|
Het huis, genummerd 16 en 14
|
Tusschen het laatstbeschreven huis en dat, genummerd 16, staan twee huisjes, waarvan, zooals wij hiervoren reeds zagen, het eerste wellicht eens toebehoorde aan Cornelis Dicbier; een daarvan behoorde in elk geval eens aan de op blz. 446 genoemde Christina Kethelaer Aelbertsdochter, weduwe van Mathijs van Tephelen.
Het daarop volgend huis, zijnde dat, thans genummerd Peperstraat 16 en 14, staat ter plaatse, alwaar oudtijds drie huizen zich bevonden.
Het eerste van die huizen werd door Jan van Berkelaer Adriaanszn als man van Barbara, dochter van Henrick 's Graets en Elisabeth van Broeckhoven Woutersdochter, c.s., verkocht aan Arnold Voegels Arnoldszn; het werd toen gezegd te zijn: huis, erf, plaats en achterhuis, staande tusschen de huizen van Henrick van Engelen Jacobszn. Genoemde Voegels verkocht het 15 Januari 1546 (Reg. n°. 173 f. 76 vso), als wanneer het gezegd werd te staan tusschen het huis van mr. Willem van den Bosch, priester, ex uno en dat van Nicolaas de Quade van Ravesteyn ex alio, aan Jeronimus, zoon van Arnold Henrickszn, die het op zijne beurt 7 Mei 1552 (Reg. n°. 185 f. 238) verkocht aan Rutger, zoon van Dirck Roelofszn; de erfgenamen van dezen en diens vrouw, zijnde: Peterken de Greve genaamd Vlemmings, weduwe van Reynier Pottey en dochter
| 449 |
van Peter de Greve genaamd Vlemmings en Catharina, de dochter van Peter Nicolaaszn van Bergen; Jan Janszn als man van Jenneken, dochter van Peterken en Reynier voornoemd en Peter, zoon van laatstgenoemde echtelieden, allen als erfgenamen van Femme, dochter van Peter Nicolaaszn van Bergen en weduwe van genoemden Rutger, zoon van Dirck Roelofszoon, voor de eene helft, en Adriaan, zoon van Albert Geritszn als man van Adriana en Adriaan Lambertszn als man van Elisabeth, dochters van Dirck Henrickszn; Barbara, dochter van Henrick Dirckszn; Margaretha, dochter van Willebrord van Spaendonck en Elisabeth, de dochter van Dirck Henrickszn; Jan, Roelof en Peter, zonen van Jan Janszn van den Bichelaer en Johanna, de dochter van Jan Dirckszn; Gijsbert, zoon van Michiel Joosten en Maria, de dochter van Jan Janszn en Johanna laatstgenoemd; Johanna, dochter van Jan, den zoon van Jan Dirckszn en Christina, de dochter van Gerard van den Putte en Adriana, de dochter van Jan Dircksz, allen als erfgenamen van meergenoemden Rutger, den zoon van Dirck Roelofszn, voor de andere helft, verkochten 25 Mei 1583 (Reg. n°. 239 f. 175) dit huis aan mr. Peter van den Bosch, priester. Van hem erfden het Johanna, dochter van Dierick, den zoon van Henrick Dierickszn en haar man Maarten van Emmerick Janszn, die het 13 Februari 1626 verkochten aan heer en meester Andries Toelincx, priester en beneficiaat der St. Janskerk te den Bosch, zoon van Roeland Aartszn, kramer en koopman aldaar en Anneken Vos Jansdr: van dezen erfden het zijne zusters, zijnde: a. Jenneken Toelincx, echtgenoote van Jan van Niel, den zoon van Quirijn en Emerentiana van Ludick Andriesdochter en b. Elisabeth Toelincx, huisvrouw van Frans Joostzn Custers, alsmede zijn broeder Jan Toelincx; deze laatste transporteerde 3 April 1634 het door hem geërfd één derde deel aan zijnen genoemden zwager Jan van Niel, die daarop 26 Februari 1639 (Reg. n°. 375 f. 86 vso) met zijnen zwager Frans Custers, deze zoo voor zich en als vader over zijne onmondige kinderen, dat huis, hetwelk alstoen gezegd werd te grenzen Oude
| 450 |
Diezewaarts aan het huis van Anna van Hambroeck en Kerkwaarts aan het na te melden, verkocht aan mr. Cornelis van Cuyck, toen wethouder van den Bosch, later advocaat-fiscaal bij den Raad en Leenhof van Brabant te den Haag.
