|
De Kolveniersbogaard
|
Deze behoorde toe aan de Schutterij der Kolveniers of Cloveniers, zijnde een der vier schutterijen, welke men oudtijds in den Bosch had; zij droeg den naam van kolveniers, omdat hare leden met couleuren (d.i. colubra's) gewapend waren, zijnde, zooals van Heurn in zijne Beschrijving mededeelt, bussen, waaraan kolven bevestigd waren, die het uiterlijk van snaphanen hadden doch veel zwaarder dan dezen waren.
Het is niet bekend, wanneer deze schutterij, welke de jongste der Bossche Schutterijen was, werd opgericht; J. van Oudenhoven vermeent in zijne Beschryvinghe, eerste uitgave p. 56, dat Keizer Karel V haar in 1525 instelde, doch in zijne tweede uitgave houdt hij deze zienswijze niet meer vol.
Vermoedelijk had deze schutterij in den beginne eenen anderen bogaard dan den hierbedoelde, want 9 September 1583 (Reg. n° 243 f. 131) verkochten: „Jeronimus Wynants, cappiteyn, Jeronimus Benedictus ende Henrick Franssoen van Gestel, beyde
| 81 |
lieutenanten van den voirs. cappiteyn, Johan van den Kerkhoff, vendrich, Arnt Kerpers, Jan Wynants, Gerart Lintermans ende Jan Gerardtzn de Bruyn, dekenen, allen als hoeffden ende overicheyt van de gulde ende schutterye van Sunt Chiistoffel, genoempt de Cloveniers, binnen die stadt van 's Hertogenbossche (uit kracht van de volmacht door) de andere gemeyne guldebroeders en schutters der voirs. gulde ende schutterye hun gegeven opten gemeynen kerckhoff ende vergaderinghe van de de voirs. schutterye, eene huysinge ende leyve, gestaen binnen der stadt voirs. aen de Vuchterpoert, ruerlicken aen dezelve poirt suydwaert”, door Arnd Smeetsers, knecht dier schutterij bewoond. Vóór dat zij dit deden, hadden zij reeds en wel op 16 October 1582 een deel van den bogaard aan het Hinthamereind gekocht, zooals blijkt uit eene Bossche Schepenakte van 24 Augustus 1585 (Reg. n° 231 f. 68), waarin voorkomt; Alsoo Wouter Toelinck Eymhertszn een huys, erve ende hoff, genoempt de Hofstadt, staande aan het Hinthamereind tusschen de Zwengelbrug en de Pijnappelsche poort tusschen het erf der weduwe van mr. Gerit Jacobszn., schilder en hare kinderen Zuidwaarts ex uno en het erf, eertijds van Jan van Lier, daarna ten behoeve van zijne Majesteit geconfisqueerd, een gang tusschen beiden liggende, Noordwaarts ex alio, zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze, den 16 October 1582 verkocht had aan Jeronimus Wynants, Jan Claeszn van Berlicum, Jeronimus Benedictus, Henrick Fransz. van Gestel, Jan van den Kerckhoff, Aert Kerpers, Jan Wynants, Gerard Loeckemans en Jan Geritszn de Bruyn, zoo verklaren dezen, dat zij hetvoorschrevene niet hebben gekocht voor zich zelven maar ten behoeve van de Scutterye van de Coloveniers binnen deser stadt ende metten penningen derselver scutterye. Bij dit pand kochten genoemde Jeronimus Wynants, Henrick Franszn van Gestel, Jeronimus Benedictus, enz. 21 Januari 1587 (Reg. n° 244 f. 257) van Cornelia weduwe van voorzegden mr. Gerit Jacobszn c.s. nog aan een huis met erf, tuin en achterhuis, staande aan het Hinthamereind over de Zwengelbrug tusschen
| 82 |
het huis, dat, als gezegd, eertijds was van Wouter Toelinck, ex uno en dat van Nyclaes Gerardszn ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze.
