Veere - na 1815
Het is niet bekend, waar hij zijn opleiding heeft ontvangen. In 1767 werd hij predikant te Mijdrecht (Utr.) in 1769 te Veere, 19 november 1780 te Den Bosch. Toen A. Carp (1746-1838) in september 1781 naar Dordrecht was vertrokken, werd aan Haak Forsborgh de tweede leerstoel voor de theologie, naast J. Frantzen (1748-1785), aan de Illustre School toegewezen. Toen ook Frantzen Den Bosch ging verlaten en naar Groningen zou vertrekken, besloot de raad 12 november 1783 op voorstel van de regerende president-schepen Prof. D. Mobachius Quaet (ca 1700-1784), voor elk van de vakken, waarin het onderwijs volgens een resolutie van de Raad van State van 4 oktober 1765 voortaan bekostigd zou wrden (theologie, wijsbegeerte, Grieks, Oosterse talen), slechts één hoogleraar in functie te laten en de vacature-Frantzen dus niet te vervullen. Eerst na de dood van D. Mobachius Quaet, die op grond van een vroegere regeling nog steeds een salaris van ƒ 125,- genoot, kon de resolutie geheel tot uitvoering komen. Haak Forsborgh, als theologisch hoogleraar alleen overgebleven, Gallé, de Booy en Van Drunen kregen nu ieder ƒ 250,-.
Waarschijnlijk heeft Haak forsborgh zijn professoraat bekleed tot de opheffing van de Illustre School in 1810. In de geest van de Verlichting gaf hij ook onderwijs in „natuurlijke theologie”. In 1815 is hij als predikant met emeritaat gegaan. Een beroep naar Goeshad hij in 1796 afgeslagen. Over zijn houding in de strijd tussen Patriotten en Prinsgezinden en over de beschuldiging, die tegen hem en anderen werd ingebracht, is in het Levensbericht van J.J. van Drunen gesproken.
Haak Forsborghs vrouw Johanna Simons is, 71 jaar oud, 31 maart 1803 in de St. Janskerk begraven. Reeds 25 juli 1803 trad hij te Den Bosch opnieuw in het huwelijk, nu met Antonia Catharina Wilhelmina Lormier, geb. te Rijswijk en wonend te 's-Hertogenbosch. Misschien heeft dit huwelijk hem aanleiding gegeven om 16 oktober 1804 van de gezusters Theodora Maria van Rijckevorsel-van Lanschot (1776-1854), echtgenote van
| 321 |