De Gapert (Hooge Steenweg 1-1a)
|
'De Gapert' (1520)
Hooge Steenweg 1-1a
Ter plaatse van dit in 1854 gebouwde hoekpand stonden voordien twee smallere panden. Deze zijn ontstaan na deling van één breed pand, 'De Cupenborg', waarvan de rechter zijmuur ongeveer in het midden van het Scheidingstraatje stond. Het moet gezien de bouwsporen een groot zaalhuis geweest zijn met een half boven maaiveld gelegen kelder en een bel etage. De hergebruikte balken van het zware houtskelet zijn in de winter van 1304/'5 gekapt. De oudste datering van het stenen huis is uit 1370. In 1559 is sprake van de helft van een stenen huis, waaruit blijkt dat het toen gedeeld was. De deling zal kort daarvoor hebben plaatsgevonden, toen Frans en zijn broer, de wijntavenier Herman van Casteren de bezitters waren. Zij hadden het huis in het begin van de 16de eeuw gekocht van de erfgenamen van Arnold Weels. In 1520 wordt Arnold nog aangeslagen voor een hertogcijns van 6 pond was. Zijn opvolgers betalen in 1573 twee maal 3 pond was. De betaling in was en peper is opmerkelijk. Deze betalingsvorm komt ook voor bij enkele panden in het aangrenzende bouwblok 1.3 aan de Markt. Na het overlijden van Herman kwam het geheel in handen van Frans van Casteren.
Bij de haardentelling in 1553 blijkt Frans maar liefst 7 schouwen te bezitten. Mogelijk had dit te maken met de wijntaverne van zijn toen reeds overleden broer Herman. Er was ook een brouwgetouw aanwezig, waaruit we mogen concluderen dat de gasten op eigen gebrouwen bier werden getrakteerd. De weduwe van Herman zat er met twee schouwen ook nog warmpjes bij. Of dat met Jord de Cuyper met zijn ene schouw in de gehuurde kelder ook zo was, valt te betwijfelen. De nog aanwezige kelders onder het huis en het Scheidingstraatje zijn thans nogal vochtig en klam. In de kelder zijn bouwsporen aangetroffen die mogelijk tot een schouw behoorden.
Het geheel werd in 1559 omschreven als een in twee helften verdeeld stenen huis met erf en achterhuizen, achterwaarts uitstrekkende tot aan de Binnendieze. Onder de straat bevond zich een kelder die echter niet werd vermeld. De toegang tot de straatkelder is oorspronkelijk in de fundering van de voorgevel opgenomen. De straatkelder is in 1971 gesloopt zodat we niet meer
| 159 |
kunnen achterhalen of de dwarsmuur in deze straatkelder ná de deling van beide panden is aangebracht. Toen de erfgenamen van Frans in 1610 hun erfgoed verkochten aan de bierbrouwer Peter de Leeuw, was het pand verdeeld in twee woningen. Het linker gedeelte kreeg toen een andere naam: 'De Zwarte Hond'.
Bij de splitsing in twee panden in de tweede helft van de 16de eeuw is de kelder door twee evenwijdige tongewelven in twee even brede ruimten verdeeld. Achter het metselwerk uit deze bouwperiode is veel ouder baksteenwerk in Vlaams verband zichtbaar dat boven de gewelfaanzet doorloopt. Hierin is een halfsteens boog zichtbaar van een spaarveld. Deze bouwsporen duiden op een hoger gelegen zoldering met houten balken. In het midden van de voormuur is een restant van een zware bakstenen muurdam zichtbaar, waaruit we mogen afleiden dat er een onderslagbalk aanwezig was, vergelijkbaar met die in de kelders onder andere vroege stenen huizen in de stad. De grote kelder moet gedeeltelijk boven het maaiveld gelegen hebben. In de voormuur zijn bouwsporen aanwezig die op een kelderingang in het midden van het pand wijzen. Deze centrale ingang kunnen we in verband zien met een trap naar de bel etage. De linker zijmuur van het zaalhuis is nog gedeeltelijk aanwezig en dateert uit dezelfde periode als de kelder. In de huidige verdiepingsbalklaag zijn nog delen van hergebruikte zware moerbalken met pengaten van korbelen aanwezig die behoren bij de bouw kort na 1304 (dd). Het metselwerk van de kelder en de linker zijmuur dateren uit dezelfde periode. Halverwege de nog aanwezige linker zijmuur zijn restanten van een grote stookplaats aangetroffen. Deze bevond zich in het derde balkvak van de grote onverdeelde zaal. Op de verdieping is de linker zijmuur vernieuwd. Dit zal in de 16de eeuw gebeurd zijn. Uit die tijd dateert de muurschildering met geometrische figuratie die op deze muur is aangetroffen.
