|
'De Gulden Mortier' (1624)
Kolperstraat 26-28
Het perceel is aan de voorzijde 5,18 m breed. Dit is de maat van 18 voet, die in de 16de eeuw aan het cijnsboek is toegevoegd. Op ruim 7 meter achter de rooilijn verbreedt het perceel zich aan de linkerzijde tot de oude perceelsgrens, zoals die uit het cijnsboek uit 1520 is te reconstrueren. Deze zijbouw staat op de plaats van de vroegere poort. De kelder kan nog uit de 16de eeuw dateren.
In het begin van die eeuw was de lakenkoopman en lakenscheerder Jan Kemp bezitter. Na hem is Johan van Oerle, die ook voor het rechter buurpand moet betalen, cijnsplichtige. Hij wordt opgevolgd door de kaarsenmaker Pelgrom Peeterss en na deze door de bakker Yken Possten. Bij de haardentelling van 1553 moet Jan Claesz (van Oerle?) de lakenkoopman voor vier schouwen betalen. Huub Jansz moet als huurder van de lakenkoopman Jan vanden Bossche twee schouwen afrekenen. Dit aantal is opvallend veel voor een relatief klein huis. Vier van deze stookplaatsen zouden zich rug-aan-rug tegen de brandmuur tussen het voor- en het achterhuis bevonden kunnen hebben. De overige twee stookplaatsen kunnen in het achterhuis tegen de rechter zijmuur gezeten hebben op de plaats waar roetsporen zijn aangetroffen. Alleen het voorhuis van het pand is onderkelderd. De kelderingang bevindt zich in het achterhuis.
| 386 |
| Literatuur |
| | CB 1520 f 55; CB 1573 f 68; HT 1553; Mosmans 1406; Z 1552/'53. |
A. van Drunen, 's-Hertogenbosch van straet tot stroom (Zwolle - Zeist 2006) 386
|