De Moriaan (Markt 79-81)
|
Kerk, bisschopshuis en berging
Door Henny Molhuysen
Een van de oudste Bossche gebouwen in De Moriaan op de Markt. De kroniekschrijver Cuperinus schreef zelfs dat de stichter van de stad, hertog Hendrik I, de Moriaan bouwde. Er moet dus heel wat gebeurd zijn achter de voorgevel van dit pand.
„Die hartoghe van Brabant Henric, dede timmeren op die merct twee plaisante huzen, te weten Roijenburch ende tcasteel op die Mariaen.” Maar zo oud als de kroniekschrijver beweerde, is dit monument niet. Het pand was aan de Markt gelegen en grensde aan de achterzijde aan de Binnendieze, hetgeen uitermate geschikt was voor het vervoeren van produkten.
In de veertiende eeuw is de belangrijke familie De Rover eigenaar van het pand. Zij zou anderhalve eeuw eigenaar blijven. De familie liet ondermeer voor- en achtergevel vervangen door een stenen. In die periode werd in 1419 bij een grote stadsbrand De Moriaan gedeeltelijk verwoest. Het kleine houten huisje tegen de voorgevel werd omstreeks 1500 gebouwd.
Tijdens de beeldenstormen in 1566 en 1567 hielden de hervormden er hun geheime bijeenkomsten. Het pand kende toen verschillende vluchtwegen waardoor het bijzonder geschikt was voor deze verboden bijeenkomsten. Er er werd druk vergaderd en de deelnemers namen zelfs de beslissing 'dat zij alle de papisten op eenen nacht souden doen slaegen (dood slaan) oft verjagen'. Zo ver is het niet gekomen, ruim tien jaar later vluchtten zelfs de meeste hervormden de stad uit na het zgn. Schermersoproer. In deze woelige tijden woonde uitgerekend bisschop Metsius in De Moriaan! Het moet een van de grotere panden in de stad geweest zijn, want na het vertrek van de bisschop woonden edellieden in het huis. Achter het gebouw werden toen stallen gemaakt voor de paarden van deze heren.
Na 1629 diende de Moriaan eveneens godsdienstige doeleinden: de lutheranen hielden er hun diensten tussen 1673 en 1681. Tegelijkertijd diende de grote zaal ook voor het opvoeren van komedies. Het plafond ervan was blauw geschilderd met gouden sterren. Wellicht tot het begin van de vorige eeuw was deze zaal als toneelzaal in gebruik.
In de negentiende en de twintigste eeuw werd het eens zo imposante pad verkaveld. Er woonden verschillende gezinnen in en de marktkramen werden er opgeslagen als er geen markt gehouden werd. Het pand bleef toch door zijn forsheid imponeren en tevens ging het gerucht dat er een goudschat in de kelder begraven moest zijn.
In de vijftiger jaren dreigde sloop van het pand. Een groot winkelbedrijf wilde op die plek een groot en modern gebouw neerzetten. 's-Hertogenbosch kwam in opstand en er werd een grootscheepse aktie gevoerd. De Moriaan zou 'het oudste stenen woonhuis van Nederland' zijn. Dat is niet waar, maar het heeft er wel toe bijgedragen dat de gemeente eigenaar werd en het gebouw in de jaren 1963-1967 liet restaureren. Daarna werd de VVV de nieuwe gebruiker.
Waar de naam vandaan komt, is niet bekend. Misschien heeft ooit 'een moor' de stad bezocht, hetgeen indruk gemaakt heeft. Maar daar valt heel wat te filosoferen!
Brabants Dagblad 16 december 1993
|
| |
|
'De Moriaan' (1432)
Markt 79 t/m 85
Over dit belangrijke gebouw zijn meerdere publikaties verschenen, zodat de beschrijving hier beperkt kan blijven. Het perceel van 'De Moriaan' heeft een breedte van 40 voet (= 11,50 m). De rooilijn springt hier circa 3,20 m naar achteren. Het grote perceel liep tot over de Marktstroom door. Aan de overzijde van het water stond een bij het pand behorende stal. Tot het perceel behoorde in de 15e eeuw ook een beemt buiten de stadsmuur.
Al in de eerste helft van de 13de eeuw is aan de Markt het stenen huis gebouwd. Kort daarna is het naar achteren uitgebreid. Uit het cijnsboek van 1520 blijkt dat de invloedrijke Nicolaas van Bockhoven cijnsplichtig is. In 1573 betaalt jonkheer Goossen van Brecht de hertogcijns voor de kinderen van Van Bockhoven. Daarna blijkt de cijns te zijn verdeeld; een deel wordt betaald door Willem Thomas, het andere deel door Hendrik de Heusch.
Uit de zettingen in het midden van de 16de eeuw komt naar voren dat er meerdere belanghebbende worden aangeslagen. Er wordt een tiental verschillende personen genoemd, waaronder een snijder, een kramer en
| 183 |
een procureur. Eén van hen blijkt in de kelder te huizen, de anderen in het pand en waarschijnlijk in de gebouwen op het achterterrein. Dit achtererf was vanuit de Marktstraat via een poort, 'De Meelpoort' genaamd, bereikbaar. Mogelijk was er ook een toegang via een inpandige gang tussen de twee buurhuizen, de nummers 75 en 77 aan de Markt. Via de poort zal ook het achterterrein Markt 87/89 en 91 bereikbaar zijn geweest.
