De Starre mette Start (Schapenmarkt 6)
Hotel 'De Gouden Leeuw', Schapenmarkt
Op het tegenwoordige gebouw van de V & D stond vroeger het oudste hotel van 's-Hertogenbosch, "de Gouden Leeuw". Als herinnering hieraan heeft lange tijd een beeld van een Gouden Leeuw voor de deur van de V & D gestaan, totdat deze door een vrachtauto van zijn sokkel werd gereden. In de 15e eeuw was het ook een soort station voor dilligences, er stond een stal waar 34 paarden met koetsen geplaatst konden worden.
Bron: ?
~~~
De eigenaar van het sinds 1483 bestaande hotel 'De Gouden Leeuw' plaatste de vergulde leeuw op een hardstenen kolom voor zijn zaak. In dit hotel verbleven verschillende leden van Europese vorstenhuizen. In 1918 werd het hotel (vermoedelijk het oudste van Nederland) opgeheven. In de twintiger jaren werd het voormalige hotel afgebroken om plaats te maken voor een warenhuis.
Bron: 's-Hertogenbosch Monumentenstad
|
'De Molen'
Schapenmarkt 4 (midden)
Dit pand vormde met het linker buurpand één geheel. Het zijn wel twee afzonderlijke huizen geweest, die door
| 337 |
een langsmuur in het midden gescheiden waren. In de cijnsboeken wordt één perceel van 18 voet genoteerd. Waarschijnlijk geldt de cijns voor twee percelen, die samen de dubbele breedte hebben. Hendrik Folcarts van den Dyck, die ook bij 'De Keersboom' wordt vernoemd, moet een deel van het cijnsbedrag betalen. In het cijnsboek van 1573 zijn de cijnsplichtigen niet dezelfde personen als die bij het linker huis, waaruit we mogen concluderen dat de scheiding tussen de twee huizen onder één kap dan een feit is.
Bij de haardentelling van 1553 zijn in dit deel van het huis geen schouwen geteld. De inning van de 100ste penning in 1569 geeft aan dat het huis verhuurd is.
Uit bouwtekeningen en de oude afbeeldingen is een globale reconstructie te maken van het in 1929 gesloopte huis. Een dwarsmuur verdeelde het in een voor- en achterhuis. Beide bouwdelen waren onderkelderd. De kelders waren vanaf de straat en van binnen uit toegankelijk. Op bouwtekeningen uit 1899 en 1919 valt af te leiden dat er toen nog samengestelde balklagen waren. De moerbalken hebben waarschijnlijk over de breedte van de twee panden doorgelopen.
Het pand telde twee bouwlagen en een hoge zolder. De gevel is reeds besproken bij het vorige pand.
| 338 |
| Literatuur |
| | CB 1520 f 41; CB 1573 f 45; M 242; P 1569; vSvY III, 481. |
A. van Drunen, 's-Hertogenbosch van straet tot stroom (Zwolle - Zeist 2006) 337-338
|
| |
|
'De Gouden Leeuw' (1506)
Schapenmarkt 4 (rechts)
Dit pand staat op een 81 voet (= 23,30 m) breed perceel, dat volgens de cijnsboeken in één hand is. Eerst wordt Willem van Beeck genoemd als cijnsplichtige, daarna de Tafel van de Heilige Geest. Er staan in het begin van de 16de eeuw afzonderlijke huizen op het perceel. Uit de fiscale registers valt op te maken dat er zeker vier panden gestaan hebben. Met name wordt 'Inden Leeuw' genoemd. Dit is een belangrijke herberg, die reeds in de 15de eeuw bestond en tot in de 20ste eeuw heeft voortbestaan. In de loop der tijd zijn er meerdere panden aan deze herberg toegevoegd.
