|
Geert van Woustraat
Door Henny Molhuysen
Aan het einde van de Berewoutstraat, vlak bij de wal, naast de huidige voormalige kazerne, bevond zich vijfhonderd jaar geleden een klokkengieterij. In het pand 'De Clockgieterspoort' werd dit beroep uitgeoefend door Gobelinus Moer. Door Van Sasse van Ysselt wordt beweerd dat Geert van Wou de compagnon was van deze klokkengieter; in werkelijkheid was hij diens concurrent.
Geert van Wou was waarschijnlijk afkomstig uit Nijmegen, waar zijn vader eveneens klokkengieter was. Aan het eind van de vijftiende eeuw kwam hij naar Den Bosch, waar hij na enige tijd poorter werd. In het poortersboek staat hij omschreven als 'magister Cherardus de Woude, filius quondom Wilhelmi klockgieter' (dat wil zeggen: meester Geert van Wou, de zoon van wijlen Willem, klokkengieter).
Geert van Wou ging werken (misschien deed hij dat al eerder als leerling) in de werkplaats van Willem Hoernken, die in 1474 overleden was. Zijn weduwe Luitgart besloot de klokkengieterij van haar man voort te zetten 'comme heur broot ende nootdruft te wynnen voer heur einde voer heur tien levende kynder'. Om deze zaak voort te zetten sloot zij in 1475 een overeenkomst met Geert van Wou.
De jonge Van Wou had de wind niet mee. Concurrentie ondervond hij van de eerder genoemde Globelinus Moor, terwijl ook het afzetgebied van de Bossche klokkengieters kleiner werd door de opkomst van de Mechelse gieters.
Beide Bossche klokkengieters besloten daarom samen te werken; dat deden zij onder meer in 1477 toen zij gezamenlijk drie klokken goten voor de St. Eusebiuskerk in Arnhem. De samenwerking bleek niet van lange duur: in 1481 en 1498 goot Van Wou alleen nog twee klokken voor Arnhem.
Geert van Wou kreeg méér opdrachten van buiten de stad. In 1479 goot hij zes klokken voor de Utrechtse Dom. Een jaar later een klok voor de Stift- und Pfarrkirche in Kleef. In de middeleeuwen was het gebruikelijk dat grote klokken ter plaatse in een tijdelijke klokkengieterij werden vervaardigd. In Kleef was dat kennelijk niet het geval. Want toen de kerkmeesters bij gerucht vernamen dat de voor hen bestemde klok misschien naar elders verkocht zou worden, stuurden zij een bode naar Kampen - waar Van Wou vertoefde - om die informatie te controleren.
Geert van Wou was in Kampen om er opdrachten in de wacht te slepen. Dat is kennelijk gelukt, want in 1480 gaf het stadsbestuur van Harderwijk, op verzoek van het bestuur van Kampen, toestemming aan 'Gheert van Wou, klockengheter van sHartogenbussche' en aan enige van zijn knechten vrijgeleide om in de stad te komen. Vandaar zou Van Wou doorreizen naar Amsterdam om er het benodigde materiaal voor de Kampener klokken aan te schaffen.
Deze Kampener bestelling was een keerpunt in het leven van Geert van Wou. Hij besloot 's-Hertogenbosch te verlaten en zich in Kampen te vestigen. Na zijn vertrek hield ook de klokkengieterij van Hoernkens op te bestaan… Vanaf 1480 is Gobelinus Moer de enige Bossche klokkengieter.
Niet alleen in Kampen, maar ook in Lübeck, Enkhuizen, Rhenen en Harderwijk voorzag hij torens van klokken. Hij was een befaamd vakman. In 1527 stierf hij. Op 23 december 1527 werd hij in de St. Nicolaaskerk van Kampen begraven. Zijn zoon Willem betaalt in dat jaar een bedrag van zeven pond voor het graf van zijn vader: 'Wylm van Wou van syns vader grove'. De jongste zoon, Geert, zette het bedrijf van zijn vader in Kampen voort.
Brabants Dagblad donderdag 29 januari 1987
|