De haardentelling van 1553 levert een groot aantal schouwen op. In het hoofdpand blijken er drie te zijn en in beide kelders ieder één schouw. Verder worden er vijf ruimten met één schouw en een huis met drie schouwen vermeld. Deze zullen zich op het achterterrein en mogelijk naast 'De Moriaan' bevonden hebben. De stookplaatsen in het hoofdpand kunnen we tegen de achtergevel situeren. Bij de restauratie in 1961/'65 is een haardsteentje met het jaartal 1560 gevonden. De juiste vindplaats is echter niet vastgelegd. De vermelde stookplaatsen in de kelder zijn teruggevonden, maar blijken niet oorspronkelijk te zijn.
De kelder heeft een zoldering van houten balken, die gesteund worden door een onderslagblak in de langsrichting. Deze rust op drie gemetselde kolommen en in de fundering van de voorgevel en de achtergevel. De kelder, die half onder het maaiveld ligt, behoort tot de eerste steenbouw uit de eerste helft van de 13e eeuw. De bovenbouw dateert voor een deel ook nog uit die periode. De balklagen en kapconstructie zijn uit een tweede bouwperiode kort na 1310 (dd).
Uit die tijd zal ook de voorgevel dateren. Ter plaatse van de terugspringende rooilijn is de toegangstrap naar het huis en naar de kelder aangelegd. Over de trap wordt geen cijns geheven, waaruit we mogen concluderen dat het stukje grond vóór de rooilijn tot het erf behoorde.
Onder de straat ligt nog een kleine kelder, die mogelijk nog uit de 14de eeuw dateert. In deze bouwperiode kan ook de achterbebouwing geplaatst worden. Deze was eveneens van kelders voorzien.
| 184 |
| Literatuur |
| | BP R 1433 R 1203, f 187; CB 1520 f 13; CB 1573 f 14v; Glaudemans 1996; HT 1553; M 151 en supplement VII-VIII; Meischke en Zantkuyl 1969; P 1569; Temminck Groll 1993; Van Drunen 1975; Van Zuylen 1577/'78; vSvY III, 384-399; Z 1547; Z 1552/'53. |
A. van Drunen, 's-Hertogenbosch van straet tot stroom (Zwolle - Zeist 2006) 183-184
|
| |
|
De Moriaan
Nos 79 en 81
Dit huis is na de slooping van het huis de Roodenburg het eenige, dat in den Bosch uit het begin van het ontstaan van die stad is overgebleven en dan nog maar voor een deel, want de Westelijke helft van dit huis bestaat reeds sedert lang niet meer, daar die reeds eeuwen geleden door een ander huis is vervangen. En de andere helft, die nog aanwezig is, verkeert in zoo'n vervallen toestand, dat zij niet meer dan eene schaduw is van wat zij oudtijds was.
De oudste geschiedenis van dit huis leerden wij reeds kennen bij de beschrijving van het huis de Rodenburg. Wij zagen daar, dat de eerste eigenaar van de Moriaan was Jacob Coptiten. De familie, waartoe hij behoorde, was al in de eerste tijden van het bestaan van den Bosch aldaar gevestigd; in 1289 was toch reeds Wilhelmus Coptiten schepen van die stad en in het jaar 1361 was dit Jacobus Coptiten; deze woonde toen in de Kerkstraat 1).
Tot welk geslacht de familie Coptiten behoorde is nog niet met zekerheid te zeggen. Volgens eene Bossche Schepenakte
| 384 |
van 1368, medegedeeld door C. van Breugel Douglas in het Tijdschrift voor N. Brabant Gesch., Taal- en Letterkunde van Sassen I p 44, was een Johannes Coptiten, die nog in het jaar 1394 leefde, de zoon van Gerard van Vladeracken en zegelde die, zooals blijkt uit het Maandblad de Nederl. Leeuw van 1908 p. 165, met drie molenijzers en een vrijkwartier, beladen met een vierblad en met over alles heen een barensteel; daaruit zoude op te maken zijn, dat de Coptiten's behoorden tot het in den Bosch eens zoo machtige geslacht der van Vladeracken's, maar hieraan valt weder te twijfelen als men in aanmerking neemt, dat blijkens Taxandria VII p. 31 een Coptiten zegelde met een wapen, dat veel overeenkomst heeft met dat der voorname Bossche familie Monicx (Taxandria X p. 123). Willem Coptiten zegelde toch met een zoodanig wapen in 1372.
In eene Bossche Schepenakte van 1503 (Reg. n° 97 f. 101) wordt vermeld, dat het huis de Moriaan eens toebehoorde aan eenen Dirck de Roover, ridder en dat het in dat jaar het eigendom was van Willem (Oem) van Bockhoven. Volgens eene Bossche Schepenakte van 1546 was genoemde Dirck de Roover 2) een zoon van Jan de Roover, ridder, die ook eigenaar was van de Moriaan welk huis toen gezegd werd een steenen huis te zijn. Van Dirck de Roover voornoemd, die blijkens voormeld Tijdschrift I p. 163 in 1410 heer was van de Nemelaer, zal het huis de Moriaan door vererving gekomen zijn aan de familie Oem van Bockhoven, waarschijnlijk doordien Petronella de Roover Willemsdochter 3) dat huis erfde en het vervolgens ten huwelijk zal gebracht hebben aan haren man Claes Oem van Bockhoven. Deze laatste stierf omstreeks het jaar 1478 en was de zoon van Nicolaas Oem,
| 385 |
heer van Bokhoven, (den zoon van Jan Oem, heer van Bokhoven en Margaretha van Donck genaamd van Olmen) en Elisabeth Monicx 4).