In 1506 wordt het omschreven als 'huis of herberg, genaamd den Gulden Leeuwe, plaats, ledig erf, achterhuis en stal met eene steenen brug'. Het uitgebreide gebouwencomplex wordt in de loop van de eeuw meerdere malen verkocht. De omschrijving verandert nauwelijks. In 1544 wordt het omschreven als 'huis de Gulden leeuwe, erf, plaats, stal en put....met een gang en poortje'. Met deze gang zal de ruimte tussen het achterhuis en dat van de rechter buur bedoeld zijn. De gang zette zich volgens bouwtekeningen tot in het voorhuis door. Het voorhuis bezat een zijhuis zodat er ruimte was voor de inpandige gang. In 1610 wordt het brede gebouw als 'twee huysen oft woningen neffens malcander staende' omschreven.
Bij de haardentelling van 1553 moet de bezitter betalen voor vijf schouwen die geteld worden voor zes met als reden: 'wesende een vuytspanning'. Een deel van het pand waarin één schouw aanwezig was, werd verhuurd. De schouwen in het achterhuis bevonden zich tegen de zijmuur. Het smallere achterhuis was onderkelderd, evenals het voorhuis dat aan de straat twee kelderingangen had. De rechter ingang moet tot een kelder onder het zijhuis behoren.
De panden hadden een hoge begane grond met een insteek, een verdieping en een hoge gemeenschappelijke kap. Deze kap ondervond schade bij de aanval op de stad in 1601. Vier schoten door het dak troffen de 'gespannen', 'strijkwormen', de 'zoldering' en de 'ribben' (kinderbinten). De voorgevel kennen we van het schilderij van het Schermersoproer. Het is een gotische stenen topgevel met een hoge pui, drie kruisvensters met halfronde ontlastingsbogen en drie smallere spitsboognissen met kleine kruisvensters in de top.
Het zijhuis aan de rechterzijde had geen eigen ingang. Op de voornoemde 17de-eeuwse schilderijen is een trapgevel weergegeven, die gezien de architectonische kenmerken, in de 17de eeuw is aangebracht.
| 338 |
| Literatuur |
| | B 1601; CB 1520 f 41v; CB 1573 f 45; HT 1553 f 9v-10; M 243; vSvY III, 481-489; Z 1505/'7; Z 1552/'53. |
A. van Drunen, 's-Hertogenbosch van straet tot stroom (Zwolle - Zeist 2006) 338
|
| |
|
'De Starre mette Start' (1552/'53)
Schapenmarkt 6
Ook dit pand stond op het 81 voet brede perceel, waarover Willem van Beeck en later de Tafel van de Heilige Geest cijnsplichtig was. In 1541 wordt Dirk van Tulden 'inden starre mette start' de bezitter. Hij moet als zodanig betalen voor drie schouwen en een brouwgetouw. Opvallend is dat ook aan de andere zijde
| 338 |
van 'De Gouden Leeuw' een bierbrouwerij was, die niet tot de herberg behoorde. Waar de stookgelegenheden zich bevonden is niet meer na te gaan aangezien het pand in 1929 zonder documentatie gesloopt is. We zijn daarom voor de reconstructie aangewezen op oude afbeeldingen en bouwtekeningen.
Het pand bestond uit een voorhuis met een smaller achterhuis. De ruimte aan de zijkant van het achterhuis zal de in 1526 vermelde gang en het bijbehorende poortje zijn geweest. Het pand bezat een kelder. Op het schilderij van de Schapenmarkt van A. van Beerstraten staat het huis afgebeeld met een trapgevel. Het vrijwel identieke 17de-eeuwse anonieme schilderij laat echter een houten gevel zien. Het telt een hoge begane grond, een verdieping en een zolder. Op de eerste verdieping zit een reeks van vensters over de volle breedte van de gevel, hetgeen op een woonfunctie duidt. Bij het bombardement van 1601 hebben twee inslagen behoorlijke schade aangericht aan gevel, dak, gespannen, strijkwormen, ribben enz. Er wordt niet vermeld of het een houten dan wel een stenen gevel was.
