|
De Druif
|
Anneken weduwe van Pauwel Willemszn c.s. verkocht 12 Augustus 1610 (Reg. n° 309 f. 282) dit huis, evenals het daarnaast Marktwaarts staand huis, genaamd de Kattendans, thans genummerd Hinthamerstraat 191-189 1), aan mr. Jan Roelofszn van Diepenbeeck, glaesmaecker, zooals hij in de daarvan opgemaakte akte heet. Blijkens het archief van het voormalig Bossche schilders-, glazenmakers- enz. gilde, dat thans berust in de verzameling handschriften van het Prov. Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noordbrabant, betrok mr. Jan van Diepenbeeck voornoemd dat huis daarop metterwoon, nadat hij te voren, en wel in 1577, had gewoond opten dijck, waarmede blijkbaar bedoeld werd het huis het Simken, staande op den Vughterdijk te den Bosch, daar toch dit laatste huis behoorde aan zijne schoonmoeder Jenneken, de weduwe van Peter Janszn Aelmans, die het hem 5 Februari 1599 verkocht.
Mr. Jan van Diepenbeeck was van zijn beroep glasschilder, wat men in zijnen tijd noemde glaesmaker; hij vervaardigde verschillende glasramen, waardoor hij zich naam maakte, zooals is medegedeeld door J.C.A. Hezenmans en Ch. Verreyt, resp.
| 99 |
in Taxandria I p. 69 en vlgd. en VII p. 90 en vlgd.; bovendien was hij plaatsnijder en olieverfschilder (cf. dezelfden in Taxandria I p. 73 en vlgd. en VII p. 96 en vlgd.); hij schilderde o.a. de olieverfschilderij, voorstellende een gevecht op de Markt te den Bosch in 1579, die thans in het museum van gezegd Genootschap hangt. Zooals in voormeld archief ook nog vermeld staat, was hij 12 Juli 1573 lid van voorzegd gilde geworden, sijnde hy, zoo staat daarbij aangeteekend, eens meesters soene, welke meester, ook blijkens dat Archief, was Roelof Ghijsbertszn glasmaker, die in 1555 lid werd van meergezegd gilde, waarvan zijn zoon mr. Jan in 1580 deken was.
Mr. Jan Roelofszn van Diepenbeeck had deze kinderen:
| a. | Jacob, gelaesmaker te Eindhoven; |
b. | Gijsbert, glasschilder 1); als man van Maria Kars kocht hij in 1634 (Reg. n° 372 f. 399) het huis, dat staat aan aan den W.-hoek St. Jacobs- en Hinthamerstraten 2); |
c. | Gerard; |
d. | Roelof, schrijnwerker; hij erfde van zijnen vader het huis de Kattendans en huwde Mayken N., die hem o.a. schonk 3): Maria, welke 20 April 1620 in de eerste St. Jacobskerk van den Bosch gedoopt werd en aldaar 17 Januari 1644 huwde met Arnoldus Tybosch Joostzoon; |
e. | mr. Abraham, de beroemde schilder, 9 Mei 1596 in laatstgezegde kerk gedoopt: |
f. | Peter, die in 1636 reeds was overleden en tot kinderen had: Margriet, echtgenoote van Jan Colen, woonachtig te Maeseyck en Roelof van Diepenbeeck; |
de sub a-f vermelde kinderen, met uitzondering van Peter, voor wien bij plaatsvervulling optraden diens voormelde kinderen, verkochten 27 Februari 1636 (Reg. n° 370 f. 510) het huis het Simken 4);
| 100 |
| g. | Arnd, glasschilder (zie Reg. n° 315 f. 250); in 1624 reeds dood; hij huwde Christina, dochter van Anthonis Lambertszn, die hem schonk Arnolda en Elisabeth van Diepenbeeck (Schepenakte van den Bosch van 12 October 1624); |
h. | Elisabeth; zij huwde met Marcelis Aartszn de Wijze. |
Arnoldus Tybosch Joostzoon had van Maria van Diepenbeeck deze kinderen:
| a. | Roelof, wijnkooper; |
b. | Petrus, priester; hij opende in voormeld huis de Druif, dat toen aan zijne tante (van Diepenbeeck ?) toebehoorde, eene R.K. bidplaats, welke weinig bezocht werd, omdat hij de leerstellingen van Jansenius aanhing; hij hief ze op, toen hij in 1688 pastoor van het R.K. bedehuis van St. Jacob te den Bosch was geworden 1); in 1690 moest hij, waarschijnlijk wegens zijn Jansenismus, als pastoor van dat bedehuis aftreden, waarna hij zich naar Dordrecht begaf, alwaar hij 3 Januari 1715 als Jansenistisch priester overleed 2); |
c. | Catharina, huwde met Johan Gast; |
d. | Maria Tybosch, die het huis de Druif erfde en huwde met Gerard Notelaers. |
Het op De Druif volgend hoekhuis heette in 1671 de Bril.