Het is niet zeker of er in de oudste fase al een achterhuis aanwezig was. De huidige kelder onder het achterhuis is jonger dan die onder de zaal, maar besloeg wel de volle breedte van het oude perceel. De achterkelder heeft een vlak tongewelf dat vermoedelijk uit de 14de eeuw stamt. Bij de verbreding van het Scheidingstraatje in 1854 is de kelder versmald en het gewelf gedeeltelijk gesloopt. De balklagen van het achterhuis zijn in 1854
| 163 |
eveneens ingekort. De dendrochronologisch gedateerde moerbalk (winter 1482/'83) van de eerste verdiepingsbalklaag bezat pengaten van een houtskeletconstructie en een rankenschildering, waarover een 17de-eeuwse schildering was aangebracht. De tweede verdiepingsbalklaag bezat sleutelstukken met een dubbele peerkraalprofilering. De linker zijmuur van het achterhuis bezit op goothoogte een gemetselde rechte muizentand en op de begane grond een hoog raam. De rechter zijgevel staat op het schilderij van het Schermersoproer als een blinde 'druipgevel' weergegeven. De achtergevel is op het schilderij als tuitgevel weergegeven. Bij de versmalling van het pand in 1854 zijn de kelders en de linker zijmuur gehandhaafd en zijn de oude moer- en kinderbalken hergebruikt. Omstreeks 1900 is het gebouw weer verbouwd waarbij de voor- en zijgevel vernieuwd zijn.
| 164 |
| Literatuur |
| | CB 1520 f 12; CB 1573 f 13v; HT 1553; M 69; THG R 673; vSvY III, 536-539. |
A. van Drunen, 's-Hertogenbosch van straet tot stroom (Zwolle - Zeist 2006) 159, 163-164
|
| |
|
De Gapert en de Zwarte Hond
No. 1
Aan den hoek van de Scheidingstraat, - oudtijds het Gapertstraatje genaamd, - en den Hoogen Steenweg staat een huis, dat voorheen uit twee woningen bestond, waarvan de eene de Gapert en de andere de Zwarte Hond genaamd werd.
Volgens de onuitgegeven Bossche kronijk werd in de Gapert 3 Juli 1693 aan de echtelieden Jan van Wigt en Digna van Mechelen een kind geboren, dat een zoo groot hoofd had, dat voor zijne eerste muts noodig was vijf vierendeel stof; noyt is dergelijcke gesien, wordt daarvan in die kronijk gezegd.
De Zwarte hond kreeg in de Bossche geschiedenis bekendheid doordien de brand, welke in het jaar 1419 den Bosch teisterde, aan die woning ophield.
Blijkens Reg. n° 202 f. 157 kochten Frans en de wijntavernier Herman van Casteren, zonen van Jacob, die beide woningen van de erfgenamen van Aert Weels.
De erfgenamen van Herman van Casteren voornoemd, zijnde diens kinderen: Johanna; Cornelia; Elisabeth; Maria, huisvrouw van Gerardus, zoon van Jacob Hermanszn; Anna, echtgenoote van Wynand Adriaanszn van Os, en Hermanna (de latere huisvrouw van Jan, den zoon van Embert Janszn); de
| 536 |
weduwe van zijnen vooroverleden zoon Jacob van Casteren, zijnde Anna van Broeckhoven Gijsbertsdr, nu echtgenoote van Clemens Adriaanszn van Bardwijk en de kinderen van Jacob van Casteren en Anna voornoemd, zijnde Herman en Dympna, verkochten in 1559 (R. en f. alsvoren) de helft in voormelde woningen, welke nu gezegd werden te zijn een steenen huis met erf en achterhuizen, genaamd de Gapert, staande aan den Hoogen Steenweg tusschen het Gapertstraatje ex uno en het huis, dat eertijds was van den wijntavernier Jan Brantz en nu is van Hans Gijsbertszn van Amstelredam, ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze, aan Frans van Casteren voornoemd, die daardoor eenig eigenaar werd van dat huis. Diens dochters, zijnde Jacomijntken, huisvrouw van Jan Antoniszn Wissel, Margriet weduwe van Adriaan van Kerkwijk, Metken weduwe van Jan van Dinther; en Hesther van Casteren; Balthazar van Beeck, zoon van Christoffel en Jenneken van Gasteren, dochter alsvoren; Jacob Lenaerts, als man van Susanna, dochter van Goossen, zoon alsvoren; Michiel Menning Aertszn als man van Elisabeih en Willem Vlemmingh als man van Judith, dochters van Cornelis Corneliszn en Judith van Casteren, ook dochter alsvoren, verkochten 20 December 1610 (Reg. n° 252 f. 50) dat huis, hetwelk alstoen weder gezegd werd te bestaan uit twee huizen of woningen, waarvan de eene de Gapert en de andere de Zwarte hond heette, aan Peter Jacobszoon de Leeuw. Diens dochter Johanna bracht ze ten huwelijk aan haren man Franchoys Pynappel, (zoon van Gabriel, den zoon van Gooswijn Janszn en Hillegond van Achelen), die ze in 1650 (Reg. n° 399 f. 109), - als wanneer zij gezegd werden te zijn: huysinge, brouwerye, achterhuys enz, nu wesende twee wooningen, genoempt den Gapert ende den Swerten hont, staande aan den Hoogen Steenweg tusschen het Gapertstraatje en het huis de Helm, - verkocht aan Steven Janszn van Engelen.