| 339 |
| Literatuur |
| | CB 1520 f 41v; CB 1573 f 45; HT 1553 f 9v-10; M 243; vSvY III, 481-489; Z 1506/'7 f 59v; Z 1552/'53 p 10. |
A. van Drunen, 's-Hertogenbosch van straet tot stroom (Zwolle - Zeist 2006) 338-339
|
| |
|
'De Drie Groene Kazen" (1760)
Schapenmarkt 8 (links)
Dit smalle perceel was niet met een hertogcijns belast. Ter plekke van dit huis bevond zich volgens Mosmans een steeg, 'Het Ezelenstraatje', genoemd naar het rechter buurpand. De aanwezigheid van een kelder is niet aantoonbaar, wat bij een steegje ook niet zo voor de hand ligt. Nader bouwhistorisch onderzoek naar dit steegje is door de sloop van de bebouwing in 1929 niet meer mogelijk. Voor een reconstructie zijn we aangewezen op het schilderij van A. van Beerstraten waarop het pand is weergeven met een stenen lijstgevel. Het bijna identieke anonieme schilderij uit dezelfde tijd geeft een houten gevel aan met een hoge begane grond, een eerste verdieping met een rij vensters die op een woonfunctie wijzen en een zolder met een hijsluik.
In dit pand worden in 1553 twee schouwen geteld die door de huurder betaald moeten worden. Bij de belegering van de stad in 1601 wordt het huis aan-
| 339 |
geduid als het huis van de schoenmaker Arnold van Hees, getroffen door een schot door het dak en de gespannen.
| 340 |
| Literatuur |
| | B 1601; CB 1529 f 41v; CB 1573 f 45; HT 1553 f 9v-10; M 245; vSvY III, 485. |
A. van Drunen, 's-Hertogenbosch van straet tot stroom (Zwolle - Zeist 2006) 339
|
| |
|
De Gouden Leeuw
No. 6
Dit huis is zekerlijk het oudste hotel van den Bosch, want reeds in 1483 werd Aernt die Vrieze gezegd te zijn: weert in den Gulden Leeuw aen die marct. Dirck Pels Arndszn verkocht 27 Februari 1506 (Reg. n° 101 f. 305 vso) dit huis 1), dat toen gezegd werd te zijn: huis of herberg, genaamd den Gulden Leeuwe, plaats, ledig erf, achterhuis en stal met eene steenen brug over de Dieze en met eenige andere gebouwen, staande in de Sadeleersstraat tusschen het huis van Henrick van Loon Janszn. ex uno en de huizen van Henrick Wouterszn van Bucstel, pannicida en de kramers Henrick Folcartszn van den Dyck 2) en Antonius die Wael, ex alio
| 482 |
en zich over de Dieze achterwaarts uitstrekkende tot aan de straat, genaamd Achter het wild varken, - aan Peter Colen Peterszn; daarna werd dit huis gerechtelijk uitgewonnen, naar alle waarschijnlijkheid ten laste van genoemden kooper; alstoen werd daarvan kooper Jan die Wolff Lambertszn; deze verkocht het 18 Mei 1526, als wanneer het omschreven werd als: huis, erf en plaats, staande aan de Zadelersstraat tusschen het huis van den apotheker Philips de Waveryn en van Rutger van Arkel ex uno en dat van Thomas Zeelmakers en de erfgenamen van Henrick van Kouden ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze, - aan Arnold Neysen Wouterszn, die het 4 Augustus van datzelfde jaar weder verkocht aan Willem Janszn van Haren (Reg. n° 130 f. 144 vso); deze verleende daaruit in 1535 (Reg. n° 149 f. 14) eene grondrente en toen werd het gezegd te zijn: domus, area seu hospicium, dictum in den Gulde leeuwe, ortus, vacua hereditas, domus posterior, stabulum et pons lapideus super Dyesam ibidem positus atque quaedam alia edificia, ibidem retro consistentia, sita in vico die Zadelersstraet. Elisabeth, de weduwe van genoemden Willem van Haren, verkocht 23 Februari 1544 (Reg. n° 167 f. 226) op hare beurt dat huis, hetwelk nu omschreven werd als: het huis de Gulden leeuwe, erf, plaats, stal en put, staande en gelegen tusschen het huis van Dirck van Tulden, zoon van Henrick Janszn, ex uno en dat van de kinderen van Herbert Brantz, ex alio, zich achterwaarts uitstrekkende tot aan het overig erf van haar, verkoopster en met een gang en poortje, loopende tusschen dat overig erf en het erf van genoemden Dirck van Tulden, achterwaarts uitgaande, - aan Roelof, den zoon van Daniel Daems. Diens weduwe Anna deed in 1557 afstand van den tocht, dien zij als langstlevende der echtgenoote op dit huis had, ten behoeve van hun beider kinderen Jutte, echtgenoote van Mathijs Wernerszn Mobach, Wynand, Philips 3), Catherina, Theodora en Mechteld, waarna dezen
| 482 |
het verkochten aan Peter de Gruyter Janszn (Reg. n° 196 f. 381 vso), die het ook als hotel exploiteerde 4). Tijdens dat deze dit hotel bezat logeerden er in de navolgende voorname personen: in 1567 de afgevaardigde van Philips, heer van Noircarmes 5); in 1578 de Graaf van Merode met een gevolg van 31 personen en 24 rijpaarden en 28 November 1585 de Koningsgezinde veldoverste Karel graaf van Mansfeldt.
