|
Herman Gideon Clemens
Door prof. dr. F.L.R. Sassen
Groningen 20 augustus 1701 - 's-Hertogenbosch 3 februari 1772
Werd op 7 september 1716 te Groningen en in 1722 te Utrecht voor de theologie ingeschreven, legde het proponentsexamen af in 1723, werd predikant in Ter Aa (Z.) 1725, te Tholen (Z.) 1727 en te Den Bosch 18 mei 1738. Op 15 december 1738 werd hij benoemd tot hoogleraar in de theologie aan de Illustre School, als opvolger van L. van Eybergen (1663-1738). Tot de dood van B. Binet (ca 1668-1742) zou zijn salaris de helft van het gewone bedragen; daarna zou hem het volle bedrag van ƒ 500,-
| 263 |
worden uitbetaald. Hij aanvaardde zijn ambt 21 januari 1739 met een oratie Ad ideam boni theologi Jacobaeam (Sylv. Duc. 1739). Aan de Hogeschool te Harderwijk werd hij 17 augustus 1753 ingeschreven als „Hermannus Gideon Clemens, Groninganus, V.D.M. et Professor Theologiae Sylve-Ducis, Th. Cand.” en wel met het oog op het doctoraat honoris causa in de theologie, dat hem de volgende dag werd verleend.
In 1749 en volgende jaren geraakte Clemens in een langdurig en bitter conflict met de ouderling Abr. Gerlachius, auditeur-militair, die de predikanten van luiheid beschuldigde, omdat zij dikwijls hun preekbeurten verwaarloosden. De kerkeraad slaagde er niet in de partijen bij elkaar te brengen. Eerst door het vertrek van Gerlachius naar Groningen kwam aan het conflict een einde.
Met de ouderling mr. J.H. van Heurn (1716-1779) ging Clemens 8 december 1756 bij de Stadsregering klagen, dat 's-zondags onder de preek in St. Jan door spelende kinderen op het Begijnhof en op het St. Janskerkhof zoveel rumoer werd gemaakt, dat de dienst werd verstoord. Ook wezen zij erop, dat de zondag ontheiligd werd door de koophandel van allerlei aard op de Markt. De plakkaten, die daarop tegen het een en ander werden uitgevaardigd, leidden echter niet tot het gewenste resultaat.
De twist waarin Clemens in 1757 met zijn collega J. van Alphen (1716-1762) werd betrokken, wordt in het Levensbericht van deze laatste beschreven.
In 1766 viel Clemens de eer te beurt, bij de plechtige viering van de meerderjarigverklaring van Willem V (1748-1806) en diens ambtsaanvaarding als erfstadhouder en kapitein-generaal en admiraal-generaal van de Verenigde Nederlanden op 9 maart in de St. Janskerk de feestpredikatie te houden. Zijn dubbele functie als predikant en hoogleraar heeft hij tot zijn dood vervuld.
Clemens was twee maal gehuwd, eerst met Alletta Lampsius, daarna in 1742, met Barbara Antonetta Tscharner, weduwe van kapitein Adr. de Lange. De z.g. 'Klokgieterspoort', een huis met erf en hof en acht kleine huisjes aan de Berewoutstraat, dat zij van haar eerste man had geërfd, had zij reeds 28 september
| 264 |
1733 aan Thomas de Bresser verkocht. Zij bracht echter aan Clemens het kasteeltje Roojeveld onder Gemonde ten huwelijk, dat haar eveneens uit de erfenis van haar eerste man was toegevallen. Clemens verkocht het 30 april 1750 aan Corstiaan van de Meerendonk. Zijn vrouw is een half uur na hem kinderloos overleden. Beiden werden 8 februari 1772 in de St. Janskerk begraven. Drie van Clemens' collega's hielden op hem een lijkrede: D. Noortbergh (1698-1783)*, J. Mobachius (1699-1790)* en J.S. Moll*.
| 265 |
| Literatuur |
| | Boekzaal, XCVI (mei 1763), 633-634; CII (maart 1766), 319-320; CXV (maart 1772) 337-339; BWPG II 80-82; DE HAAS, Bossche Scholen van 1629 tot 1795 ('s-Hertogenbosch 1926) 150, 157, 158; HERMANS, Geschiedenis der Illustre en Latijnsche Scholen te 's-Hertogenbosch, van haar ontstaan in den jare 1630, tot hare opheffing in den jare 1848 (Amsterdam 1852) 27-28; HEZENMANS, 's-Hertogenbosch van 1629 tot 1798 ('s-Hertogenbosch 1899) 389, 393; J. v. H(eurn), Treurdicht op het smertelyk overlyden van den Hoogeerwaarden en zeer Geleerden Heer H.G. Clemens, in leeven zeer geacht en getrouw leeraar in de Gemeente Jesu Christi te 's-Hertogenbosch, en Hoogleraar in de heilige godgeleerdheid, aldaar Godzalig in den Heere ontslapen op den derden februarij 1772, 's-Hert., 1772; J.A. de Chalmot Biographisch Woordenboek der Nederlanden, A'dam, 1798, VI, 346; NNBW, Nieuw Nederlandsch Biographisch Woordenboek 1-10 (Leiden 1911-1937) I 605; SEPP, Het godgeleerd onderwijs in Nederland gedurende de 16de en 17de eeuw (Leiden 1873-1874) II 116; VAN DER AA, Biographisch Woordenboek der Nederlanden (Haarlem 1852) III 422-424; VAN SASSE VAN YSSELT, De voorname huizen en gebouwen van 's-Hertogenbosch, alsmede hunne eigenaars of bewoners in vroegere eeuwen I-III ('s-Hertogenbosch 1911-1914) I 302-303; VAN SASSE VAN YSSELT, De voorname huizen en gebouwen van 's-Hertogenbosch, alsmede hunne eigenaars of bewoners in vroegere eeuwen I-III ('s-Hertogenbosch 1911-1914) III 47 n.l.; VELINGIUS, Redenvoering over de Illustre Schoole van 's-Hertogenbosch ('s-Hertogenbosch 1760) 89; W. Meindersma, Het Bossche geschil in de achttiende eeuw over de rechtvaardigmaking, Stemmen v. Waarheid en Vrede, XLVII (1910) 1081-1096; YPEIJ / DERMOUT, Geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk (Breda 1819-1827) III 496-497. |
Levensberichten van de hoogleraren der Illustre School te 's-Hertogenbosch 1636-1810 (1969) 263
|