Laatstgenoemde kooper had tot vrouw Jenneken, de dochter van Joost, (zoon van Jan Joostzn van Vechel) en
| 537 |
Anna, de dochter van Arnd Henrickszn van Zutphen 1). Nadat hij weduwnaar van haar geworden was, verkochten hij en hun beider zoon mr. Johan ab Angelis, advocaat te den Bosch, in 1693 (Reg. n° 481 f. 5) de beide woningen aan Jaspar Gast, koopman in wijnen aldaar.
Over de familie van laatstgenoemden kooper blijkt uit de Bossche Schepenregisters het volgende:
In 1558 (Reg. n° 647 f. 242) deelden voor Schepenen van den Bosch Willem Gast, zoon van wijlen Jan; Agnesen Gast, dochter van Henrick Gast Willemszn en Dorfken die Wael genaamd Joncker en echtgenoote van Gijsbert Ysebrants; hare zuster Dorfken Gast, echtgenoote van Henrick Kemp Junior, zoon van Henrick en Elisabeth van den Hanenberch; hare andere zuster Willemken Gast, echtgenoote van Henrick Heeren en haar broeder Frans Gast, goederen, gelegen onder Tilburg.
Willem Gast, vermoedelijk dezelfde als de hiervoren genoemde, had een zoon:
Jaspar Gast, die huwde Henricksken, dochter van Willem van Hall, den zoon van den goudsmid Jacob van Hall. Hun zoon was:
Jan Gast, schoenmaker op het Hinthamereind te den Bosch, in 1580, vermeld, die huwde Margriet N., welke hem deze kinderen schonk, die in 1614 nog in leven waren (Reg. n° 339 f. 482 vso):
| a. | Jaspar, die volgt sub I; |
b. | Jenneken; |
c. | Barbara; |
d. | Catharina. huisvrouw van Jasper Jacobszn van der Dussen |
I. Japar Gast, hiervoren sub a genoemd, was in 1629 leerlooier te den Bosch en huwde met Heylken Potteye Jansdochter, bij wie hij deze kinderen verwekte:
| 538 |
| a. | Willem Gast; |
b. | Reinier Gast; deze kocht in 1637 een huis, staande te den Bosch op het Hinthamerehid aan de overzijde der Geerlingsche brug en huwde Anna Donck, die hem de navolgende kinderen schonk: |
| a. | Helena; |
b. | Jan, die huwde Maria Bode weduwe van Joris van Houbraecken; |
c. | Gerard, die huwde Catharina Boons en bij haar verwekte, behalve Geertruid Gast, de huisvrouw van Heribertus Huygermans, voornoemden: |
Jaspar Gast, koopman in wijnen te den Bosch; diens vrouw was Geertruid van Grinsven, bij wie hij verwekte de kinderen in Deel I p. 232 genoemd.
Op het huis de Zwarte Hond volgt N. waarts eerst het huis de Gulden Helm 2) en daarop het huis: De Gulden Zon.
| 539 |
| Noten | | 1. | De overige kinderen dezer echtelieden van Vechel waren Elisabeth en Margriet, de huisvrouw van Dierck van Velpe. | | 2. | Dit huis werd 30 April 1507 (Reg. n° 101 f. 161) verkocht aan den wijntavernier Jan Brantz Janszn. Diens erfgenamen of rechtverkrijgenden verkochten het in 1555 (Reg. n° 195 f. 106 vso), als wanneer het werd gezegd te staan tusschen het huis dat voorheen was van de erfgenamen van Arnd Weels en nu is van Frans van Casteren, ex uno en dat van Frans Havens ex alio, aan Hans Gijsbertszn van Amstelredam. Peter van den Endepoel, wijnkooper te den Bosch, kocht het 28 Augustus 1671 van den curator over de nalatenschappen van wijlen den bierbrouwer Govert Melisse van Roosmalen en diens echtgenoote Mayken van de Laer. |
De voorname Huizen en Gebouwen van 's-Hertogenbosch III (1910) 536-539
|
| |
|