Peter de Gruyter werd als houder van dit hotel opgevolgd door zijnen zoon Dierck de Gruyter, die de helft daarvan van zijnen vader geërfd had; de wederhelft erfde zijne zuster Cornelia, die huwde met 1° Goijart Fijnemans, wien zij schonk: Goijartken, huisvrouw van Wouter Princen en Gielisken; 2° Gerard Anthoniszn van Rijswijck, aan wien zij schonk: Anneken, huisvrouw van Marcelis Gieliszn en Barbara, huisvrouw van Jacob Janszn; deze beide laatste dochters verkochten 4 Mei 1610 (Reg. n° 251 f 426) de helft in dit huis, dat alsnu gezegd werd te zijn: twee huysen oft woningen, neffens malcanderen staende, genoempt den Gulden leeu, erve, plaetse, put ende stallinge, staande in de Zadelstraat tusschen het huis de Sterre met den staert, toebehoorende aan Goijart Scheffers, ex uno en het huis de Molen, toebehoorende aan Dirck Anthoniszn van Kessel en het erf van Lambrecht Peymans, ex alio, aan Jan, Geertruid en Barbara, de kinderen van wijlen Dierck de Gruyter voornoemd en diens echtgenoote Maryken van der Heyden. Van deze kinderen kwam de Gouden leeuw ten slotte aan het laatstgenoemde hunner, Barbara de Gruyter n.l., die 3 Mei 1629 daarbij nog aankocht van Deliana van Horssen, weduwe van den bierbrouwer Eduard of Ewout van Susteren Peterszn, eene voorkamer, staande aan de straat, genaamd Achter het oud raadhuis, met poort, middelplaats en achterhuis, welk onroerend goed hiervoren op blz. 481 noot 4 reeds is vermeld.
Barbara de Gruyter vermaakte bij haar testament van
| 483 |
21 November 1649 hare voorzegde huizen aan hare moeizegsters Elisabeth Kerpers, weduwe van den Bosschen advocaat mr. Arnold van Mil en hare zuster Geertruid Kerpers, die ze weder vermaakten aan Johannes Kerpers, woonachtig te Haarlem en Maria Kerpers. echtgenoote van Michiel Gyssels, woonachtig te Antwerpen; tijdens dat de beide voorlaatste erfgenamen of wel hare erflaatster de Gouden Leeuw bezaten, logeerde in dat hotel en wel in 1673 de Graaf (Walraad?) van Nassau met diens dienaren en paarden. Laatsgenoemde erfgenamen verkochten 11 December 1678 (Reg. n° 482 f. 144) de Gouden leeuw, die toen gezegd werd te zijn: huysinge, erve, ledige plaetse, put ende stallinge voor 34 peerden, geheiten den Gulden leeuw, staande aan de Groote Markt, tusschen het huis In den molen ex uno Oostwaarts en tusschen het huis de Star met de Staert ex alio Westwaarts en achterwaarts zich uitstrekkende tot aan de straat Achter het Stadhuis, waarin zij met een poort uitkomen, aan Reinier Plenus, agent en solliciteur-militair te den Haag, terwijl zij het huis het Roodhuis, dat in de straat Achter het Stadhuis tusschen het huis de Wijnkan (Schenkkan) en de uitgangspoort van de Gouden leeuw stond, en, zooals hiervoren reeds is medegedeeld, door Barbara de Gruyter was bijgekocht, bij dezelfde akte verkochten aan Hendrik Peymans voornoemd.
