|
Hoofdmenu
|
|
afb. Atelier Andre Schreurs, ca 1930
|
|
Pand (Schapenmarkt 1-3)
Voorgevels 3 en 1. Rechts de Minderbroedersstraat. Links verkoop van verse vleeswaren en fruit, alleenverkoop van Delft's Roem. Rechts A. Meijring, verkoop van glas, kristal, porcelein en luxe artikelen. Geheel rechts op de hoek van de Minderbroedersstraat / Pensmarkt Vroom & Dreesmann.
Bron: Stadsarchief (0000582)
~~~
Huis met gepleisterde lijstgevel, kroonlijst met consoles, geprofileerde stucwerk raamomlijstingen met kuiven. Gepleisterde zijgevel langs de Minderbroedersstraat. Achter de voorgevel bevinden zich twee panden, die in 1744 na een brand zijn gebouwd. Voordien stonden ter plaatse van het rechter pand twee huizen, waarvan de kelders met tongewelf nog aanwezig zijn.
Onder het linker pand bevindt zich ook een kelder met tongewelf en een met een houten zoldering. Vóór het huis onder de Schapenmarkt twee kelders met tongewelf. Huidige panden hebben balklagen en kapconstructie uit 1744.
Gebouw van eenvoudige doch harmonische architectuur en van oudheidkundige waarde.
Bron: Ontwerp -aanvullende - monumentenlijst voor de gemeente 's-Hertogenbosch 1977
~~~
Een grote en drie kleinere kelders, onderling verbonden en zeer authentiek (totaal ca 200 m2).
Bron: Verkennend onderzoek publieksfuncties kelders aan Markt en Pensmarkt
|
Twee paradijzen en een regenboog
Door Henny Molhuysen
Op de begane grond is één grote winkel. Als je naar de daken kijkt, lijken het twee panden. In werkelijkheid waren het ooit drie huizen. We bezoeken vandaag: Schapenmarkt 1-3.
Het hoekpand met de Minderbroedersstraat heette 't Groot Paradijs. Links ervan bevond zich 't Klein Paradijs, terwijl het pandje daarnaast De Regenboog heette. Het is hier de grens van de Markt en de Schapenmarkt. Eén van de oudst bebouwde plekken in onze binnenstad. In de zestiende eeuw woonde Robbrecht de Beeldensnyder in het Klein Paradijs; hij vroeg toen toestemming om een kelder te mogen maken. De namen van de andere panden bestonden toen ook al, want in 1579 bij het begin van het zgn. Schermersoproer stond dit hervormde gilde vóór de Regenboog opgesteld.
In de nacht van 5 op 6 mei 1744 ontstond er brand in het hoekpand. Op de zolder lagen steenkolen 'die een verschrikkelijk vuur verwekten'. Het buurpand verbrandde eveneens, want het bevatte 'veel suiker die mede sterk brande'. Eveneens ging De Regenboog in vlammen op: 'de gevel stortte neder, zonder dat iemand gekwetst werd'.
De bewoner van 't Groot Paradijs was toen zilversmid Rutger Raben. Of hij wellicht onvoorzichtig met vuur geweest is; we weten het niet. Na de brand worden zijn kinderen ook eigenaar van het verwoeste buurpand. Hierin vestigden zij een katoenwinkel, terwijl in het hoekpand de zilverwinkel gehandhaaft blijft, die later door zijn zoon Henricus Raben geleid wordt. Nog zeker een halve eeuw wordt er zilver gesmeed, want van 1790 tot 1793 is Hendrik Valkenhof hier leerling van Henricus Raben.
In 1868 stichtte A. Meijring een winkel. Hij voerde het predikaat 'Hofleverancier' en bezat ook in Tilburg een zaak. Hij is het waarschijnlijk geweest die de verschillende panden tot één winkel samenvoegde. Een dergelijke grote winkel had hij wel nodig, want hij adverteerde niet alleen met 'huis van vertrouwen' maar ook als 'Het huis der duizende kleine dingen'.
Prominent boven de toegangsdeur hing het grote schild met het wapen en de tekst 'Hofleverancier'. Na de familie Meijring werd de zaak voortgezet door Van der Kar en later Determeijer. Maar Meijring bestaat niet meer: in het voorjaar van 1971 werd een opheffingsuitverkoop gehouden. Diekman's Lederwaren (met een afdeling sportartikelen) zou daarna volgens berichten in de krant de winkel betrekken. Maar een half jaar later was er een modezaak in gevestigd: Superdam. En een modewinkel is het sedertdien gebleven.
