niet waarschijnlijk dat deze stookplaatsen zich op de scheiding tussen het voor- en het achterhuis hebben bevonden. In de beide zijmuren van de kelder is wel een naad waarneembaar, die op een verschil in bouwfase tussen het voor- en achtergedeelte wijst. De voorste kelder dateert nog uit de late 13de of het begin van de 14de eeuw. De achterkelder is iets jonger. Het lijkt erop dat de bouwgeschiedenis van beide buurpanden Hooge Steenweg 6 en 8 gelijk is. De kelders zijn vanaf de straat en het achtererf toegankelijk. Merkwaardig is het kleine keldertje achter Hooge Steenweg 8, met een trap naar de begane grond. Heeft hier een achterbouw gestaan?
De oude stenen voorgevel kennen we van de 19de-eeuwse tekening van Kap. Gevers van Endegeest. De topgevel geeft drie bouwlagen aan met en vrij flauwe kap.
| 236 |
| Literatuur |
| | CB 1520 f 44; CB 1573 f 47; HT 1553; M 40; P 1569; Z 1552/'53. |
A. van Drunen, 's-Hertogenbosch van straet tot stroom (Zwolle - Zeist 2006) 235
|