Het tweede der hierbedoelde huizen werd 4 November 1541 (Reg. n°. 352 f. 410) door heer en meester Henrick Loeckemans, priester en beneficiaat der St. Janskerk te den Bosch, zoon van mr. Henrick Corneliszn; door Wouter, zoon van Dirck Janszn en door Jan van Berkelaer Adriaanszn, in hunne hoedanigheid van executeurs van het testament van Catharina, dochter van wijlen Jan van der Leest Gijsbertszn en huisvrouw van Henrick van Engelen Jacobszoon, verkocht aan Nicolaas de Quade, zoon van wijlen Jan van Ravesteyn 1). Van dezen erfden het zijne kinderen Margriet en Aerd de Quade van Ravesteyn, welke laatste als erfgenaam zijner zuster daarvan ten slotte de eenige eigenaar was. Hij schijnt dit huis tot woning zijner dienstmeiden te hebben doen strekken, vermits het in eene Bossche Schepenakte van 3 Augustus 1626 heet het huys der maechden van Ravensteyn.
Aerd de Quade van Ravesteyn voornoemd deed dit huis 2 September 1626, als wanneer hij te Vlijmen woonde (Reg. n°. 352 f. 409 vso), verkoopen door Assuerus of Sweder van Wjmbergen, die in tweeden echt gehuwd was 2) met zijne dochter Elisabeth, geboren uit zijn huwelijk met Hesther van der Stegen, dochter van Nicolaas van der Stegen Senior, raad van den Bosch, den zoon van mr. Jan. Kooper werd toen mr. Everard van Ravesteyn, priester, officiaal van het Bisdom van den Bosch en kanonik graduaal der St. Janskerk aldaar.
| 451 |
|
Deze was de zoon der echtelieden Jan Everardszn van Ravesteyn en Adriana Suerincx Boudewijnsdochter, die een huis, het Gulden Klaverblad genaamd, staande in de Vischstraat te den Bosch, bezaten 3) en behalve hem deze kinderen hadden (Reg. n°. 316 f. 99):
a. Gatharina 4), de huisvrouw van 1° Peter Willemszn van Heeswyck; 2° Balthasar Donckers, lakenkoopers te den Bosch;
b. Geertruid, de echtgenoote van Anthonis Herincx.
c. Henrica, die stierf 1615; zij huwde met Jan van Velpe, geboren te St. Michielsgestel uit het huwelijk van Thomas Wouterszn en Maria van Boecop (de dochter van Theodorus en Catelijn van den Gevel), welke laatstgenoemde echtelieden te St. Michielsgestel in de kerk begraven werden. Hij stierf Januari 1630 en had van zijne genoemde vrouw deze kinderen: 1. Thomas, geboren te den Bosch 1598, h. 1624 Anna Pottey 5), dochter van Philip en Anna van Bladel; (zij hertrouwde na zijnen dood met Andries van Beugen Janszn, die daardoor stamvader werd van de Bossche van Beugen's en van Emmerick's); 2. Jan; 3. Dierck, die huwde met Margriet van Vechel Joostdochter; 4. Gijsbert; 5. Boudewijn; 6. Geertruid en 7. Catharina van Velpe.
Genoemde mr. Everard van Ravesteijn verkocht 12 December 1636 (Reg. n°. 374 f. 40) het hierbedoeld huis aan zijne zuster Catharina, die het reeds 19 Mei 1638 (Reg. n°. 374 f. 507), als wanneer het werd omschreven als: „eene huysinge, erve, ledich plaetsken ende twee sydele achterhuysingen," weder verkocht aan genoemden mr. Cornelis van Cuyck; deze maakte van dit en het eerstgezegd huis één enkel huis, dat hij 30 October 1643, na zijne benoeming tot advocaat-fiscaal, (Reg. n°. 388 f. 58); verkocht aan Thomas van Roye, meester en rector van het Groot Ziekengasthuis te den Bosch; deze kocht 24 October
| 452 |
1647 (Reg. n°. 394 f. 21) nog bij dat huis, zoogenaamd om het te vergrooten, van Pieter Schuyl in diens hoedanigheid van rentmeester der geestelijke goederen te den Bosch:
Het derde der hierbedoelde huizen, hetwelk was een huisje, dat vóór de reductie van den Bosch in 1629 had toebehoord aan de Beneficiaten der St. Janskerk aldaar, doch na die reductie, als zijnde geestelijk goed, door den Staat was geconfisqueerd en daarna door denzelve ter bewoning was afgestaan, eerst aan den Hervormden predikant Lemannus, daarna aan den Hervormden predikant Kuchlinus. Het werd bij den verkoop van 1647 gezegd te zijn: seecker geestelijck huyshen, daer den voorleser inwoont, staande tusschen het voorschreven tweede huis en seecker ander geestelijck huysken.
