's-Hertogenbosch 6 maart 1698 - 3 november 1783
Zoon van Prof. Benjamin Noortberg (1652-1731) en waarschijnlijk aan de Illustre School te Den Bosch opgeleid. Werd 15 september 1717 te Leiden voor de theologie ingeschreven en in 1721 als proponent beroepen naar Meeuwen (N.B.), maar het beroep werd 23 oktober 1721 door de Vrouwe van Eethen, Meeuwen en Babyloniënbroek, patrones van de kerk van Meeuwen, verworpen. Ook een tweede beroep naar Meeuwen, van 26 augustus 1722, kon de goedkeuring van de hoge Vrouwe niet verwerven.
Op 23 april 1724 deed Noortbergh zijn intrede als predikant te Drunen (N.B.); 16 februari 1738 ging hij in gelijke functie over naar Den Bosch. Hij woonde daar in de Choorstraat.
Na de dood van G.U. Roemer (1672-1741) werd Noortbergh op zijn verzoek 13 februari 1741 tegelijk met Corn. De Witt (1695-1771) benoemd tot hoogleraar in de Oosterse talen, voorlopig zonder salaris. Toen E. de Joncourt (1697-1765) in 1748 Den Bosch verliet verzocht hij diens leerstoel in de wijsbegeerte te mogen bezetten, maar dit werd hem geweigerd. Na de dood van De Joncourt werd hen 4 september 1765 een jaarwedde van ƒ 125,- toegekend; na de dood van Corn. de Witt werd dit bedrag verhoogd tot ƒ 250,-. Hij heeft zijn dubbele functie vervuld tot zijn emeritaat, 20 juli 1774. Op 8 november 1783 is hij in de St. Janskerk begraven.
| 269 |