Tijdens dat Reinier Plenus het hotel de Gouden leeuw bezat logeerde 28 Mei 1696 een Prins van Denemarken erin.
Den 10 Juli 1760 werd dat hotel met het daarnaast staand huis, genaamd de Ster met de Staart, waarmede het toen reeds vereenigd was, ten laste van de erfgenamen van genoemden Plenus gerechtelijk verkocht (Reg. n° 589 f. 152 en vlgd) aan Johannes Gijsbertus Blisteng, die daarbij 17 Juli 1760 (Reg. n° 577 f. 311) van Cornelis van Lanschot nog aankocht het Roodhuis en het huisje, welke deze, als voorzegd had gekocht. Van zijne vrouw Apolonia Pantekoek had hij deze kinderen: Sophia Louisa Blisteng, die huwde met Justus Louis Jansen, predikant te Bladel en Pieter Blisteng, commies ter recherche te den Bosch; na doode van zijne voornoemde vrouw zal Johannes Gijsbertus Blistens hertrouwd
| 484 |
zijn met Wilhelmina de Booy, weduwe van Arnold van der Palm, omdat hij in 1781 met haar in ondertrouw werd opgenomen. Ook hij oefende in de Gouden Leeuw het beroep van hotelhouder uit. Den 13 April 1779 verkocht hij de Gouden Leeuw met hetgeen hij als voormeld daarbij had aangekocht mondeling aan Johannes Philip Gollner, wonende te Zalt-Bommel; deze kwam die koopovereenkomst echter niet na, weshalve hij den 6 December 1779 (Reg. n° 585 f. 393) dat hotel weder verkocht, nu aan François Halewyn, geboren en wonende te Amsterdam; het werd toen omschreven als: „het van ouds vermaarde Logement, genaamt den Goude Leeuwe, staande aan de Markt en bestaande in de huysinge, stallinge en agterhuysinge en verdere getimmertens, open plaatsen, gronden van erven, ap- en dependentien van die, daarby en aangehoorende, mitsgaders de huysing en erve agter het Stadhuys nevens de poort of uitgang van de voors. Goude Leuw daaragter gelegen, welke huysinge de Goude Leeuw, met hetgeen daarby en aan is getrokken, zig thans bevind tussen de huysen en erven, genaamt den Gouden Molen en de Drie groene kaasen, alles, zooals die door hem (Johannes Gijsbertus Blisteng) werden gebruykt en door hem gekocht zijn 10 July 1760 en en 17 July 1760”
Genoemde Halewyn, van wien wordt beweerd, dat hij tot een aanzienlijk Belgisch geslacht behoorde, oefende in de Gouden Leeuw eveneens het beroep van hotelhouder uit; hij vergrootte het nog door daarbij aan te trekken het O.-waarts daarvan staand huis de Molen, dat hij 12 Mei 1803 kocht; ook kocht hij daar nog bij aan het W.-waarts naast de Gouden Leeuw staand huis de Drie Groene kazen, dat Maria Elisabeth Schoneus in 1778 verkocht had aan haren neef Servaas Schoneus, mr. chirurgyn en pruikenmaker te den Bosch.
