|
Een toerist
Door Henny Molhuysen
Afhankelijk van het weer is het deze periode druk of zeer druk in de Bossche binnenstad. Duizenden niet-Bosschenaren brengen een bezoek aan de Sint-Jan, varen over de Binnendieze, eten en drinken er. Dit toerisme is echt een verschijnsel van deze eeuw. Vroeger trok men niet zomaar naar een andere stad of een ander land. Deed men het toch, dan was er meestal iets bijzonders aan de hand.
In 1798 bracht dominee Hanewinkel een bezoek aan 's-Hertogenbosch en maakte daarna voetreizen door de Meierij. Over deze reizen schreef hij uitvoerig in brieven.
De toerist Hanewinkel brengt ook een bezoek aan de stadswallen. De stad vindt hij „eene schoone en luchtige plaats” en natuurlijk neemt hij een kijkje in de Sint Janskerk: „De grootste en schoonste van ons geheel Vaderland.” Het fraaie stadhuis krijgt ook aandacht van de dominee die ook belangstelling heeft voor het carillon, „zijnde veel beter dan dat van de groote Kerk”.
Aandacht heeft Hanewinkel ook voor het Vleeshuis, dat op de hoek van de Markt en de Pensmarkt stond. Alleen zonen en schoonzonen van slagers mochten meester van dat gilde worden. Dat was er de oorzaak van dat het slagersgilde het enige katholieke gilde van de stad bleef. Hanewinkel had een andere verklaring: „Bij den overgang van 's Bosch aan de Staaten in 1629 hebben de Roomschen de Vleeschhal in plaats van de groote Kerk gekoozen, zodat er volgens de gemaakte voorwaarde geen een Gereformeerd slager met zijn vleesch in mag komen.” En de Bosschenaren zelf? „De zeden zijn hier over het algemeen zeer slecht en geweldig bedorven.”
„Bij schoone avonden is de gansche Bosch de deur uitgeloopen, en is op straat. Ieder staat dan tot tien of elf uuren voor zijne deur, en babbelt met zijne buuren; dan worden anderen braaf gehekeld. Kwaadsprekendheid en bedilzucht zijn de onafscheidbare kenmerken der Bosschenaars.”
Veel waardering had de dominee niet voor de cafés van 200 jaar geleden, de koffiehuizen. „In het Coffijhuis en andere herbergen wordt altijd, en vooral des avonds, gespeeld; er moet dan ook, en dit spreekt van zelve, een glaasjen geledigt worden. O welk een rampzalig tijdverdrijf! Speelen en drinken! Moet of mag men op zulk eene wijze den kostelijken tijd die, eens voorbij gesneld zijnde, nimmer terugkeert, den hals breeken. Gij kunt U dus wel begrijpen, hoe verveelend mij het Coffijhuis was, want er wordt geen een verstandig gesprek gevoerd. Ik heb ook andere herbergen bezocht; doch ook hier zijn kaarten en drinken de eenige geliefkoosde bezigheid.
Brabants Dagblad donderdag 9 augustus 1990
|