Genoemde Claes Oem van Bockhoven had van Petronella de Roover deze kinderen:
| a. | Willem van Bockhoven, die volgt; |
b. | Nicolaas van Bockhoven; |
c. | Cornelia van Bockhoven, die huwde met Wolter van Baexen Henrickszoon. |
Willem van Bockhoven, hiervoren sub a genoemd, werd in 1478 bij doode zijns vaders met de Nemelaer beleend en huwde Elisabeth van de Merwede, die hem schonk een zoon 5):
Claes van Bockhoven, raad van den Bosch, die in 1506 bij doode zijns vaders met de Nemelaer werd beleend en geërfd was onder 's Grevelduin-Capelle; hij huwde Margriet de Borchgrave Dircksdochter 6), bij wie hij deze kinderen verwekte:
| 1. | Geertruid, later genoemd Petronella van Bockhoven, die huwde met Goeswijn van Brecht; zij was eigenares van een deel van het latere Refugiehuis der Karthuizers te den Bossch; |
2. | Willem van Bockhoven, die jong stierf; |
3. | Dirck van Bockhoven, die ook jong overleed; |
4. | Cornelia van Bockhoven, die in 1533 bij doode haars vaders met de Nemelaer werd beleend en huwde met Gerard van Vladeracken, ridder van Jerusalem, heer van Geffen en het huis van Nuland. |
5. | Elisabeth van Bockhoven. Zij erfde de Moriaan, (die blijkens eene Bossche Schepenakte van 1516 reeds aan haren grootvader Willem van Bockhoven toebehoorde), want |
| 386 |
| | 28 Juni 1540 (Reg. n° 157 f. 237 vso) verleende zij eene grondrente de et ex domibus, areis, cameris, eorum fundis, ortis ac aliis suis juribus et attinentiis, communiter in den Moriaan nuncupatis, dictae domicellae Elisabeth, (filiae quondam Nicolai de Buchoven), sitis in Buscoducis ad commune forum ibidem inter domum et hereditatem Lamberti Goessens ex uno latere et inter communem plateam, dictam die Tolbrugstraat, ex alio, tendentes a dicto foro retrorsum usque ad aquam currentem ibidem. |
Daar in deze akte van huizen gesproken wordt, zich uitstrekkende tot aan de Tolbrugstraat, zoo is daaruit op te maken, dat Elisabeth van Bockhoven ook eigenares was van de beide huizen, welke tot aan het jaar 1908 tusschen gezegde straat, die thans de Marktstraat geheeten wordt en het huis de Moriaan stonden. Blijkens eene olieverfschilderij van het jaar 1510, welke in de groote zaal van het Provinciaal Genootschap van K. en W. in Noordbrabant hangt, bestonden toen al die beide huizen en was ook toen reeds voor de Westelijke helft van den voorgevel van de Moriaan het huis gebouwd, ter plaatse waar thans het vooruitspringend huis staat, dat zich bevindt naast hetgeen nu nog van de Moriaan is overgebleven; te voren had dit laatste huis zich in de richting van den Hoogen Steenweg uitgestrekt over de volle breedte van dat vooruitspringend huis; wanneer dit vóór de Moriaan is gebouwd geworden is mij niet kunnen blijken.
Over de beide huizen, welke tusschen de Moriaan en Marktstraat gebouwd waren geworden, schreef Van Heurn in zijne Beschrijving: dat tusschen de Moriaan en de Marktstraat twee burgerhuizen staan, welkers erven denkelijk door de eigenaars van het huis den Moriaan verkogt zullen zijn; mogelijk is zulks kort na den brand van het jaar 1419 geschied. Dat die meening niet onwaarschijnlijk is, volgt uit eene Bossche Schepenakte van 1540 (Reg. n° 157 f. 237 vso), daar toch daarbij Gerard van Vladeracken, schepen van den Bosch en Willem de Borchgrave Peterszn als naaste magen van Elisabeth,
| 387 |
onmondige dochter van wijlen Dirck de Borchgrave, verklaarden, dat genoemde Elisabeth geld schuldig is wegens eenen door hare moeder gedanen aankoop van huizen, staande aan den hoek der Tolbrugstraat te den Bosch. Toen van deze beide huizen, ter verbreeding van de Marktstraat, in het jaar 1908 het hoekhuis werd afgebroken, bleek het dat de Moriaan oudtijds zich ook achter die huizen tot aan de Marktstraat had uitgestrekt en dat deze beide huizen alzoo ook daar vóór waren gebouwd geworden.
Van de hiervoren sub 5 genoemde Elisabeth van Bockhoven werden het huis de Moriaan en de beide huizen, die tusschen hetzelve en de Marktstraat stonden, geërfd voor de eene helft door hare zuster Geertruid van Bockhoven, die de echtgenoote was van Goeswijn van Brecht en voor de andere helft door hare zuster Cornelia van Bockhoven, welke de huisvrouw was van Gerard van Vladeracken.