Henrick Franszn van Gestel, president-schepen der stad den Bosch en kapitein, Jan van den Kerckhoff, luitenant, Cornelis Hicspoer, Goyard Vrancken, mr. Jan Typoets en Henrick van der Meer, dekens der Schuttery van de Kolveniers te den Bosch, kochten op 15 November 1595 (Reg. n° 248 f. 11) voor die Schutterij van Adriaan van Helmont ook nog aan een middelhuis met den grond, voor en achter dat middelhuis gelegen, strekkende van het gemeen water, aldaar vlietende, tot het huis van dien verkooper, staande aan de voorstraat, genaamd de Hinthamerstraat, over de Zwengelbrug tusschen het erf van Andries van Ludiek ex uno en het erf van Jan Gast, ex alio, met den gang, loopende langs het huis van verkooper en het huis van Jan Gast voornoemd, aan verkooper toebehoorende, doch met het recht van de deur, welke voor aan de straat voor dezen gang hangt, te openen en te sluiten. Dat dit goed ook voor deze Schutterij gekocht werd blijkt uit de navolgende begrenzingen, voorkomende in eene Bossche Schepenakte van 1630 (Reg. n° 366 f. 145 vso), waarbij Jaspar Gast, zoon van wijlen Jan Gast Jasparszoon, Jaspar van der Dussen als man van Catharina, dochter van voornoemden Jan Gast Jasparszn en de onmondige kinderen, gesproten uit het huwelijk van Adriaan Willemszn van Ravensteijn en Barbara, de dochter van dienzelfden Jan Gast Jasparszn, aan den kleermaker Jan, zoon van Laureyns Henrickszn, verkochten een huis en erf met een ledig plaatsje, enz., staande in de Hinthamerstraat over de Zwengelbrug tusschen het erf van de Kolveniers ex uno en dat der weduwe en kinderen Jan Corneliszn. ex alio, Den 25 Juni 1590 (Reg. n° 246 f. 367) zal deze Schutterij weder een deel van het door haar op het Hinthamereind gekocht onroerend goed verkocht hebben, want toen verkochten Jeronimus Wynants, Henrick Franszn van Gestel, Jan van den Kerkhoff, enz. aan Jan, zoon van wijlen Matheus
| 83 |
Janszn, bakker, een huis, staande op het Hinthamereind tusschen het erf van Andries van Ludiek ex uno en dat der Schutterij van de Kolveniersgulde 1) ex alio, en zich van de straat uitstrekkende tot aan het erf van die Schutterij.
De aankoopen, welke deze schutterij, als voorzegd, deed zullen zijn geschied om aan haar eenen behoorlijken bogaard te verschaffen, terwijl zij laatstbedoeld huis zal hebben verkocht, omdat zij dat niet meer noodig zal gehad hebben. In 1612 was haar bogaard blijkbaar reeds geheel voor het doel, waartoe die moest dienen, ingericht, zooals valt op te maken uit eene Schepenakte van dat jaar (Reg. n° 283 f. 375 vso) waarbij jonker Henrick van Gestel, president-schepen van den Bosch en kapitein der compaignie ofte schutterye van Sinte Christoffel, genoempt Colveniers binnen 's Hertogenhossche, Goijart Loeff van der Sloot en Arnd Kuysten, luitenants, Dirk Artszoon Tuelincks en Willem Goijartszoon van Ravenstein, vaandrigs, Dirck Loeniszn van Wyck, Aert Pauwels en Steven Albertszn Snelle, sergeants, Mattheus Lambertszn Priem, Adriaan Henrickszn en Goijaert Janszoon de Weer, dekens van gezegde Schutterij, namens dezelve eene grondrente verleenden uit: huysinge, poirten ende boogardt, staande aan het Hinthamereind tusschen de Zwengelbrug en de Pijnappelsche poort en wel tusschen het huis van Dirck Claeszn van Nistelroy ex uno en het erf van Jan, zoon van Cornelis Henrickszn., den vellenblooter, ex alio.
Van Heurn zegt in zijne Beschrijving over dezen bogaard het volgende: „het is een oud dog zeer stevig gebouw; ten Zuiden van hetzelve is een poort, waardoor de Schutterye, wanneer zy in de wapenen verschijnd, uit- en intrekt. Ten Noorden van dit gebouw staat een nieuwerwetser, waarvan het onderste gedeelte tot een keuken of kamer en het bovenste tot een kamer voor de Officieren verstrekt; deeze heeft drie schuif-
| 84 |
raamen aan de straat en een naar de binnenzyde; zy is sierlijk en koepelsgewyze met hout beschoten, hetwelk blaauw geverfd is, terwijl de lijsten verguld zijn. De boomgaard is met boomen beplant en komt tegen den Wal uit, van welken zy door een muur, in welke een poortje is, afgescheiden word; in den boomgaard is een hooge schutsboom, waarop een houte vogel gesteld word om door de Schutters te laaten afschieten; dit geschied niet jaarlijks maar het hangt af van het welbehaagen der Officieren en Schutteren. De Schutterye bezit een silvere vogel met een gouden bek, aan den hals van denzelven hangt een schild, waarop stadswapen gesneeden is; op den voetzuil van den vogel, welke zo gemaakt is, dat men die op een stok kan steken, hangen negen vergulde vuurroers of busschen, naar de oude wyze gemaakt; de overleevering wil, dat Heer Floris van Egmond op den 26 Juli 1534 den papegaai of den vogel in deeze Schutterye afgeschooten had, hy ter gedagtenis daarvan dien zilveren vogel geschonken hebbe 2); in het jaar 1728 of 1729 werd die in een oude kist, die in het gebouw der Schutterye stond, gevonden; het schijnd my toe, dat men ten tyde der belegering van de stad denzelven ter bewaring daarin gelegt hebben en dat dit denkelijk in vergeetenheid zal zijn geraekt en wel te meer, omdat na het overgaan der stad, de Burgerye ontwapend en de Schutteryen als vernietigd werden tot dat zy in het jaar 1642 door Frederik Hendrik, Prinse van Orangen, in haaren voorigen staat hersteld zijn. Als by deeze Schutterye een wapenschouwinge word gedaan en zy te dier gelegenheid door de stad trekt, word deeze zilvere vogel op een stok gestoken en door de stad mede omgedragen.
