Hoofdmenu

Artikelen    
Boeken    
Duijvendak    
Genealogie    
afb. Fotopersbureau Het Zuiden

Franciscus Antonius Augustinus van Lanschot (1768 - 1851)

Geboren op 28 augustus 1768 te 's-Hertogenbosch, gehuwd op 21 mei 1792 te Vught, overleden op 21 februari 1851 te 's-Hertogenbosch. Firmant: 1799-1851. Hij stond vermeld op de lijst van hoogstaangeslagenen, met in 1848 een aanslag van f 1901,05. Onder de leiding van Franciscus groeide het familiebedrijf uit tot een van Brabants belangrijkste ondernemingen. Franciscus Antonius Augustinus was de enige zoon in het gezin en het stond daarom al vroeg vast dat hij in het voetspoor zou treden van zijn vader, Godefridus. Niettemin werd Franciscus, toen zijn vader in 1799 onverwachts aan een galaandoening overleed, geheel onvoorbereid geconfronteerd met de overname van het familiebedrijf. In de jaren 1790-1792 was hij opgeleid tot suikerraffinadeur en hij oefende dit beroep tot 1799 uit. Hoewel hij dus niet onbekend was met het zakenleven, had hij weinig binding met het bedrijf van zijn vader. Tijdens het bewind van Franciscus zou het tot dan toe zeer ruime assortiment sterk worden beperkt. De nadruk kwam liggen op de handel in koffie, thee, suiker, kandij en rijst. De toenemende invloed van Napoleon op de beheersing van de handelsstromen zorgde tot 1810 voor een gestadige achteruitgang van de handel en tussen 1810 en 1814 tot een dramatische daling. Mede dankzij de levendige smokkelhandel, wist Franciscus zijn bedrijf in deze periode staande te houden. Nadat 's-Hertogenbosch in januari 1814 door de geallieerden was bevrijd, herstelde, zoals elders in het land, de handel in Brabant zich snel. De groothandel van Franciscus groeide tot 1817 in rap tempo. Daarna keerde het tij definitief voor de handelssector van de firma. Ofschoon de neergang van de handel in koloniale goederen er mede toe leidde dat de kassiers-en bankzaken zich tot zelfstandige onderdelen van het bedrijf ontwikkelden, bleef Franciscus van Lanschot zich in de eerste plaats als koopman beschouwen. De goederenhandel bleef dan ook gedurende de gehele periode waarin Franciscus als firmant de lakens binnen het bedrijf uitdeelde, gecombineerd met kassierszaken. Die combinatie kwam ook bij andere ondernemingen, zoals bijvoorbeeld bij de in 1824 opgerichte Nederlandsche Handel Maatschappij, tot ver in de 19e eeuw voor. De kassiers- en bankzaken die Franciscus ontplooide, dreven geheel op het eigen vermogen. Enerzijds zorgde dit voor een grote soliditeit en liquiditeit, anderzijds vormde het betrekkelijk kleine kapitaal een belangrijke beperking van zijn rol als stimulator van de Brabantse nijverheid. Noodgedwongen konden hierdoor slechts kort-lopende kredieten worden verstrekt. Andere door Franciscus van Lanschot ontplooide bankiersactiviteiten waren incasseren en disconteren van wissels van cliënten, bemiddelen om voor relaties wissels te incasseren en wisselen van buitenlandse valuta.
In tegenstelling tot zijn vader en grootvader was Franciscus, als katholieke Brabander, niet langer veroordeeld zich te onthouden van bestuursactiviteiten. De Bataafse omwenteling opende hiertoe mogelijkheden, die Franciscus heeft aangegrepen. De jarenlange ongelijke behandeling van de Generaliteitslanden had bij veel Brabanders een vruchtbare voedingsbodem gekweekt voor een vijandige houding tegenover overheid en Oranje. Samen met zijn vader Godefridus behoorde Franciscus in 1786 tot de oprichters van de Vaderlandsche Sociëteit in 's-Hertogenbosch. Deze sociëteit (officieel tot nuttige en aangename bijeenkomst en conversatie), hield haar leden op de hoogte van de gebeurtenissen in het land en zou tenslotte uitgroeien tot een patriottische pressiegroep. De sociëteit had nauwe binding met de in 1785 uit een lange slaap ontwaakte schuttersgenootschappen, zoals dat van de Colveniers, waarvan Franciscus lid