Tijdens dat deze gezusters het huis de Moriaan bezaten, was het achterhuis daarvan verhuurd aan den kleermaker Gerard van Arnhem, zijnde, zooals de rentmeester Jacob Bacx van hem getuigde 7): een van de principale quaetdoenders ende oproeders van der leste commotie (die van 1567 n.l.) en hielden de Hervormden van den Bosch in gezegd achterhuis gedurende de godsdienstige troebelen, waaraan die stad in de jaren 1566 en 67 ten prooi was, hunne geheimen bijeenkomsten 8); daartoe was dat achterhuis bijzonder geschikt, omdat men er in kon komen zoowel van den kant der Markt als van de Tolbrugstraat. Dach ende nacht, zoo getuigde Geeraert Reynssone 9), hield men dan ook toen in dat achterhuis raedt van den guesen. Hierover verklaarde nog Machtelt, dochtere Geeraert Coelen, wonende op den Moriaan 10), als volgt: dat sy, deponent, is woenachtich binnen deser stadt op den Moriaen, op de Merct al-
| 388 |
|
hier, toebehoirende Jonckheeren Goeswijn van Brecht, op 't camerken oft trapken aldaer, in welck huys achter ende boven woent Geeraert van Aernhem, welck achterhuys van 't selve voerhuys gescheyden en gesepareert is; tot wiens huyse woende Leonard Peeterssone, dewelcke aldaer van denselven Geeraerden eenen winckele ende eene camere hadde ende zyne costen cochte metten voerschreven Geraerden. Ten welcken huyse zy, deponent, heeft gesien, dat veele persoonen ten diverschen stonden hun vergaederinge hielden, dewelcke zy, deponent, mits haeren ouderdom, nyet en kendt, maer heeft somtyden van den eenen ende van den anderen hooren zeggen: Kijckt, daer gaet de Leeuw 11), mr. Henrick in den Hoeren, Job van Achelen ende diergelycke; welcke persoenen met huere complicen by avonde ende by nachte tot diverschen stonden zulcken vier stoekten in 't voerschreven achterhuys, dat zy, deponent, zorge hadde, dat 't huys branden zoude; ende voer die duere t'savonts saten 't somtijts twee, drie, vier oft vijff persoenen, die 't huys verwaerden, onder welcke zy, deponent, eenen hoorde noemen den Ruyvoegel; ende heeft zy, deponent, den voerschreven Jonckheeren Gooswijn geclaecht, dat zy zorge hadde, dat zijn huijs noch verbranden mochten duer 't groot vier, dat de voerschreven persoenen aldaer stoeckten, daerop de voorschreve Jonckheere Gooswijn huer, deponent, antwoirde, dat hy 't selve nyet gebeteren en conste. Genoemde Leonard Peeterszoon verklaarde, ook volgens het werk van Cuypers, dat het leden der Consistorie waren, die op de Moriaan de wacht hielden, n.l.: „Claes de Leeuw, Dierick van de Corput, mr. Hendrick in den Horen alias Agileus, Hans met de schrammen in den Muggendans 12),
| 389 |
Herman de Ruyter, Henrick Ghyselen, Andries de Beckere met zynen broedere, woenende In den Zueten Naem Jesus in de Kerkstraat," enz; zij hielden die wacht, zoo getuigde hij verder duer vreese, dat zy sorcgden, gelijck die fame ghinck, dat die geestelickheyt hen sterck maekte ende van vreese, dat van buyten eenige vreempde knechten in de stadt gelaten zouden worden. Slechts eenigen hunner waren, volgens hem, bij het houden der wacht gewapend. Mathijs Aertssone, vettewarier, wonende in den kelder onder de Moriaan, verklaarde blijkens hetzelfde werk o.a. ook nog: dat op den Moriaan, daer deselve Geeraert woende, tsavonts, tegen den negen uren, vergaederden diversche persoenen, diewelcke, omtrent den elf uren, ommegingen binnen der stadt ende omtrent de vesten; daeronder gemeynelick was eenen genoempt Ruyvogel, ende noch eenen scheerslyper, omhegrepen zijns naems, diewelck gemeynelick die facquelen droegen 13); zeght oick, datter in de vergaederinge quam mr. Henrick in den Hoeren, die de borgeren, op de waeck zijnde, goeden moet gaf, zeggende: Goede mannen, houdt goede waeck, want ik hoepe wy haest den conink hebben sullen; ende oick Dierck van den Corput, Herman de Ruytere ende Geeraert op den Moriaan enz. Geeraert Reynssone voornoemd getuigde nog (blz. 363 eod.): dat hy den secretarissen raedt is gesloten, dat zy alle de papisten op eenen nacht souden doet slaegen oft verjagen waer ende bij wyen; zeght, dat de voerschreve raedt is by hen lieden gesloten op den Moriaan op de Merckt alhier, 's nachts naer den Kersnacht ende zoude zijn volbracht geweest en hadde mr. Jan de barbier, dewelcke huerlieden vuerder was, nyet gevallen van den trappen met meer andere van zijnen geselschaepe; ongeveer hetzelfde verklaarde mr. Dominicus Beyens, daar deze toch het volgende getuigde (p. 367 eod.): zoe hebben (de voerschreven sectarissen) huere vergaederinge gehouden op den Moriaan, aldaer (zoe hy, deponent, heeft hooren zeggen), dat zy geconcludeert ende
| 390 |
|
hueren aenslach genomen hadden, dat zy die papen met heuren adherenten op eenen nacht zouden uuyter stadt jaegen oft deselve doot slaen ende dat zy daertoe die loese hadden gegeven, te wetene, daer zy vrauwen op de dueren zouden vinden liggende dien nacht, zoe en zouden zy in zulcken huysen nyet doen.
Het was een geluk voor de Bossche Papisten, onder wie te verstaan zullen zijn geweest de Katholieken, die den Koning van Spanje in diens hoedanigheid van Hertog van Brabant als hunnen legitiemen souverein erkenden, dat mr. Jan de barbier met eenige zijner Hervormingsgezinde makkers van de trappen der stoep van de Moriaan viel, want anders zoude den Bosch naar alle waarschijnlijkheid ook zijne St. Bartholomeusnacht hebben gehad.
Bedoelde trappen bestaan nog altijd en wel in zoodanigen staat, dat lieden, die niet vast op hunne beenen staan, er bij duisternis gemakkelijk af kunnen rollen.
