|
'In Engeland' (1504)
Pensmarkt 32-34
Dit pand stond in de 14de eeuw samen met het linker buurpand en een stenen achterkamer op één breed perceel van 2 x 19½ voet (= 2 x 5,61 m). Hoewel het cijnsbedrag precies in twee gelijke bedragen is verdeeld, zijn beide percelen niet even breed.
In 1504 wordt de helft van een huis en een stenen kamer door de kuiper Dirk Goijartsz verkocht aan de wijntavernier Roelof van Ellaer. Vier jaar later is er slechts sprake van de helft van een stenen huis. De helft van de stenen kamer zal toen als achterhuis zijn aangemerkt. In die tijd worden er acht personen aangeslagen voor zettingen. Zij zijn in het huis, de stenen achterkamer en waarschijnlijk ook in de buurpanden gehuisvest. Onder hen zijn een bakker, een pasteibakker, een kleermaker en, zoals reeds vermeld, een kuiper en een wijntavernier.
In 1508 komt de koopman Jan de Cock, die we al ontmoet hebben bij meerdere huizen in dit bouwblok, in bezit van beide helften van het pand. Vermoedelijk betreft het hier het voorhuis en de gehele stenen kamer.
In het cijnsboek van 1520 staat eerst
| 261 |
Peter van Antwerpen vermeld en pas daarna Jan de Cock. Het gebouwencomplex was kennelijk bij meerdere personen in gebruik. Er moet een hertogcijns betaald worden voor een kelder onder de straat. Deze kleine straatkelder staat nog op een bouwtekening van 1909 aangegeven. In een deel van de straatkelder bevond zich de keldertrap die vanaf de straat naar de kelder onder het huis leidde. Deze kelder is nu niet meer toegankelijk, maar uit de tekeningen blijkt dat hij in verbinding stond met de kelders onder het rechter buurpand en het achterhuis. De drie kelders zullen vanouds bij elkaar gehoord hebben. De kelder onder de stenen achterkamer bezat waarschijnlijk twee dwars geplaatste tongewelven naast elkaar, waardoor de ruim 7 m brede ruimte constructief goed kon worden overkluisd. Deze kelder was vanaf het achtererf bereikbaar.
Helaas is de interessante stenen kamer in 1909 grotendeels afgebroken. Het gebouw bezat een hoge kap en zware balklagen. Ook het voorhuis heeft de tand des tijds niet ongeschonden doorstaan. Alle houtconstructies zijn in de 19de eeuw vernieuwd. ook de indeling is geheel verloren gegaan. Het gebouw bezat een hoge begane grond, waarin een insteekverdieping was aangebracht.
Uit de haardentelling van 1553 blijkt dat Jan Thomasz in bezit is van vermoedelijk beide bouwdelen. Hij moet betalen voor zeven schouwen, hetgeen wijst op een functie als herberg. In het cijnsboek van 1573 wordt de wijntavernier Marcel van Casteren aangeslagen. Hij huurt in eerste instantie het pand totdat hij het in 1575 koopt. Jan Thomasz is ook in het bezit van het buurpand Pensmarkt 36 en van de stenen achterkamer. De stenen kamer lijkt verhuurd te zijn aan Jord de kuiper, die in 1553 voor twee schouwen moet betalen. In de stenen kamer is ook een schouw waarvoor de bezitter Jan wordt afgerekend.
| 262 |
| Literatuur |
| | CB 1520 f 43v; CB 1573 f 47; HT 1553; Intern rapport BAM 36, 17-18; M 32; P 1569; R 1507/'8; vSvY III, 522-525; Z 1502/'3 f 21v-22; Z 1506/'7 f 59v-60; Z 1511/'12. |
A. van Drunen, 's-Hertogenbosch van straet tot stroom (Zwolle - Zeist 2006) 261-262
|