Van Thomas van Roye voornoemd werden de beide laatstbedoelde door dezen gekochte huizen geërfd door zijne dochter Catharina van Roye, echtgenoote van Rutger Tulleken, schepen van den Bosch (zoon van Rutger en Francina de Leeuw). Na hun overlijden werden die 24 November 1702, bij scheiding en deeling hunner nalatenschappen, welke alstoen ten overstaan van den Bosschen notaris Theodorus van Asten plaats had (p. 299 van zijn Protocol) toebedeeld aan hunnen zoon, ook Rutger Tulleken genaamd; deze was kolonel in Staatschen dienst en, na de verovering van Gibraltar door de Nederlanders en Engelschen, kommandant van het Nederlandsche garnizoen van die stad, alwaar hij stierf en bij den berg Jupiter begraven werd. Hij huwde met Maria Mechteld Elisabeth van Laer, dochter van Joan en Johanna Maria van Eenschaete tot den Oldenhof, welke hem deze kinderen schonk: Rutger Tulleken, kolonel der Infanterie en Louisa Christina Tulleken, de vrouw van Louis François Bosc de la Calmette, kolonel der Infanterie en majoor-kommandant van Deventer; deze kinderen verkochten 28 September 1733 (Reg. n°. 556 f. 209) de beide laatstbedoelde huizen aan Hendrik van Lidth de Jeude, heer van Gansoyen en luitenant-kolonel; zij werden toen omschreven als huis, erf en tuin met zomerhuisje, staande in de Peperstraat, thans bewoond door den
| 453 |
kapitein Mackay en een klein huisje daarnaast, zijnde die beide huizen begrensd ex uno door het huis der erven Theodorus Storm en ex alio door het huis van Dr. Cornelis van Blotenburg; blijkbaar zijn die daarop door laatstgenoemden kooper tot één verbouwd, omdat, toen zij ten laste van dezen gerechtelijk werden verkocht, zij reeds één gebouw vormden.
De eerste vrouw van Hendrik van Lidth de Jeude was Agneta Knips; zij overleed in 1726, hem nalatende deze kinderen: a. Dymphna, geboren te Bergen op Zoom 29 Juli 1717; b. Jan, geboren te Bergen op Zoom 17 November 1719, stierf als cadet in 1735; c. Cornelis, geboren te Dongen 29 December 1720; d. Thomas, burgemeester van Delft, geboren te Dongen 25 November 1725, liet slechts dochters na; e. Johanna, geboren te Dongen 8 December 1726, huwde met Frans Rigail.
Hij hertrouwde in 1731 met Adriana Lydia van Hamel, op blz. 430 reeds genoemd, weduwe van mr. Mathias de Vlamingh, oud-schepen van den Bosch; zij schonk, evenmin als aan haren eersten, aan haren tweeden man kinderen.