Toen de Koningsgezinden weder meester van den Bosch waren geworden, hield de Moriaan op eene vergaderplaats voor de Hervormingsgezinden te zijn en werd dat huis daarna de woning van den bisschop Metsius gedurende den tijd dat deze de bisschoppelijke waardigheid te den Bosch 14) zelf uitoefende, n.l. van 1569-1577. Nadat die Bisschop de stad den Bosch had verlaten namen eerst de Graaf van Bossu en de Graaf van Zwartzenborch en vervolgens de Prins- of Staatsgezinde gouverneur van den Bosch, Johan van Hornes, heer van Boxtel, in dat huis hunnen intrek, hetwelk als volgt vermeld staat in R.A. Zuylen de Stadsrekeningen van den Bosch II p. 951 en 958: 1577/78 „Item ter ordinantie van de heeren Scepenen betaelt Wouter Artst, timmerman, tgeene hy voor den Grave van Bossu ende den Grave van Zwartsenborch in den huyse van den Biscop heeft moyten moeten maken, te weten stallingen voor heure perden, belopende etc.
| 391 |
|
Item 2 Augusti is mijn Heer van Boxtel binnen deser stadt gecomen om liet gouvernement of superintentenscap aen te verden; is alsdoen geordineert, dat men den voors. Heere sijn kueken soude besorgen, diewelcke gelogeert was inthuys van den Biscop, weicke spysen by Willem Robberts is besorcht geweest, soe van alderley spyse, etc.
Item noch tot synen logyse gesonden twee tonnen biers, die ton 4 guld. 4 st., gecoft van Tys in den Horen, beloopt etc.
Item by den voors. Heer van Boxtel doen halen ende by der stadt betaalt 108 potten wijns, etc.
Item 11 September is mijn Heer van Boxtel des avonts binnen der stadt gecomen ende by den drie Leden gesloten (lees: besloten), dat men denselven met syne huysvrouw ende familie des avondts spyse ende dranck soude bestellen tot sijn avontmaeltijt, alsoo by Willem Robberts in den name van der stadt die spyse van als dairtoe behoerende gecoft ende tot sijnder logyse gesonden, beloopende deselve, navolgende die specificatie daeraff sijnde, 20 guld. 18 st.; noch tot Thys in den Horen gecoft twee tonnen biers ende aldair bestelt, voor de twee tonne betaelt 4 guld. 5 st.; noch voor den Heer van Boxtel doen halen by Marcelis van Gasteren 21 potten wijns, etc.”
Zooals reeds vermeld is in Deel II p. 11 nam de Graaf van Hornes later en wel den 11 October 1578 zijn intrek in het Keizershof in de Keizerstraat. Sedert dien is met het huis de Moriaan niets meer van belang voorgevallen en was het ook geen voornaam huis meer.
R.A. van Zuylen vermeldde in zijne Stadsrekeningen II p. 1246 nog, dat dit huis reeds in 1618 diende tot comediegebouw, zoodat toen tijdens de kermis er komedianten in speelden en volgens dezelfde l.c. p 1302 werd het in 1622 ingericht tot tijdelijke kazerne voor het Koningsgezind garnizoen van den Bosch.
Den 3 Maart 1594 (Reg. n° 247 f. 273) verkocht jonker Charles van Vladeracken, sone wylen jonker Nyclaessens, (sohe Heeren Gerarts van Vladeracken des Ridders, van denselven
| 392 |
|
Heere Gerarden ende vrouwe Cornelia van Buchoven, dochtere Nydaessens tsamen verweckt) een zesde inne de huysinge ende erffenissen, genoempt den Moriaen, metten anderen huysen, erven, kelders, poirte, plaetsken ende andere erffenissen daertoe behoirende, staende aan de gemeyn Merct, tusschen den huyse genoempt de Papegaye tot Henricken Boudewijns behoirende, d'een syde, ende tussen de gemeyn Tolbrugstraet ter andere zyde, streckende voer van de gemeyn Merct totte Diese daerachter vlietende ende den huyse genoempt de Pluym 15), in alsulcken vuegen ende manieren als de voirs. huysingen ende erffenissen eertijts totten voirs. Nyclaes van Buchoven plaechten te behoiren, - aan Dierick Bernardtszoon van Kessel.
Hetzelfde deed 24 November 1598 met het tweede één zesde (Reg. n° 262 f. 22) Arnd van Vladeracken, schout van Maasland te Geffen 16), in zijne hoedanigheid van gemachtigde van Bernard van Merode, heer van Grambais en Asten, en wel van dezen als man van Catharina, dochter van wijlen Jonker Henrick van Brederode en Margaretha van Vladeracken, de dochter van Gerard en Cornelia van Bockhoven. Het derde 1/6 kwam door erfenis aan de dochters van jonker Johan van Vladeracken, heer van Geffen.
De twee zesde gedeelten in de Moriaan, die als gezegd gekocht waren door Dierick Bernaertszn van Kessel, werden door dezen 25 Juni 1594 (Reg. n° 394 f. 434 vso) en 5 September 1600 (Reg. n° 264 f. 365) verkocht aan den kramer Willem Neyts, zoon van Thomas Henrickszn, die 5 Augustus 1606 (Reg. n° 272 f. 276) het derde een zesde daarvan kocht van jonker Johan de Cock van Opynen als man van Anna van Vladeracken en van jonker Peter van Vanevelt als man van Hesther, dochters van jonker Johan van Vladeracken, heer van Geffen. De vrouw van dezen kooper was Christina, dochter van Berwijn Lambertszn.