Tijdens dat hij het hotel de Gouden Leeuw exploiteerde verwisselde den 16 Juli 1781 Keizer Frans Jozef II van Oostenrijk op zijne rondreis door Nederland, dat hij toen bezocht onder den naam van Graaf van Falkenstein, voor dat hotel van paarden, nadat deze te vergeefs getracht had dit te doen voor
| 485 |
het Oud-Keizershof in de Postelstraat. De Kommandant der stad, de generaal-majoor Douglas, complimenteerde hem alstoen aldaar, waarbij de Keizer recht op in zijn rijtuig stond en eene groote menigte volks daarom heen zich bevond. De Keizer sprak toen met niemand anders dan met hem en de personen, welke de paarden moesten uit- en inspannen en die hij tot spoed aanmaande. De Keizer vroeg aan Douglas van welke nationaliteit deze was; toen hij daarop antwoordde, dat hij een Schot was, zeide de Keizer hem: dan zijt gij een vijand van uw vaderland (daarbij bedoelende op den oorlog tusschen de Republiek der Vereenigde Nederlanden en Engeland), waarop Douglas weder antwoordde; dat dit eene moeielijke zaak voor hem was, doch dat men in Nederland algemeen hoopte, dat de tegenwoordigheid van den Graaf van Falkenstein den vrede zeer zoude bevorderen; deze gaf toen op zijne beurt ten antwoord: dat eene zaak lichtelijk in de war komt, maar dat het niet zoo gemakkelijk is eene zoo verwarde zaak te ontwarren; dit alles werd in het Fransch gezegd. Zoodra waren niet de versche paarden aangespannen of het rijtuig van den Keizer keerde om en reed deze daarna, nog steeds daarin op staande en het volk minzaam groetende, onder een algemeen gejuich door de Vughterstraat naar Vught en vervolgens over Valkenswaard, alwaar de valkeniers hem met hunne valken tegemoet gingen en daarmede eenen reiger vingen, naar Achel. Jozef II was bij zijne reis door den Bosch gekleed in eenen parelkleuringen rok en vest, waarover hij eenen witten klepmantel droeg; eene witte muts had hij op het hoofd. Het was toen hij den Bosch bezocht 262 jaren geleden, dat een Duitsche Keizer in die stad kwam, want na 15 Juli 1515, toen Keizer Karel V aldaar als Hertog van Brabant werd gehuldigd, was er geen Duitsche Keizer meer geweest.
Na Jozef II hielden de vorstelijke personen, die den Bosch kwamen bezoeken, gedurende eenige jaren niet meer voor den Gouden Leeuw stil. Zoo verwisselden 14 Augustus 1781 de Gemalin van den Erf-stadhouder Willem V, toen zij
| 486 |
met hare dochter Prinses Louisa op hare reis van den Haag naar Eindhoven in den Bosch aankwam, voor het Oud-Keizershof van paarden; zij werd toen daar gecomplimenteerd door den Kommandant, Pensionaris en de Regeering der stad; den 27 Augustus d.a.v., op hare terugreis van Eindhoven naar den Haag, verwisselde zij weder voor dat logement van paarden; toen werd zij begroet door het leger en de Regeering der stad. Hetzelfde deden 20 Juli 1782 de Grootvorst en Grootvorstin Paul van Rusland, toen dezen onder den naam van Graaf en Gravin van het Noorden in den avond van dien dag op hunne reis van Utrecht naar Eindhoven in den Bosch aankwamen, want ook zij verwisselden voor het Oud-Keizershof van paarden en namen er zelfs gedurende eenige oogenblikken hunnen intrek in. Zij waren met een aanzienlijk gevolg en met vele rijtuigen, waarvoor in het geheel 60 paarden gespannen waren, in den Bosch gekomen, nadat de Gouverneur dier stad hun in eene charette, bespannen met 6 paarden, tot Hedel was tegemoet gereden. De Grootvorstin, die eene Prinses van Wurtemberg was, was eene vrouw van buitengewone schoonheid, zoodat vele Bosschenaren verklaarden nooit eene mooiere vrouw te hebben gezien. Zij en haar gemaal vervolgden eveneens hunne reis door Valkenswaard, alwaar de valkeniers met hunne valken hun ook te gemoet gingen.
