|
Christophorus Cock van Kerkwijk
Door prof. dr. F.L.R. Sassen
Heusden ± 1626 - 's-Hertogenbosch 27 februari 1678
Werd in september 1646 als „Christophorus Kerckwyck, Heusdanus, 20” te Leiden ingeschreven zonder vermelding van faculteit en promoveerde daar 25 juni 1649 onder A. Vorstius (1597-1663) tot doctor in de geneeskunde. Het blijkt niet, waar hij de volgende jare heeft doorgebracht. In 1657, 21 december, werd hij benoemd tot stadsdokter te Den Bosch en als zodanig verbonden aan het Groot-Gasthuis. In deze hoedanigheid nam hij 20 juli 166 met L. de Bils (1624-1669), Fl. Schuyl (1619-1669) en tien andere medici ten stadhuize van Den Bosch deel aan het onderzoek van het lijk van de „Oirschotse non”, Magaretha van Valckenisse (1605-1658).
Na het vertrek van Prof. Donckers uit Den Bosch werd De Cock 19 juli 1667 benoemd tot hoogleraar in de geneeskunde zonder geldelijke beloning. Op 5 januari 1672 wijdde hij het koor van de Begijnhofkerk als gehoorzaal van de Illustre School met een (niet gedrukte) rede in. De belangstelling in zijn onderwijs schijnt echter gering te zijn geweest. De pedel Cornelis Spuls verklaarde 12 januari 1675 voor notaris Daniėl Boons, dat Prof. De Cock de laatste drie jaren herhaaldelijk in het auditorium was verschenen, maar bij gebrek aan toehoorders geen college had gegeven. Op last van de hoogleraar had Spuls meermalen studenten van alle faculteiten verzocht te komen, maar nooit had iemand zich laten zien.
Toch schijnt De Cock aan de Illustre School zeker aanzien te hebben genoten. Toen Prof. R. Vogelzang (ca. 1610-1679)
| 218 |
in 1675 naar Deventer vertrok, sprak hij namens de collega's een „oratie van dancbaerheyt” uit. Na zijn dood kende de stadsregering aan zijn erfgenamen een bedrag van 250,- toe „voor gedane diensten en de vele moeiten bij het oprichten van de rariteytencamer”, die in 1677 in de Vughterbinnenpoort was gevestigd, ter plaatse waar vroeger de chirurgijns zich in de anatomie hadden geoefend.
In een uitvoerig gedicht van bedenkelijkr poėtische qualiteit, Pestbasiliscus (Den Bosch 1668), liet De Cock zich spottend uit over de angst, die men in de Meierij koesterde voor de in 1668 daar heersende pest; voor de boeren waren de dwangmaatregelen van de belastingambtenaren naar zijn mening een ergere pest dan de gevreesde ziekte.
De Cock had een zoon, Gielis, die de militaire loopbaan koos en gehuwd was met Sara Elisabeth Focanus, en twee dochters, die ongehuwd bleven, Johanna en Gijsberta. Deze kochten 30 mei 1692 van Ernest Baron van Mombeeke en diens vrouw Johanna Beatrix de Jeger het z.g. „Kleine Huis” aan de Papenhulst. Door het overlijden van Gijsberta kwam Johanna in het bezit van het gehele huis, maar zij verkocht het 25 oktober 1698 aan Wilbrort Schenkels.
| 219 |
| Literatuur |
| | DE HAAS, Bossche Scholen van 1629 tot 1795 ('s-Hertogenbosch 1926) 127, 129, 131-135; HERMANS, Geschiedenis der Illustre en Latijnsche Scholen te 's-Hertogenbosch, van haar ontstaan in den jare 1630, tot hare opheffing in den jare 1848 (Amsterdam 1852) 16; Litteratuur over de ,,Oirschotse non'' bij het Levenslicht van Fl. Schuyl; MOLHUYSEN, Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche Universiteit ('s-Gravenhage 1919-1924) III 24; P.G. Witsen Geysbeek, Biographisch, anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters IV (A'dam 1823) 72-73; VAN DER AA, Biographisch Woordenboek der Nederlanden (Haarlem 1852) III 546; VAN SASSE VAN YSSELT, De voorname huizen en gebouwen van 's-Hertogenbosch, alsmede hunne eigenaars of bewoners in vroegere eeuwen I-III ('s-Hertogenbosch 1911-1914) I 306, II 530; VELINGIUS, Redenvoering over de Illustre Schoole van 's-Hertogenbosch ('s-Hertogenbosch 1760) 43-44. |
Levensberichten van de hoogleraren der Illustre School te 's-Hertogenbosch 1636-1810 (1969) 218-219
|