Den 12 September 1735 ging hij in de Capucijnenkerk te Meersel met zijne kinderen Dymphna en Cornelis tot den Katholieken godsdienst over; hij nam om die reden zijn ontslag uit den Staatschen dienst 6) en vestigde zich daarna te Antwerpen metterwoon. Hun overgang tot de Katholieke Kerk werd door de Protestansche Overheid op de Bossche Katholieken gewroken door hun bedehuis In de Boerenmouw, dat door Capucijnen bediend werd, te sluiten; te vergeefs wendde de Landvoogdes der Zuidelijke Nederlanden, Maria Elisabeth, namens den Keizer van Oostenrijk, zich tegen die sluiting tot de Staten Generaal; haar verzoek tot opening werd toch bij hunne Resolutie van 19 October 1736 gewezen van de hand, evenals dat van den Staatsraad te Brussel, die zijne bemiddeling had aangeboden 7). Maar ook Hendrik van Lidth de Jeude
| 454 |
moest voor zijne geloofsverandering boeten en wel door den verkoop van zijn huis in de Peperstraat, zooals blijkt uit den navolgenden inhoud eener Bossche Schepenakte van 13 Dec. 1737 (Reg. n°. 557 f. 376): Ingevolge accoord, gesloten tusschen Dina van Alphen wed. Johan Knips, wonende te Leiden, als grootmoeder-maternel van de onmondige kinderen, nagelaten bij wijlen hare dochter Agneta Knips, verwekt door Hendrik van Lith de Jeude, geweest zijnde luitenant-kolonel, impetrante van executie en gijzeling ter eenre, en den curator aangesteld om te representeeren genoemden Hendrik van Lith de Jeude, zich thans ophoudende te Antwerpen, geëxecuteerde en gegijzelde ter andere zijde en door den gemachtigde van Dina van Alphen wed. van genoemden Johan Knips wordt verkocht aan Thomas Coets, drossaard der heerlijkheid Berlicum: „een op nieuws getimmerde moderne huysinge, stal, coetshuys en tuyn, sijnde te voren geweest twee huysen, staande aan de Peperstraat, zuyd huys van Theodorus Storm ex uno, Noord huys der erven Dr. Blotenburg, ex alio, zich uitstrekkende enz., den voors. Lith de Jeude in eigendom gecompeteert hebbende”. De Staten van Brabant en de Schepenen van Antwerpen hebben daarop het verlies, dat van Lidth de Jeude wegens zijnen overgang tot de Katholieke kerk kwam te lijden, vergoed door op 26 Juni 1736 de navolgende besluiten te nemen: Myne Heeren geinformeerd zijnde, dat sekere heer van Lidth de Jeude, gewesen lieutenant-colonel van dragonders in dienst der heeren Staeten van Holland, dezelve zyne charge geabbandonneerd heeft om te amplecteren de roomsche catholique religie met zyne familie, ende alsoo alles ter dier oorsaecke geabbandonneerd hebbende, alhier is commen nederslaen met zijn kinderen, hetwelck door de heeren Staeten van Brabant geconsidereert sijnde, soo is 't dat deselve heeren Staeten tot volherdinge van zijn loffelijck voornemen aen hem vergunt hebben een pensioen van ... Ende myne heeren burgmeesteren ende schepenen niet minder in aendacht nemende de vervoorderinge van de roomsche catholycke religie, hebben op het bovenstaende exempel aen
| 455 |
hem insgelijkx tot zijne subsistentie toegevoeght een pensioen van hondert gulden 's jaers, uit de vierhondert ter dispositie van mijnheere jaarlijckx staende ende dat deze betalinghe soo lange zal geschieden tot wederroepen toe.
Dymphna van Lidth de Jeude voornoemd trad in 1736 in de orde der Ursulinnen te Antwerpen en overleed in het klooster dier orde aldaar in 1788; haar broeder Cornelis huwde in die stad Johanna Francisca Lis en werd daardoor stamvader van den Katholieken tak der van Lidth de Jeude's, die 26 Maart 1856 door den Koning van België in den adelstand verheven werd.