De Schutsheer (patroon) dezer Schutterye is St. Kristoffel of St. Christophorus. Het wapenschild dezer Schutterye zijn twee ouwerwetsche bussen of musketten kruisweegs overeen en sautoir met een ouwerwetsch vuurstaal in het midden
| 85 |
op dezelve. De coleuren daarvan en de tijd wanneer de Schutterye dit bekoomen heeft, zijn mij onbekend."
Tot zoover van Heurn.
Het schijnt, dat in de tweede helft der 18e eeuw de leden dezer Schutterij niet meer in den wapenhandel werden geoefend, daar toch bij een uitvoerig verzoekschrift, dat afgedrukt is in het Tijdschrift van Sassen voor N. Brab. Gesch., Taal- en Letterkunde Deel II p. 18 en vlgd., eenige leden van die Schutterij den 3 Mei 1785 aan hare Officieren verzochten om weder behoorlijk geoefend te worden. Het blijkt niet, dat op dit request gunstig is beschikt geworden, wellicht heeft men dit request niet vertrouwd omdat men er eene Patriottische drijfveer in zag; in elk geval is ook deze Schutterij evenals de drie andere Bossche Schutterijen ingevolge de Resolutie van de Staten Generaal van 3 October 1789 ontwapend en daarna bij hunne Resolutie van 9 November daaraanvolgende voor goed ontbonden verklaard. Van af dit oogenblik hield ook zij op als openbaar lichaam te bestaan; zij bleef daarna nog eenige jaren als eene particuliere vereeniging in stand, totdat den 23 Januari 1802 haar bogaard wegens schuld gerechtelijk werd verkocht; kooper werd toen daarvan Dominicus Luypen, woonachtig te den Bosch, bij eene akte, waarin staat, dat ten laste van mr. Adriaan Hendrick de Roock, als kapitein van den Colveniers Bogaard, bij executie wordt verkocht, eene huizinge en erve, groote open plaats met zwaare boomen, alsmeede een moeshof of tuin met de hovenierswoning daarbij en naast aangeleegen 3), staande en geleegen op het Hinthamereinde alhier, genaamt de Kolveniersbogaard, tusschen ex uno de erve H. van den Bichelaar, ex alio de erven van de weduwe van Drunen en meer anderen, strekkende voor van de gemeene straat tot aan dezer stads Dieze.
Wat er toen van de roerende goederen deze Schutterij is geworden is niet meer bekend, behalve dat haar vaandel thans
| 86 |
in het bezit is van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noordbrabant; in het midden daarvan staat het wapen dezer schutterij en in deszelfs vier hoeken de wapens van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, het Hertogdom Brabant, de stad den Bosch en de familie van Beeken; het blijkt niet dat dit vaandel dat was, hetwelk de Regeering van den Bosch omstreeks het jaar 1642 aan deze Schutterij schonk. Verder bezit gezegd Genootschap een exemplaar van hare koperen Schutterspenningen; ook heeft het eene afteekening van eenen zilveren penning dezer Schutterij; op de voorzijde daarvan staat het omschrift: Int jaer 1693 was corporael Johannes van Esch en op de keerzijde waarvan zich bevindt het gekroonde wapen van den Bosch met het omschrift: Onder Johannes Paaters serjant van die edele man h. Colveniers; een volgnummer had deze penning niet, zoodat die geen gewone schutterspenning zal geweest zijn 4).
De gebouwen van den bogaard dezer Schutterij zijn thans geheel verbouwd of door andere vervangen, zoodat op het Hinthamereind nu niets meer van het bestaanhebben dezer Schutterij valt te bespeuren.
Behalve die gebouwen was er oudtijds op het Hinthamereind geen enkel gebouw van eenig aanbelang, behalve de stadspoorten 5) en de kruittoren op de Hofstad, doch daarvan is de geschiedenis reeds in de Inleiding van dit werk medegedeeld, zoodat wij bij onze rondwandeling dit gedeelte van het Hinthamereind kunnen verlaten en daarom zullen terugkeeren naar de Hinthamerstraat.
| 87 |
| Noten | | 1. | In 1587 waren daarvan eigenaars de erfgenamen van Aleid Lamberts. | | 2. | J. van Oudenhoven Beschrijvinghe eerste editie p. 57. Men zie echter Dr. C.R. Hermans Kronijken p. 109. | | 3. | Deze woning met tuin werd door de Schutterij der Kolveniers ten haren bate verhuurd. | | 4. | Jhr. mr. J.B. Verheyen. Bijdrage tot de geschiedenis der voormalige Schutterijen te 's Bosch p. 30. | | 5. | Buiten de Hinthamerpoort stond op het Vrijdom der stad den Bosch de kapel van Hintham, die door de Regeering van die stad wegens bouwvalligheid in 1649 is afgebroken. |
De voorname Huizen en Gebouwen van 's-Hertogenbosch III (1910) 81-87
|