| 393 |
|
De andere helft in de Moriaan met bijbehooren werd in 1601 door Margaretha van Brecht, dochter van Goeswyn en Geertruid van Bockhoven, terwijl zij reeds weduwe was van Maximiliaan van Brederode, (met wien zij in 1596 gehuwd was), bezwaard met eene grondrente; zij had bij haar huwelijk die helft van hare ouders als huwelijks medegave ontvangen. Den 26 April 1614 (Reg. n° 658 f. 299) ging Johan de Wasselin, ridder, heer van Wattines, als man van genoemde Margaretha van Brecht, wier derde echtgenoot hij was, met voorzegden Willem Neyts voor Schepenen van den Bosch eene uitvoerige overeenkomst over het huis de Moriaan en de daarbij behoorende huizen aan, waarbij zij toen zeer nauwkeurig hunne wederzijdsche rechten en verplichtingen omtrent die huizen regelden en een deel dier gebouwen onder elkander verdeelden; zij noemden die huizen alstoen: sekere huysingen, kelders, canieren ende andere wooningen, gemeynlick genoempt den Moriaen, door hen in het gemeen bezeten. In gevolge die overeenkomst kregen Willem Neyts en zijne kinderen voor hun deel: het huis met erf, genaamd de Olyphant 17), staande aan den hoek van de Markt en de Tolbrugstraat; (de tegenwoordige benaming, van dit gedeelte dier straat, de Marktstraat n.l., schijnt toen nog niet bestaan te hebben); de kamers of arbeiderswoningen, staande achter dit huis in de Tolbrugstraat bij de Meelpoort en twee stallen, staande tusschen voorbedoelde kamers en de Meelpoort. Het deel, dat Margaretha van Brecht daarbij ontving, was: twee huizen onder één dak met hunne kelders 18), staande aan de Markt tusschen de huizen de Olyphant en de Moriaan; eene kamer bij de Meelpoort; en een huis in de Tolbrugstraat bij de eerste brug boven het water aldaar. Staet te weten, zoo eindigt gezegd contract, dat de huysinge genoempt de Moriaen van den voorsten gevel aff totten achtersten gevel toe met beyde de voorkelders daertoe
| 394 |
|
behoirende, te weten den kelder naest den huyse genoemt de Papengay metteen huysken oft wooningsken daerboven staende ende den kelder l9) aen d'andere zyde van den Moriaen, daerinne Cornelis Hermans woont, mitsgaders alnoch de achterhuysingen achter den voors. lesten gevel van den Moriaen staende totten water, de Diese genoemt, ende de ledige erffenisse aldaer gelegen, blyven staen int gemeyn omme ter ierste gelegentheyt by den condividenten ten gemeynen oirbaer ende prouffijt vercoft te worden.
Van toen af aan bleef het huis de Moriaan met bijbehoorende erven en panden voor goed verdeeld in deelen, die later weder in onderdeelen werden gescheiden.
Wat bij gemeld contract onverdeeld bleef was het eigenlijk huis de Moriaan en het Westwaarts daarnaast staand winkelhuis (thans genummerd Markt 83 en 85); de helft van deze huizen werd 11 October 1614 (Reg. n° 340 f. 6) gezegd te zijn: „d'eene helfte van eene huysinge ende erve, genoempt de Moriaen, van den vorsten gevel aff tot aftersten gevel toe, met beyde de voorkelders, daeronder staende ende wonighsken 20) boven den eenen kelder aan de syde van de huysinge, genoemt de Papengay, mitsgaders alnoch de achterhuysingen, achter den voors. lesten gevel van den Moriaen staende ende de ledige erffensisen totten waeter toe, totte voors. huysinge van de Moriaen alleenlick behoorende, ende tot dyen oock eenen wech ofte doorganck mette poirte aldaer staende, genoempt de Meelpoorte, ter breydte van acht voeten ende eenen duym, stijff gemeten”, hebbende de wederhelft ongedeeld Willem Thomaszn Neyts, kramer. Eerstbedoelde „helfte" werd alstoen door Johan de Wasselin, ridder heer van Wattines, als man van Margaretha van Brecht, aan wie ze uit hare ouderlijke nalatenschappen was toebedeeld, verkocht aan Yewan Aertszn van Colen, Henrick Adriaanszn de Heusch 21) en Dierick Adriaanszn
| 395 |
Bouwens; deze hebben daarop 23 Mei 1624 (Reg. n° 360 f. 438 en vlgd) die helft tegelijk met de kinderen en erfgenamen van Willem Thomaszn Neyts, welke alstoen de andere helft verkochten, verkocht aan den schrijnwerker Rogier Bolant Janszn. Diens weduwe Jenneken, dochter van wijlen Jan Aertszn, verkocht vervolgens 13 October 1633 (Reg. n° 379 f. 5) die beide helften, - welke alstoen omschreven werden als: het huis de Moriaan staande tusschen de Papegaai ex uno en het erf der Wed. Aert van Geulen, ex alio, beginnende aan den voorgevel tot den achtergevel met den kelder naast het huis der genoemde weduwe van Ceulen, en een kelderken, daarachter aan liggende en in de Meelpoort uitkomende, - aan den Bosschen schepen Jan Donckers, den zoon van Nicolaas Laureynszn Donckers en Heylwich, de dochtervan Philips Boyen.
