|
'In den Papagay' (1513)
Markt 89-87
Het oorspronkelijke perceel liep tot over de Marktstroom door. Een stenen brug verbond de beide delen. Op het achtererf is sprake van een 'oude mansio' en andere oude gebouwen. Bevond zich hier op het achtererf een stenen woongebouw? Dit gebouw zal via de brug en door 'De Meelpoort' bereikbaar zijn geweest vanaf de openbare straat. Een deel van het achtererf is in de 15de eeuw door de buurman, Dirk de Rover van 'De Moriaan' gekocht. Hier liep een 5 voet (= 1,44 m) brede weg en een brug naar het gebied aan de overzijde van het water waar een stal stond. Deze 15de-eeuwse transactie van een deel van het achtererf blijft gedurende eeuwen gehandhaafd. Uit de akte blijkt dat in die tijd de zijmuur met 'De Moriaan' gemeenschappelijk bezit was. Uit het bouwhistorisch onderzoek weten we dat dit in de praktijk neerkwam op twee koud tegen elkaar aangebouwde muren met een gemeenschappelijke goot.
In 1513 verkoopt het klooster Mariënburg het huis en erf, dat zich toen tot aan de Binnendieze uitstrekte, aan Maarten de zoon van Gerrit Hugensz. In die tijd is het bij meerdere mensen in gebruik; vermoedelijk de kramer Arnold Dirxs en de snijder of 'kleercoper' Jan Andriessen. In het cijnsboek van 1520 wordt Lambert van Laerschot aangeslagen. Hij moet 1½ pond was en 1½ pond pepers betalen voor het erf en een geldbedrag voor een keldermond en trap vóór het huis en voor een brug achter het huis. Gezien de wijze van betalen, met behulp van geld in plaats van in nature zoals bij het erf, zijn deze toegevoegde elementen vermoedelijk later aangebracht.
Als in 1553 de weduwe Lysbeth van Laerschot het pand bezit, betaalt zij voor vijf schouwen. Haar zoon woont in die
| 184 |
tijd in een deel van het pand, evenals Marieke Broes, die in de kelder leeft. In 1573 wordt de kramer Wouter Boudewyns of Bauwens vermeld, die het huis in 1564 in bezit heeft gekregen. Hij wordt in het cijnsboek opgevolgd door Hendrik Boudewyns, vermoedelijk zijn zoon.
In zijn tijd heeft het huis nog een houten gevel. In 1624 wordt het omschreven als 'een voorhuis, genoemd de Papagay, met zijn kelders, plaats, zomerkeuken, middenhuis, andere plaats en achter- of brouwhuis, uitgaande in de Tolbrugstraat'.
Van het huis zoals het er in de 16de eeuw bij stond, zijn de zijmuren, een deel van de balklagen en de kap nu nog aanwezig, evenals de kelder. Restanten van de keldermond en de trap waarover in 1520 gesproken wordt, bevinden zich nog onder de straat aan de rechterzijde van het pand. Ze grenzen aan de voorkelder van 'De Moriaan', waarmee ze in de 16de eeuw in verbinding hebben gestaan. Mogelijk bezat het huis zelf oorspronkelijk ook een voorkelder, aangezien er in 1966 middeleeuws muurwerk is aangetroffen op circa 4 m vóór de rooilijn. Het huis lijkt oorspronkelijk door een dwarsmuur in een voor- en achterhuis te zijn verdeeld. Het voorhuis was met ruim 17 m opvallend diep. Mogelijk was er nog een tweede dwarsmuur, zodat er een vrij unieke indeling in drieën kan zijn geweest. Ook de buurpanden hebben een meer dan normale afmeting van het voorhuis.
Aan de rechterzijde is het pand direct tegen 'De Moriaan' aangebouwd, maar het bezat wel een eigen bouwmuur. Gezien de lichtopeningen in de zijmuur van het oudere buurpand, was 'De Papagay' oorspronkelijk minder diep.
| 185 |
| Literatuur |
| | Bloemers 1967, 173-176; BP R 1203, f 4 (1432); CB 1520 f 12v; CB 1573 f 14v; HT 1553; M 150; vSvY III, 399-400; Z 1502/'3; Z 1505/'6; Z 1506/'7; Z 1552/'53. |
A. van Drunen, 's-Hertogenbosch van straet tot stroom (Zwolle - Zeist 2006) 184-185
|