zelfde jaar deed hij zijn intrede als predikant te Loenen op de Veluwe, 21 juni 1687 te Brummen, 3 augustus 1693 te Den Bosch. Daar wist hij 8 augustus 1703 met zijn collega Johannes Leyendecker (1668-1722) en de ouderling mr. Frans van Heurn (1645-1707), samen optredend namens de kerkeraad, met de drossaard van St. Michiels-Gestel, Isaac Elsevier, van schepenen gedaan te krijgen, dat Bernardus Gisbertus de Cock van Opijnen (gedoopt St. Jan 7 maart 1694), het zoontje van jhr. Jacob Jan de Cock van Opijnen (overleden 1711), wiens vrouw, Clara van Varick, op haar sterfbed verklaard had, hervormd te zijn, als kind uit een gemengd huwelijk aan de vader werd ontnomen om te Tiel door bloedverwanten van de moeder in de hervormde godsdienst te worden opgevoed.
Als executeur van het testament van Jacoba Demetrius verkocht Van Eybergen 14 oktober 1710 de z.g. Herenkelder aan de Papenhulst aan Willelm Schuyl van Walhorn, oud-president-schepen van 's-Hertogenbosch.
Na het vertrek van A. Chanfleury (1666-1714) naar Amsterdam werd aan Van Eybergen 6 augustus 1706 het hoogleraarschap in het Grieks opgedragen, waarvoor hij twee maal per week een publiek college moest geven. Op 10 juli 1730 werd hem een leerstoel in de theologie toegewezen; het Grieks moest hij toen afstaan aan G. Haverkamp (1674-1752). De Bossche regering stelde zijn salaris als hoogleraar in de theologie vast op ƒ 40,-, maar dit werd door de Raad van State verhoogd tot ƒ 500,-.
De Waalse kerkeraad verzocht Van Eybergen 1 december 1721, zijn publieke colleges Grieks voortaan niet meer in de Waalse kerk te geven; het blijkt niet, waar hij de eerstvolgende jaren gedoceerd heeft. Eerst in 1731 werd de kapel van de Zoete Lieve Vrouw in de St. Janskerk definitief tot gehoorzaal van de Illustre School bestemd. Bij de inwijding en ingebruikneming van het nieuwe auditorium sprak Van Eybergen 17 juli 1731 een rede uit, getiteld: Insignis mutatio (Sylvaeduc, 1731). Daags daarna hield hij zijn eigenlijke inaugurale rede als hoogleraar in de theologie, Super justo mode (niet gedrukt).
Met ingang van 18 mei 1738 is aan Van Eybergen als predikant en hoogleraar emeritaat verleend, met behoud van salaris en verdere voorrechten. Op dezelfde dag bevestigde hij zijn opvolger als predikant, H.G. Clemens (1701-1772), die hem 15 december 1738 ook als hoogleraar in de theologie zou opvolgen. Nog vóór het eind van het jaar is hij overleden. Volgens Sepp is zijn naam in de kerkelijke wereld meer bekend gebleven dan in de geleerde. Zijn dichterlijk talent wordt niet hoog aangeslagen.
Van Eybergen is twee maal gehuwd geweest, eerst met Gesina Hugting, later (6 juni 1723) met Cornelia Pels, weduwe van Laurens de Bruin. Uit het eerste huwelijk werden geboren: mr. Alexander Berend (overleden Coudewater 7 april 1752), raad en schepen van Den Bosch, Catharina, gehuwd met Herman Kuypers, predikant te Mierlo-Stiphout 1704, te Son en Breugel 1716, te Eindhoven 1723 (overleden 19 december 1728), en Isabella, gehuwd met Nicolaas Terstal. Het tweede huwelijk is kinderloos gebleven.
Uit het huwelijk van Van Eybergens zoon mr. Alexander Berend met Clara Maria Menten zijn in de St. Janskerk gedoopt: Thomas Jacobus 28 september 1718, Johanna Maria 23 juni 1720, Lucas 14 april 1722, Lucas (2) 14 december 1723, Cornelia Maria 10 juni 1725 (gehuwd met Pieter Hubert). De moeder is waarschijnlijk bij de geboorte van het laatste kind overleden en de vader is zeer spoedig hertrouwd, met Willemina Maria van Antwerpen. Uit dit huwelijk zijn in de St. Janskerk gedoopt: Clara Maria 16 juni 1726, Wilhelmus 13 juni 1731, Gerrit Alexander 29 januari 1733, Johanna Allegonda 20 oktober 1734 (gehuwd te Den Bosch 7 december 1763 met Jacob van Fenema, weduwnaar, predikant te Kessel bij Lith 30 oktober 1757, Ritthem, Z., 2 juni 1765, overleden 1767) en Lucas (leerling Latijnse School april 1745, begraven St. Janskerk 4 februari 1793). De derde vrouw van mr. Alexander Berend van Eybergen, met wie hij in 1741 in het huwelijk trad, Catharina Thomina Pauw, weduwe van Willem Hartman, heeft hem geen kinderen geschonken. Op 9 juni 1732 had hij bij gerechtelijke verkoop van Alard Gansneb genaamd Tengnagel (1692-1774) het voormalige klooster Coudewater onder Rosmalen gekocht, waar de Zusters Birgittinessen zich tot 1713 hadden weten te handhaven. Hier is hij ook overleden. In de stad bezat hij een huis in de St. Jorisstraat met een
| 243 |
kamer boven de Kruisbroederspoort, dat hij 11 november 1737 van Anna Maria van der Lee-Lintermans had gekocht. Dit huis werd echter 3 augustus 1748 te zijnen laste wegens schuld verkocht aan Anthony Verouden, timmerman te 's-Hertogenbosch.
De tweede vrouw van Prof. Van Eybergen, die hem slechts kort overleefde, had van haar eerste man een huis aan de Oude Dieze geërfd, met koetshuis in het Volderstraatje. Zij liet dit bezit na aan haar kleindochter van haar tweede man, Cornelia Maria, het enige kind, dat in 1738 uit het eerste huwelijk van mr. Alexander Berend van Eybergen nog in leven was. De executeur van haar testament, mr. Anth. van Heurn (1694-1759), pensionaris van 's-Hertogenbosch, verkocht 14 november 1739 als voogd over de minderjarige Cornelia Maria de huizen aan haar vader.
| 245 |