Thomas Coets, die, als gezegd, door koop eigenaar was geworden van het hierbedoeld huis, had tot vrouw Maria Thyssen weduwe van Francis Velters, griffier van 's-Hertogenrade, die haar had geschonken een kind, Daniel Velters geheeten. Na haren dood verkochten hij en de voogden van dit kind den 29 Mei 1742 (Reg. n°. 563 f. 73) dat huis aan mr. Willem Cornelis Ackersdyck 8), die, zooals wij hiervoren blz. 338 noot 2 reeds zagen, zoon was van mr. Henrick, raad van den Bosch en Maria Chatvelt, welke echtelieden met elkaar in 1690 gehuwd waren. Hij was schepen van den Bosch en aldaar in 1725 getrouwd met Maria Adriana van Eck, welke van hare ouders geërfd had het Pastoryehuys, staande bij de Hervormde kerk te Berlicum (bij den Bosch) midden in het goed der Douairière van Borssele; haar man verkocht het 20 Januari 1731 voor Schepenen van den Bosch aan de gemeente Berlicum om te dienen tot eene pastorie voor den Hervormden predikant aldaar. Zijne vrouw schonk hem deze kinderen:
a. Hendrik Jacob Ackersdyck, gedoopt te den Bosch 19 Februari 1727, stierf aldaar ongehuwd 21 Juli 1788;
b. Mr. Cornelis Lambertus Ackersdyck, gedoopt te den
| 456 |
Bosch 19 October 1728, huwde aldaar 1756 Anna Maria Emilia Mobachius Quaet;
c. Maria Elisabeth Ackersdyck, gedoopt te den Bosch 18 Maait 1733, stierf ongehuwd, erfde van haren vader het hierbedoeld huis;
d. mr. Willem Cornelis Ackersdijck, president-schepen van den Bosch, gedoopt aldaar 7 Jan. 1735, stierf aldaar in 1796. Hij schreef in verschillende tijdschriften verscheidene bijdragen over oudheidkundige onderwerpen, o.a. over de valkenjacht te Valkenswaard en Waalre. Zijne vrouw was Anna Francken, dochter van Pieter en Agatha de Gyselaer, die hem o.a. schonk:
1°. mr. Willem Cornelis Ackersdyck, advocaat te en secretaris van den Bosch, geboren aldaar 12 December 1760, werd in 1794 tengevolge van de verandering van de Regeering der stad den Bosch uit zijn ambt van secretaris dier gemeente ontzet, bleef sedert dien ambteloos burger aldaar tot het jaar 1806, als wanneer hij naar Utrecht verhuisde, alwaar hij in 1813 vrederechter werd. Hij schreef tal van verhandelingen over Noordbrabant's Geschiedenis, o.a. over de rivier de Dommel; het nageslacht van den Mentzischen boekdrukker Scheffer; Henricus Agylaeus; Jacobus Focanus, in de 17e eeuw leeraar der Hervormden te Vught; de benamingen van Bergen op Zoom en Someren; de ontdekking van een kampleger of begraafplaats te Deurne; de onbebouwde gronden in N.Brabant; Fughte en Rumelo; Herman de Ruyter; Bladel; Taxandria; Lommel; het privilegium Trinitatis; de Rederijkerskamers te den Bosch; de gruit, enz.; ook maakte hij tal van aanteekeningen op het werk van Steph. Hanewinkel Geschied- en Aardrijksk. Beschrijving der stad en Meierij van 's Bosch 9). Hij stierf te Rotterdam 6 Februari 1843. Zijne vrouw was Maria Cornelia Bowier, die hem schonk:
a. Anna Ackersdyck, gedoopt te den Bosch 5 Sept. 1784;
b. Willem Cornelis Ackersdyck, gedoopt alsvoren 4 Juli 1787;
| 457 |
|
c. mr. Jan Ackersdijck, hoogleeraar in de staathuishoudkunde, eerst te Luik en daarna te Utrecht, geboren te den Bosch 22 October 1790, stierf 1861; zijne vrouw was Maria Anna Walterthum, die hem twee dochters schonk, van welken Maria Josephina huwde met professor mr. G.W. Opzoomer en Maria Cornelia met den kapitein Henri Ferdinand Borel;
d. Henrietta Maria Ackersdyck, gedoopt alsvoren 9 Mei 1792, huwde met mr. Adam Schadee.
2°. Petronella Johanna Ackersdijck, die hieronder volgt;
3°. mr. Hendrik Jacob Ackersdyck, secretaris van den Bosch, gedoopt aldaar 15 Januari 1773, overleed aldaar 7 Januari 1827; hij huwde Anna Maria Gerbade, gedoopt aldaar 23 September 1774, dochter van Hermanus en Agatha van Heurn.
Petronella Johanna Ackersdijck, hiervoren sub 2° vermeld 10), gedoopt te den Bosch 25 Maart 1770, erfde het hierbedoeld huis van hare voornoemde tante Maria Elisabeth Ackersdijck; haar man was mr. Lodewijk Willem Ernest van Heurn, advocaat te den Bosch, die het 5 Augustus 1807 verkocht aan Maurits Jan Willem de Milly kapitein in garnizoen te den Bosch, alwaar hij in 1833 stierf en aan diens echtgenoote Alexandrine Marie Jeanne Sophie barones de Jaussaud de Grand Clary 11); zij was erfdochter van den Grooten Ruwenberg en dochter van Paul Scipion en Antonia Erbervelt, welke laatste 23 December 1802 tijdens zijn huwelijk met hem dat adellijk goed gekocht had. Antonia Erbervelt voornoemd zal de dochter geweest zijn van Daniel Jakob en Margaretha Nolthenius, de dochter van mr. Anthony Nolthenius en Catharina Nagelmaeckers.