De vrouw van dien Jan Donckers 22) was Anna Cocx, die hem een zoon schonk, Henrick Donckers genaamd, welke koopman in den Bosch was. Deze werd na doode zijner ouders curator over hunne nalatenschappen en als zoodanig verkocht hij 23 Januari 1669 (Reg. n° 450 f. 275) aan Aert Goossens van Poederoyen van de Moriaan: een groten woonkelder met een huysken oft woningsken daarboven, staande aan de Markt onder en ter zijde van het huis de Moriaan en naast het huis de Papegaai en strekkende van de Markt tot aan den voorgevel van de Moriaan, welke kelder en woning toen in huur waren bij genoemden van Poederoyen en thans zijn het meerbedoeld huis, genummerd Markt 83 en 85; aan zich zelven verkocht hij in zijne voorschreven hoedanigheid in 1671 (Reg. n° 453 f. 511 vso) het overige van het eigenlijk huis de Moriaan; dat werd alstoen gezegd te zijn: een huys, bestaende in twe
| 396 |
|
woningen en het speelhuys, mitsgaders eenen voorkelder, uutcomende aen de gemeyne merct. Van het eens zoo voorname en kolossale huis de Moriaan was toen alzoo niet veel meer overgebleven! Genoemde Henrick Donckers maakte slechte zaken, want over zijne nalatenschap werd de Bossche advocaat mr. Antony van der Horst tot curator aangesteld; deze verkocht 2 Mei 1686 (Reg. n° 503 f. 274) wat hij, Henrick Donckers, van de Moriaan had gekocht aan Reinier van Boxel, koopman te den Bosch 23). Het werd alstoen gezegd te zijn: het huys de Moriaen, staende tusschen het huys ende erve, geheeten de Papegay ende seeckere andere wooninge, aen de voors. huysinge den Moriaen eertijts gehoort hebbende, ex uno, ende tusschen het erf der Wed. Aert van Ceulen, ex alio, streckende achterwaerts tot aen de Meelpoort, waarna volgde: welcke voors. huysinge ende erve den Moriaen tegenwoordich is bestaende in twee woningen ende een speelhuys, mitsgaders eenen voorkelder, uytcomende aan de gemeyne Merckt, die oock besunderl. bewoont wert, ende alnoch twee achterkelders, in de Meelpoort uytkomende.
Tijdens dat meergenoemde Henrick Donckers dit restant van het huis de Moriaan bezat, zal het een tijdlang aan de Lutheranen van den Bosch tot het houden hunner godsdienstoefeningen zijn verhuurd geweest, want, zooals Van Heurn in zijne Beschrijving zegt, gebruikten zij daartoe (tusschen 1673 en 1681) zeker huis op de Markt, den Moriaan genaamd.
Van genoemden Reinier van Boxel werd dat restant van de Moriaan geërfd door diens dochter Catharina van Boxel, van wie dat weder geërfd werd door haren broeder Adriaan van Boxel, die gehuwd was met Mechtilda Theodora van Ingen. Na doode dezer laatste echtelieden werd het door hunne kinderen, in Deel I blz. 264 reeds genoemd, den 23 Juni 1750 verkocht (Reg. n° 565 f. 291) aan Hendrick Reebeek, burger van den Bosch; het werd toen omschreven als huis en erf,
| 397 |
genaamd de Moriaan, gelegen op de Markt en zich uitstrekkende van af deszelfs voorgevel tot aan den stal in de Meelpoort en bestaande uit: a. eene woning, in huur bij Clabans; b. eene saal 24), voorheen geapproprieert geweest zijnde tot een spel; c. nog een huisje naast voors. saal met een stal voor 8 paarden; d. een huisje naast dien stal, achter het huis de Moriaan uitkomende in de Meelpoort; e. twee huizen of vijf woningen met de pakzolders daarboven, staande in de Tolbrugstraat ter plaatse, genaamd de Meelpoort, tusschen de Dieze en het huis de Moriaan.
Wat van de Moriaan thans nog is overgebleven was ten tijde van Van Heurn blijkens diens Beschrijving: een gansch onaanzienlijk gebouw, bestaande uit eene groote schuur en eenige kamertjes boven het voorste gedeelte van dezelve; de schuur, waarvan hij gewaagt, is thans een pakhuis; voor het overige is zijne beschrijving van het thans nog bestaand overblijfsel van de Moriaan juist; hieraan kan nog woorden toegevoegd, dat deszelfs voorgevel, die, als reeds gezegd, maar de helft is van zijnen oorspronkelijken, de duidelijke sporen draagt van een hoogen ouderdom en men daaraan nog kan zien, dat er oudtijds in stonden spitsbogige vensters en dat ter zijde daarvan, naar den kant der Marktstraat, een hangtorentje er op stond.
Het huis, dat aan de Markt naast de Moriaan, tusschen dit huis en het voormalig hoekhuis staat en thans genummerd is Markt 75 en 77, werd 9 September 1614 (Reg. n° 339 f. 621) door Johan de Wasselin, heer van Wattines, als man van Margaretha van Brecht, verkocht aan den hoedenmaker Derick Janszn van Ravesteyn; het werd alstoen gezegd te zijn: twee huizen of woningen onder één dak, staande aan de Markt tusschen de huizingen en kelders, de Moriaan geheeten, ex uno en het huis de Oliphant, toebehoorende aan Willem Thomaszn Neyts, ex alio, zijnde ze aan de vrouw van hem, verkooper, toebe-
| 398 |
deeld geworden bij de scheiding en verdeeling, door hem 26 April 1614 met genoemden Neyts opgemaakt. Sedert dezen verkoop is dat huis nooit meer het eigendom van de Moriaan geweest, en thans is het, sedert dat het huis de Oliphant in 1908 werd afgebroken, het hoekhuis van de Markt en de Marktstraat.