In 1791 nam weder een vorstelijk persoon zijnen inintrek in de Gouden Leeuw, want toen de Erfstadhouder Prins Willem V in den avond van 25 Juni van dat jaar in den Bosch kwam, logeerde hij, die in de jaren 1788 en 89 zijnen intrek had genomen in het Statenlogement of Keizershof, in dat hotel, alwaar alstoen eene commissie uit de Stedelijke Regeering, den Kerkeraad en de Leen- en Tolkamer hem kwam begroeten. Het avondmaal gebruikte hij toen bij den kommandant der stad Douglas in gezelschap van vele officieren van het garnizoen en eene commissie uit de Regeering der stad. Den volgenden avond had hij echter de hoofdofficieren van het garnizoen in de Gouden Leeuw bij zich op het souper, waarna hij in den vroegen
| 487 |
morgen van den daarop volgenden dag naar Geertruidenberg vertrok. Den 12 Juni 1792 kwam hij uit die stad weder in den Bosch, alwaar hij andermaal in hotel de Gouden Leeuw zijnen intrek nam en er twee dagen verbleef; den eersten avond soupeerde hij toen bij den Gouverneur, den Prins van Hessen Philipsthal, bij wien hij ook de volgende dagen dineerde en den 15 Juni d.a.v. vertrok hij naar den Haag.
Na het herstel onzer onafhankelijkheid logeerde menigmaal een lid van ons vorstelijk huis in dat hotel.
In het jaar 1809 werd, zooals wij reeds zagen, erin opgericht de Nieuwe societeit; zij hield reeds in 1820 op te bestaan.
François Halewyn voornoemd had van zijne vrouw Alida Maria Kuyper een zoon Hendricus Jordanus Halewyn, alsmede een zoon, Jan Ernestus Halewyn. Deze laatste zette de hotelzaak in dit huis voort en had van zijne vrouw Hendrika Wilhelmina van Vugt 6) een zoon Theodore Halewyn, die ook de hotelzaak in dit huis dreef; deze liet het na aan den tegen woordigen hotelhouder François Halewyn, geboren uit zijn huwelijk met Maria Henrica Verhulst; deze laatste vergrootte zijn hotel andermaal door er het huis de Drie groene Kazen bij aan te trekken.
Het meergezegd huis, geheeten de Ster met de staart, was in 1541 (Reg. n° 158 f. 261 vso) door Dirck van Tulden, zoon van Henrick Janszn, gekocht van Hubertus, zoon van Henrick Janszn van Loon, genaamd van den Moelengrave; van Jan, Cornelis, Johanna, Anna en Maria, kinderen van Martinus, den zoon van Jan van Loon, genaamd van den Moelengrave en van Zeger, Henrica, Mechteld en Katherina, kinderen van Mathijs Zegerszn en Anna, de dochter van Henrick Janszn van Loon voornoemd. Genoemde Dirck van Tulden had van zijne vrouw Richmoedis, de dochter van Gerard Gerardzn, de navolgende kinderen, over wie in 1561 voogden waren de verver Henrick van Tulden en Jan, de zoon van Gerard Gerardszn: a. mr. Gerard, rentmeester van den Bosch en man van
| 488 |
Anna van Arckel Jacobsdr; b. Elisabeth, echtgenoote van Dirck de Gruyter Janszn en c. Peter van Tulden; zij verkochten dat huis in 1570 (Reg. n° 219 f. 402) aan Alexander Dirckszn van Horssen. In 1610 behoorde het aan Goijart Scheffers, als zijnde gehuwd met Hilleken, de dochter van genoemden Van Horssen; deze echtelieden hadden eene dochter Elisabeth Scheffers, die dit huis erfde en huwde met Jan Peymans, den zoon van Lambrecht voornoemd, wien zij schonk eene dochter Maria. De vader van deze laatste, alsmede haar voogd Johan Anthoniszn Scheffers verkochten dat huis na doode harer moeder den 16 November 1657 (Reg. n° 413 f. 71 vso) aan Christoffel Thomaszn van de Graeff.