Bij een onderzoek in de kelders kwam er een geschilderde gevelsteen met een regenboog tevoorschijn. Deze steen kreeg geen eigen plek op de oorspronkelijke plaats, maar werd gemetseld in een aparte muur met verschillende andere gevelstenen op het parkeerterrein van - toen - de Sociale Dienst in de Doode Nieuwstraat. Daar bevindt zich deze steen nog steeds, maar zou het niet beter zijn als...
Brabants Dagblad donderdag 5 oktober 1995
|
| |
|
De Regenboog, het Klein en het Groot Paradijs
Nos. 3 en 1
Zooals wij hiervoren reeds zagen staat naast het huis het Gulden Hoofd het huis, dat oudtijds genaamd was de Drie witte Rozen; het is thans genummerd 5; in 1612 werd het uit de nalatenschappen van de echtelieden Gijsbert Kuysten en Susanna van Gasteren Jacobsdochter toebedeeld aan hunne kinderen Henrick Kuysten en Jacomina Kuysten, de huisvrouw van Wilhelm van den Hovel.
Hiernaast had men voorheen staan de huizen, genaamd de Regenboog, het Klein paradijs en het Groot paradijs, op de plaats waarvan thans staat het winkelhuis van Jos. Meyring.
Voor het huis de Regenboog stond in 1579 geschaard het Schermersgilde vóór dat het ten strijde zoude trekken tegen de Katholieken van den Bosch 1). Over dat gilde deelt Van Heurn in zijne Beschrijving het volgende mede: „Het Schermersgilde werd in het jaar 1577 opgerigt; het was van korten duur, omdat 's Hertogenbosch zich twee jaaren daarna
| 501 |
met den Koning van Spanjen verzoende en de zyde der Staaten verliet; ik achte het echter der moeite waardig, tot grondiger kunde, de rede van de oprigting van dit Gilde wat hooger op te haalen; 's Hertogenbosch moet onder de steden van Nederland gereekend worden, in welken het licht der Hervorming de eerste wortelen schoot; de geschiedkundige beschryving der stad en Meyerye, door my uitgegeven, bewijst dit ten klaarsten; ik zal er derhalven niets meerer van melden; men kan er uit zien, hoe euvel dit (van Heurn bedoelt natuurlijk de verspreiding van de leer der Hervormden) by Filip, Koning van Spanjen opgenoomen werd, wat er de stad door leed en hoeveelen Hervormden de stad verlieten en, die er in bleeven, naar de gevangenissen gesleept en ter dood veroordeeld werden; hoe de stad met vreemde krijgsvolkeren, zo Spaanschen als Duitschers bezet werd en wat moedwil die er in bedreeven en eindelijk hoe het Duitsche krijgsvolk de stad verliet; kort hierna werd het Schermersgilde opgerigt om ter bescherming der stad te dienen, alzo men geen vreemd krijgsvolk wilde aannemen; toen namelijk in het jaar 1577 kwamen veele inwooners der stad, die den Hervormden Godsdienst beleeden en, om de vervolging ter zaake van dien, uit de stad geweeken waren, terug; deze maakten het Schermersgilde uit en boden zich vrijwillig aan om de stad te beschermen.
Ik denk om die rede, dat eigenlijk dit gilde of genootschap het Beschermersgilde en, by verkorting, het Schermersgilde genaamt zy.
Deeze uitgeweekene en wederom teruggekoomene burgers hadden na derzelver uitwyking uit de stad onder den Prinse van Oranje gediend en waren in de krijgskunde zeer ervaren en indien alle de burgerye ende oversten gebruik van dit Gilde gemaakt hadden, zouden zy de stad tegen allen onheil, welke haar in het vervolg overkwam, hebben kunnen verdedigen 2), maar de zaak was anders beschooren; men weiger-
| 502 |
de Staatsche bezetting in te neemen, waardoor alles te niet liep; men nam wel de geloofsvrede, door den Aartshertog Mathias van Oistenrijk en den Raad van Staaten ontworpen, gereedelijk aan, doch kort hierna ontstond er een mistrouwen tusschen de Roomschgezinden en de Hervormden, hetwelk zodaanig aanwies, dat het tot een openbaar gevegt op de markt uitbarste, waardoor het onderling vertrouwen tusschen de Roomschgezinden en de Hervormden verdween; veele van de de laatsten vlugtten uit de stad; de Regeering nam hierna de Keulsche vrede aan en verzoende zich met den Koning van Spanjen, waardoor dan het Schermersgilde te niet liep, zo dat men er naderhand niets meer van hoorde.”