| 399 |
| Noten | | 1. | In zijne buurt woonden toen in die straat Johannes van Steensel, rex armorum (wapenkoning) en diens echtgenoote Volewigis. | | 2. | Deze had een zoon Jan de Roover, die van Jans Joedendochter de navolgende bastaarden had: Jan, Dierck en Geerlich de Roover, welke in 1461 en 64 werden beleend. | | 3. | Zij was volgens hetzelfde Tijdschrift I p. 128 de nicht van Jan de Roover Janszn en kocht van dezen in 1461 het huis de Nemelaer. | | 4. | Taxandria IX p. 11 en XX p. 176 en vlgd. | | 5. | In eene Bossche Schepenakte van 1500 wordt vermeld Johannes Oem van Bockhoven als man van Bela, dochter van Johannes van Geldrop, ridder en in eene idem van 1501 Rutger van Erp als man van Belia, dochter van Robbert van Bockhoven. | | 6. | Zij vermaakten aan den tijdelijken Pastoor van Haaren bij Oisterwijk 100 car. guldens om twee eeuwigdurende jaargetijden te houden voor hen en hunne ouders. (Reg. n° 191 f. 128) | | 7. | Prosp. Cuypers t.a.p. blz. 310. | | 8. | Prosp. Cuypers t.a.p. blz. 337. | | 9. | Prosp. Cuypers t.a.p. blz. 359. | | 10. | Prosp. Cuypers t.a.p. blz. 337. | | 11. | Hij was de schoonzoon van nir. Nicolaas van der Stegen Senior, raad van den Bosch; zijn broeder was Jan de Leeuw. Hij woonde in 1567 in de St Jorisstraat en in zijn huis hielden de Hervormde predikanten met hunnen aanhang toen een consistorie (Prosp. Cuypers t.a.p. blz. 326, 351 en 355). | | 12. | Dit huis was de herberg van dien naam in de Kolperstraat. (Zie Deel II p. 315) | | 13. | Die fakkels droegen zij des nachts op de straat bij gebreke van openbare straatverlichting. | | 14. | J. en A. Mosmaiis t.a.p. Supplement p. VIII. | | 15. | Dit huis stond in de Marktstraat, zooals wij op p. 382 reeds zagen. | | 16. | Hij was de zoon van Christoffel van Vladeracken en Christina Bellaerts (Deel II p. 242). | | 17. | Dit was het hoekhuis, dat door de gemeente den Bosch in 1908 ter verbreeding van de Marktstraat is afgebroken. | | 18. | Dit is het huis thans genummerd Markt 75 en 77. | | 19. | Deze kelder bestaat thans nog. | | 20. | Dit was laatstbedoeld huis n° 83 en 85. | | 21. | Zie over het contract, dat deze sloot over een gevel in de Meelpoort, Reg. n° 335 f. 368. | | 22. | Zijn broeder was Philips Donckers, (wiens zonen waren Dirck, Jan en Goijart Donckers) terwijl zijne zuster was Maria Donckers, huisvrouw van Goijart Wynants van Bernagie. Men zie uver de ikniilie Donckers Deel I p. 240 noot 1 alwaar de | | . | woorden, volgende op 2° Antonius tot en met het cijfer 85, tusschen haakjes moeten gezet worden; Taxandria VI p. 196 en XV p. 183. | | 23. | Men zie over hem Deel I p. 265. | | 24. | In het begin der 19e eeuw bestond deze zaal nog; zij had een houten plafond, dat blauw geschilderd was met gouden sterren er in. |
De voorname Huizen en Gebouwen van 's-Hertogenbosch III (1910) 384-399
|
| |
|
Een schat
Door Henny Molhuysen
Mijn opa had het van zijn vader en hij vertelde het mij door: Onder de Hema moest een graaf of een hertog begraven liggen. Ook lag er een grote schat verstopt. In de jaren 1971-1972 kende het grootwinkelbedrijf een flinke uitbreiding. Diep is er gegraven. Een stadsarcheoloog was er nog niet en ongetwijfeld zullen er destijds veel historische vondsten in particuliere hadden zijn gekomen. Maar: het graf van de edelman is nooit gevonden.
Hoe ontstaat zo'n verhaal? Aan de Pensmarkt, inderdaad ter hoogte van de Hema, was al direct na de stichting van de stad een pand genaamd 'Het Hazewindje'. In dit pand moeten volgens de kroniekschrijvers de jachthonden van de hertog van Brabant gehuisvest zijn geweest.
In de negentiende eeuw kregen de mensen grote belangstelling voor geschiedenis. 'Het Hazewindje' viel toen niet meer op in het stadsbeeld (het houten huis was in 1835 afgebroken), maar oudere Bosschenaren wisten het zich nog te herinneren. Men las over de Bossche geschiedenis en er ontstond een geruchtenstroom. Die leidde tot de veronderstelling dat de hertog er zelf begraven lag en met hem veel goud en zilver. Jammer, maar niet waar dus.
De stad kende nog twee belangrijke historische gebouwen uit de periode van vlak na de stichting: De Moriaan en de Rodenburg. De Rodenburg is het begin van deze eeuw gesloopt en met de Moriaan dreigde in de jaren vijftig hetzelfde te gebeuren. Op die plaats van het gebouw moesten grote winkels komen. De gemeente nam zelfs in 1956 officieel een sloopbesluit. Er kwam een landelijke actie om dit 'oudste stenen woonhuis van Nederland' te redden. De actie slaagde. De gemeente Den Bosch kocht het pand om het te restaureren.
Over De Moriaan is ook verteld dat er een schat onder begraven lag. Deze geruchten zijn verspreid omdat het gebouw ook van vlak na de stadsstichting dateert en er in de 13e en 14e eeuw een adelijke familie in woonde. In februari 1959 kocht de gemeente het pand voor f 93.613,75. In de verkoopacte was echter een clausule opgenomen over een eventuele 'rijke vondst': „Indien bij slopen van de panden, gelegen aan de Markt en Marktstraat, een schat mocht worden gevonden, zal de gemeente dat deel van de schat dat de gemeente rechtens zal ontvangen, ter beschikking van de verkoopster stellen.”
De Moriaan is gerestaureerd en flonkert nu aan de Markt. Alle werkzaamheden tijdens de restauratie zijn nauwkeurig gevolgd door bouwhistorici. Echter, een schat is niet gevonden.
Brabants Dagblad donderdag 26 januari 1989
|
| |
| 1989 |
Henny Molhuysen
Verhalen en legenden : Een schat
Brabants Dagblad donderdag 26 januari 1989
|
| 1993 |
Henny Molhuysen
Achter de voorgevel : Kerk, bisschopshuis en berging
Brabants Dagblad donderdag 26 januari 1989
|
| |
|