Het schuins tegenover het Krankzinnigengesticht loopend straatje Achter de mollen is aldus genaamd, omdat aan den O. hoek van dat straatje en de Hinthamerstraat staat het huis, de Drie zwarte mollen geheeten; dat huis behoorde in 1694 toe aan voornoemde Roelof Tybosch, die toen wijnkooper in den Bosch was en bij dit huis kocht het O.-waarts daarnaast staand huis de Boerendans, dat daarop daarmede vereenigd werd (Reg. n° 481 f. 139). In gezegd straatje stond oudtijds het Margriet Heeren gasthuis, dat door Margriet Heeren, de dochter van Aert Heeren, gesticht was voor vier oude vrouwen bij haar testament van 6 October 1459, waarbij zij tot de uitvoerders
| 101 |
daarvan benoemde Arnout Heeren en Jan Wouters; zij had tot dat Gasthuis bestemd haar huis, dat stond in de straat, eerst de Gorterstraat, daarna de Lange Putstraat geheeten, tusschen het huis de Helm ex uno en de Korte Putstraat ex alio 1); dit huis werd 23 April 1601 verkocht en toen is gemeld gasthuis naar een huis, staande in meergezegd straatje, overgebracht geworden; wegens gebrek aan voldoende inkomsten moest dit gasthuis in 1753 door de Regeering van den Bosch opgeheven en met na te melden Brantsgasthuis vereenigd worden; het huis, waarin het in meerbedoeld straatje gevestigd was, is daarop den 26 April 1753 (Reg. n° 571 f. 275) door Johannes van den Oever, notaris te den Bosch, als daartoe gemachtigd bij Resolutie van Schepenen, Gezworenen en Raden van die stad, verkocht geworden aan Adriaen van der Heyden aldaar; het werd daarbij omschreven als: huys en met twee hofkens, genaamt Margriet Heeren gasthuys, slaande in een straatje achter de Drie swarte mollen, Melemans gasthuys ex uno en een gemeenen gang ex alio.
Naast dit gasthuis stond in hetzelfde straatje, zooals uit laatstgemelde akte reeds is gebleken, het Meelmansgasthuis, dat, naar van Heurn vernam, in 1400 gesticht zoude zijn door Jan Keysten en in het jaar 1412 door Christina Meelmans zoude zijn uitgebreid geworden; in dit gasthuis werden vier oude mannen gehuisvest.
In de moestuinen, welke voorheen, vóór het graven der Zuid-Willemsvaart, achter meergezegd straatje lagen, stond oudtijds het Keytsgasthuis, dat blijkens eene Bossche Schepenakte van 1580 (Reg. n° 229 f. 31 vso) ook te bereiken was door het straatje, dat thans is genaamd Achter het Schaapshoofd en tegenover het huis de Valk ligt; dit gasthuis werd door Arnd, bastaardzoon van Arnd Keyt, bij zijn testament van 20 Juni 1393 gesticht voor dertien oude vrouwen, wier getal in den loop der tijden tot twee werd teruggebracht, terwijl het
| 102 |
gebouw van dat gasthuis zelf kleiner werd gemaakt. Ook aan al deze gasthuizen maakte het Decreet van den Franschen Prefekt van 1811 een einde.
Ging men vanaf het straatje Achter de Mollen door de Hinthamerstraat Marktwaarts, dan kreeg men aan zijne rechterhand, na eenige huizen gepasseerd te zijn, eerst drie huizen, die naast elkander stonden aan den W.-hoek van het straatje, genaamd Achter de eksters en de Hinthamerstraat; daarvan heette het eerste de Drie eksters, het tweede de Drie kandelaars (dat in 1695 door Jacob Schaers gekocht werd (Reg. n° 481 f. 7), terwijl het derde de bierbrouwerij de Roode Kroon was; deze drie huizen zijn thans een groot heerenhuis met koetshuis, genummerd Hinthamerstraat 175 en 178, dat eens het eigendom was van Jan Gerard baron van Hugenpoth, president der Ridderschap van Noordbrabant.
Enkele huizen in dezelfde richting verder gaande kreeg men, ook aan zijne rechterhand; het Fraterhuis.
| 103 |
| Noten | | 1. | Men zie over deze beide huizen nog de Bossche Schepenakte van 19 Mei 1622 (Reg. n° 659 f. 214). | | 2. | Taxandria VII p. 145. | | 3. | Men zie over hem Taxandria XVIII p. 98. | | 4. | Zie de overige kinderen in Taxandria XVIII p. 99. | | 5. | Men zie hierover nog Reg. no 524 f. 305. | | 6. | Algem. Nederl Familieblad VII p. 181, alwaar ook de genealogie der familie Tybosch staat. | | 7. | G.A. Meyer t.a.p. blz. 139. | | 8. | Deel II p. 300. |
De voorname Huizen en Gebouwen van 's-Hertogenbosch III (1910) 99-103
|