In het jaar 1806 waren in den Bosch behalve de Gouden leeuw voorname logementen: het Oud Keizershof in de de Postelstraat; de Eenhoorn in de Karrestraat; de Zwaan op de Pensmarkt; het Hof van den Keizer op de Oude Vischmarkt; de Wildeman, staande tegenover de Oude Vischmarkt ter plaatse waar thans de Vischstraat naar de Stationsbrug loopt; de Valk (de kleine witte) in de Lepelstraat; de Klok in de Karrestraat; de Stormhoed in idem; het Hoefijzer in idem; de Drie hoefijzers op den Vughterdijk; de Drie pauwkens op idem; het Groenhuis op idem; de Vier heemskinderen in de Vughterstraat; In de Tarton in de Hinthamerstraat en In de stad Osch in idem.
| 489 |
| Noten | | 1. | Uit dit huis ging alstoen een cijns ten behoeve van de kinderen van Jan Pels Gijselbertszn. | | 2. | Hij verhuurde 23 November 1509 (Reg. n° 104 f. 295 vso) aan Ermgard, weduwe van Goijart Dicbier, een huis, erf en plaats en eene daarvoor staande poort, staande, zooals het daarin heet, Achter het wild varken tusschen zijn ander erf ex uno en dat van het huis, genaamd In de gulden leeuwen ex alio. De dochters van Folcart Henrickszn van den Dyck, zijnde Soetken, echtgenoote van mr. Willem van Reys, raad van den Bosch en Geertruid, huisvrouw van Paulus van Gerwen, verkochten dat onroerend goed aan Huybrecht Henrickszn van Liebergen, waarna de kinderen, die deze had van Jenneken N., met namen Henrick, Jacob, Jan en Aelken, huisvrouw van Joris Goyartszn van der Heyden, het 26 Maart 1610 (Reg. n° 279 f. 338), als wanneer het was: eene voorkamer aan de straat met eene poort, middelplaats en achterhuis, staande Achter het oud raadhuis tusschen het erf van den Keersboom, ex uno en het huis van den tinnegieter Zeger Adriaanszn de Ruyter, ex alio, verkochten aan den harnasmaker Johan Christiaens. | | 3. | Zijne dochter Anna huwde met Jan Lambertszn Millinck en werd in 1623 vermeld. Maandbl. Nederl. Leeuw 1911, p. 28, 90 en vlgd. | | 4. | Men zie over hem Prosp. Cuijpers t.a.p. blz 368. | | 5. | Prosp. Cuijpers t.a.p. blz. 233. | | 6. | Haar tweede man was Johannes Chevalier. |
De voorname Huizen en Gebouwen van 's-Hertogenbosch III (1910) 482-489
|
| |
| 1909 |
A.F.O. van Sasse van Ysselt
Het Bossche hotel De Gouden Leeuw
Taxandria (1909) 270-272
|
| 1997 |
Henny Molhuysen
Verdwenen stadsbeelden. Van befaamde herberg tot modern warenhuis
Brabants dagblad donderdag 16 oktober 1997 (foto)
|
| |
| 1577 |
Kapittel 20.
De Graaf van Merode komt met familie en gevolg binnen 's Hertogenbosch, hij wordt in den Gouden Leeuw gehuisvest, waarvan de Regering de kosten betaald.
Bron: Stads Rekeningen van het jaar 1577-1578. Deel 2, blz 954
|
| 1585 |
Kapittel 16.
De Graaf van Mansfelt komt andermaal in de Stad en neemt zijn intrek in den Leeuw.
Bron: Stads Rekeningen van het jaar 1585-1586. Deel 2, blz 1059
|
| 1601 |
Kapittel 15.
De Graven Frederik en Hendrik van den Bergh bij Peter de Gruijter in den Gouden Leeuw gehuisvest.
Bron: Stads Rekeningen van het jaar 1601-1602. Deel 2, blz 1143
|
| 1623 |
Kapittel 22.
De paarden van Graaf Hendrik van den Bergh en die zijner pages, in het logement den Gouden Leeuw gestald.
Bron: Stads Rekeningen van het jaar 1623-1624. Deel 2, blz 1307
|
| |
|