In 1846 werd het onderwerpelijk huis gekocht door Henricus van Lanschot, die het in het volgend jaar geheel deed verbouwen door den Brusselschen architect Partous; na
| 458 |
zijn kinderloos overlijden erfde het zijn oomzegger mr. Henri van Lanschot, burgemeester van den Bosch, van wien het wederom erfde diens zoon mr. Frans van Lanschot, griffier bij het Kantongerecht te den Bosch, die het thans nog bezit.
Het huisje, dat thans nog naast voorbedoeld huis staat, is afkomstig van den kanonik Aert van Aecken, die daarvan eene geestelijke stichting maakte en daarom werd het na de reductie van den Bosch in 1629 geconfisqueerd. Den 1 April 1681 verkocht Rogier baron van Leefdael, heer van Deurne, als rentmeester der episcopale en andere geestelijke goederen in de Stad en Meierij van den Bosch het aan Johannes van Irrhoven en den 28 Mei 1757 werd het ten laste van Hendrik van Onna gerechtelijk verkocht aan Gerardus van Ceulen, mr. lintwerker te den Bosch, van wien het erfde diens dochter Catharina van Ceulen; in 1807 behoorde het aan Jan de Bergh, secretaris en notaris te den Bosch.
Het huis, dat naast laatstgezegd huisje stond en in 1909 door Mevr. de Wed. van Zinnicq Bergmann-Verheyen afgebroken en door een ander vervangen is, was het huis genummerd 10.
| 459 |
| Noten | | 1. | Jan, de zoon van Marcelis de Quade van Ravesteyn; Marcelis, zoon van Petrus, den zoon van genoemden Marcelis; Jan, zoon van Wouter Janszn, als man van Adriana, dochter van Willem, den zoon van meergenoemden Marcelis, droegen in 1538 voor Schepenen van den Bosch (Reg. no. 153 f. 236 vso) aan de dochters van den dikwerf genoemden Marcelis en diens huisvrouw Heylwich, dochter van Petrus Hacke, zijnde Margaretha en Mechteld, huisvrouw van Dirck de Haen Janszn, over de goederen, door hen geërfd van genoemde echtelieden Marcelis en Heylwich. | | 2. | In eersten echt was hij gehuwd met Johanna van der Stegen, weduwe van Frederick van Herlaer en dochter van Nicolaas v. d. Stegen Jr. | | 3. | Henrick Gerardszn van de Grave had het aan bovengenoemde Adriana Suerincx vermaakt (Reg. no. 316 f. 99 en vlgd.). | | 4. | In andere schepenakten wordt zij gezegd de dochter van Anthonis Herincx te zijn. | | 5. | Zij zijn de stamouders der Bossche van Velpe's. | | 6. | Had hij het niet gedaan, dan had hij wegens zijne geloofsverandering zijn ontslag gekregen, zooals blijkt uit J.C.A. Hezenmans 's Bosch p. 387. | | 7. | J.C.A. Hezenmans s Bosch p. 380. | | 8. | Zijn broeder mr. Herman Ackersdijck, advocaat te den Haag, alwaar hij 28 Juni 1728 ongehuwd overleed en die in Februari 1664 in den Bosch geboren was, vermaakte het grootste gedeelte van zijn vermogen aan de Hervormde Diaconie aldaar. Een ander broeder van hem was mr. Cornelis Ackersdijck, advocaat te den Bosch, die in 1679 huwde met Maria van Blotenburg. | | 9. | Zie blz. V der Voorrede van dat werk. | | 10. | Over de familie Ackersdijck zie men verder Annuaire Généalogique des Pays Bas 1875 p. 9 en vlgd. | | 11. | Zij hadden vijf kinderen, van welke Jhr. mr. Paul de Milly, die geboren werd te den Bosch 22 November 1807 en stierf te Zuidlaren 5 Februari 1890, door zijn huwelijk met Maria gravin van Heiden Reinestein zijn geslacht voortzette. |
De voorname Huizen en Gebouwen van 's-Hertogenbosch II (1910) 449-459
|