was. In 1787 werden de vier Bossche schuttersgenootschappen samengevoegd tot een burgercorps, dat zich provocerend ten opzichte van orangisten zou opstellen. Dergelijke genootschappen speelden een belangrijke rol in het bewustwordingsproces van de katholieke Brabanders. Uiteindelijk zouden in 1790 zowel de Vaderlandsche Sociëteit als de schutterijen en het burgercorps worden verboden en de patriottenbeweging met harde hand onderdrukt. In de woelige jaren die volgden, zou Franciscus van Lanschot tal van openbare funkties bekleden. In 1793-1794 stond hij aan het hoofd van de armenzorg in het gebied rond de Markt in 's-Hertogenbosch. Na verovering van de stad door de Franse legers in 1795, werd een door Franse vertegenwoordigers benoemde stedelijke regering gevormd, waarin katholieke Bosschenaren werden opgenomen. In januari 1795 werd Franciscus door de nieuwe stedelijke regering tot ontvanger der imposten van stad en vrijheid van 's-Hertogenbosch benoemd. Deze functie heeft hij tot 1797 bekleed. Van dat jaar tot 1806 was hij werkzaam als ontvanger der verpondingen en gemene middelen over het kwartier van Maasland. In 1806 werd hij door Gogel, minister van Financiën, benoemd tot commissaris tot het werk van verponding in het arrondissement Oss, een post die hij na enkele maanden al voor gezien hield. Een jaar later werd hij benoemd tot lid van de het Collegie van Politie te 's-Hertogenbosch. In het voorjaar van 1810 lijfde Napoleon Zeeland, Brabant en het Land van Maas en Waal in. Enkele maanden later volgde de rest van Nederland. De inlijving had grote gevolgen voor wetgeving en bestuur. In mei 1810 werd een lijst van hoogst aangeslagenen opgesteld (met daarop Franciscus van Lanschot) waaruit leden benoemd moeten worden voor bestuurscolleges in het Département des Bouches du Rhin. Franciscus werd bij Keizerlijk Besluit van 21 juni 1810 tot lid van de municipaliteit van 's-Hertogenbosch benoemd. Hij bleef tot aan zijn dood in 1851 lid van de gemeenteraad in zijn stad. Voor Franciscus betekende het einde van de Franse overheersing in 1814 geen breuk in maatschappelijk opzicht. Hij bleef actief als bestuurder. Zo bekleedde hij het rechterschap aan de door de Fransen ingestelde rechtbank van koophandel in 's-Hertogenbosch (1811-1816), was hij lid van de Provinciale Staten (1819-1821), lid van het bestuur van de in 1841 opgerichte Bossche Kamer van Koophandel (1841). Hij nam deel aan diverse provinciale commissies en hij bleef zich tot aan zijn dood actief inzetten voor verbetering van het lot der armen in de stad.
Op 10 maart 1825 werd het agentschap voor de Nederlandsche Handel-Maatschappij opgedragen aan Franciscus van Lanschot en hij heeft als zodanig tot 1846 een belangrijke rol gespeeld bij het verwerven van opdrachten van de NHM voor de Brabantse industrie. Op de verjaardag van koning Willem II in 1846 werd zijn inzet bekroond door de benoeming tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Jacoba
Catharina Maria van Rijckevorsel: Geboren op 18 december 1769 te 's-Hertogenbosch, overleden aldaar op 6 april 1838.
Familie Van Lanschot 1294-1982
Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC)
Toegangsnummer: 200.

Franciscus Antonius Augustinus van Lanschot
323


Maarten Duijvendak, Rooms, rijk of regentesk ('s-Hertogenbosch 1990) 323
 


1942

H.P.W. van Ravestijn

Het bedrijf onder leiding van Franciscus Antonius Augustinus (1799-1851)
in: De firma F. van Lanschot sinds 1737 ('s-Hertogenbosch 1942) 79-109
1953

A.R.M. Mommers

Lanschot, Franciscus Antonius Augustinus van
Brabant van Generaliteitsland tot Gewest II (1953) 450
2003

Theo Hoogbergen

Beroemde Bosschenaren (III) : Aandacht voor meer persoonlijkheden
Bossche Bladen 1 (2003) 22-23  [pdf]
 

1972

F.G.G. Govers

Het geslacht en de firma F. van Lanschot 1737-1901, XXV
Stichting Zuidelijk Historisch Contact | Tilburg 1972