Dr. Meindersma geeft echter in Taxandria XVII p. 309 over dit gilde de volgende lezing: „Spoedig nadat in September 1577 de Duitsche bezetting den Bosch, die daarvan veel te lijden had, verlaten had, werd aldaar een vrijcorps opgericht, geheeten „die Schermschoel” of „die jonghe Borst van die Schermschoel", door tegenstanders genoemd: „schelmschoel"; meestal wordt dit corps aangeduid als het Schermersgilde; kapitein er van was Symon Bacx, bijgenaamd „Cuerckenruyter”. In het vaandel van dit corps stond de beeldtenis van den H. Michael met het devies „pro aris et focis". Naar deze beeldtenis werd het korps ook geheeten „St. Michielsgilde”. De meeste zijner leden waren jongelieden, die in de voorgaande jaren buitenslands hadden vertoefd of als soldaten onder den Prins van Oranje gediend. De Hervormden hadden in dit corps hun grootsten steun. Schoockius deelt mede, dat een schrijver mr. Henricus Agylaeus schamper noemt, gladiatoriae factionis apud Sylvaeducenses dux et antesignanus"; nu de ziel was hij er zeker van."
Van Heurn gaf in zijne Historie II eene reproductie van de schilderij, welke het gevecht, dat het Schermersgilde in 1579 tegen de Katholieken van den Bosch leverde, voorstelt. Hij vermeent in zijne Beschrijving, dat die schilderij gestaan heeft op het altaar, dat vóór het huis de Regenboog werd
| 503 |
opgeslagen als op den eersten Juli in den Bosch de processie gehouden werd ter gedachtenis van de overwinning, door de Bossche Katholieken op het Schermersgilde behaald en van de daarop gevolgde vlucht der Hervormden uit die stad. Hij grondde deze meening hierop, dat gezegde schilderij van boven spits toeliep en dat van weerszijden aan de lijst er van hengsels waren, waaraan deuren van eene triptiek schenen gehangen te hebben. Deze meening is echter niet geheel juist, want blijkens R.A. van Zuylen de Stadsrekeningen II p. 1130 had Jan Roelofszoon van Diepenbeeck, glasschrijver, 20 September 1600 voor het altaar aan de Gevangenpoort die schilderij geschilderd; zij moest volgens hem voorstellen de historie van de furie, zijnde het gevecht, dat het Schermersgilde 1 Juli 1579 op de Markt van den Bosch tegen de Katholieken van die stad leverde. Zij hangt thans in de groote zaal van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noordbrabant. Het altaar, dat vóór de Regenboog geplaatst werd, was volgens van Zuylen t.a.p. blz. 1044 geschilderd door Jan van Straetsborch.
In het huis het klein Paradijs woonde in 1542 Robbrecht den beeldsnyder; het huis het Groot Paradijs werd in 1559, als wanneer het gezegd werd te staan tusschen het Spoirenstraetken en het huis van Peter de Becker, toebedeeld aan Willem Potteye Philipszoon als man Mariken, de dochter van Dirck Mathijszoon en Gertrud, de dochter van Henrick Keyts; den 7 Februari 1590 (Reg. n°. 246 f. 223) kocht Nycolaus, zoon van Herman Snelle van Swoll, de 1/2 van laatstbedoeld huis van Jan Kemp Arnoldszoon als man Christina, dochter van Henrick Albertszn en Gudula, de dochter van Philip Reynderszn Potteye en Anna, c.s.; en den 2 Juni 1644 verkocht Herman Steenhuysen het aan Jan Gijsbertszn van Geffen, wiens kleindochter Judith van Geffen weduwe van Godefroi Terbeek van Loosvelt het 5 Mei 1728 weder verkocht aan Gijsbert van Ryn, burger van den Bosch; in 1744 brak een groote brand er in uit, die zoowel
| 504 |
dit huis als de huizen het Klein Paradijs en de Regenboog verwoestte 3).
Tusschen het huis het Groot Paradijs en het aan de overzijde der Minderbroederstraat gestaan hebbend hoekhuis de Gulden tralie stond oudtijds eene poort, die toegang gaf tot het voormalig Minderbroedersklooster 4).
| 505 |
| Noten | | 1. | Van Heurn Historie II p. 121. | | 2. | Jac. van Oudenhoven t.a.p. blz. 152. | | 3. | Van Heurn Historie IV p. 75. | | 4. | Deel I p. 188. |
De voorname Huizen en Gebouwen van 's-Hertogenbosch III (1910) 501-505
|
| |
| 1995 |
Henny Molhuysen
Achter de voorgevel : Twee paradijzen en een regenboog
Brabants Dagblad donderdag 5 oktober 1995 (foto)
|
| |
|
| Onbekend |
|
|
|
|
|