Johannes Bax 
? - 1552
 
Bichelaer, van den

27. Bax, Johannes - (de Herentals)

Cler. Kamerijk, A.I. 1499-1526 (1499-1552) Den Bosch

Jan Bax, Jan Backs, Jannes Bacx, werd vermoedelijk te Herentals geboren als zoon van Symon Bax. De stamvader van zijn familie was volgens een zeventiende-eeuwse genealogie een jonker die in 1312 vanuit Zwitserland naar de Nederlanden vluchtte en de toepasselijke voornaam Adam droeg. Onder diens nageslacht zouden zich diverse raadsheren van Luik, enkele drossaarden van Aarschot, een gouverneur van Gloucester, een abdis van Binderen, een ambassadeur in Spanje en een heer van Herentals hebben bevonden. Jan Bax’ zuster Jenneken zou volgens hetzelfde geschrift abdis zijn geweest van Hooidonk. Geen van deze personen is echter uit andere bronnen bekend. In het Bosch’ protocol wordt Johannes, filius quondam Symonis Bax de Herentals voor het eerst vermeld op 4 januari 1500. Hij was toen getrouwd met Heylwich, dochter van Wouter Jans vanden Hoeve en van Jenneken, natuurlijke dochter van Wouter Jans Pijnappel. Als notaris gebruikte Jan Bax een signet dat bestond uit een boom (het wapen van Herentals) met daaronder geschreven Jo. Bax de Herentals. Hij was verder clericus van het bisdom Kamerijk waartoe ook Herentals behoorde en zal dus kort vóór 1500 vanuit deze stad naar Den Bosch zijn verhuisd. Vermoedelijk kwam hij op uitnodiging van Victor vander Moelen (nr.268) die eveneens uit Herentals afkomstig was en die hij in veel functies opvolgde. Jan Bax zal verwant zijn geweest aan Katherijn Bax van Herentals die een natuurlijke dochter had van meester Ambroes van Dinther (zie nr.151). 1)
Tegen het einde van de vijftiende eeuw verschijnt de karakteristieke hand van Bax voor het eerst in de Bossche archiefstukken. Met name de eerste jaren ingrosseerde hij regelmatig voor andere notarissen, waaronder ook Victor vander Moelen in wiens akten hij tevens tweemaal als getuige figureert (1500, 1504). De eerste akte die hij zelf als notaris ondertekende dateert van 29 januari 1500, maar op basis van het handschrift kan ook een niet-ondertekende akte van 12 oktober 1499 al aan hem worden toegeschreven. Aanvankelijk was hij als klerk werkzaam op de stadssecretarie. Nog in 1506 reisde hij in deze hoedanigheid met de hoogschout naar Weert om daar aan de vorst van Anholt een getuigbrief te verzoeken wegens door Stad en Meierij verleende diensten. Daarnaast probeerde hij de hand te leggen op zoveel mogelijk andere schrijfwerkzaamheden. Hij vervaardigde tal van volmachten, afschriften en instrumenten voor de verschillende Bossche instellingen en kreeg af en toe ook een grotere opdracht, zoals in 1508/09 het maken van een inventaris van de sieraden van de O.L.V.-broederschap. In 1509 volgde hij Peter van Balen (zie nr.31) op als rentmeester van deze broederschap. Diens voorganger was Victor vander Moelen geweest. Aanvankelijk had Jan Bax tot taak om namens de proosten de renten van de broederschap te innen, de debiteuren tot betaling te manen en ieder jaar de rekening te schrijven. In 1509/10 en 1510/11 reisde hij bovendien per wagen naar Holland om daar de gelden op te halen die de vertegenwoordigers van de broederschap in dat gewest hadden ontvangen van nieuwe leden, alsook om hun boeken te controleren. In 1513 besloten de gezworen broeders de inkomsten uit renten voortaan onder te brengen in een aparte rekening. Dankzij de aanzienlijke inkomsten uit de inschrijvingen van het sterk gegroeide aantal buitenleden zullen de renten niet langer nodig zijn geweest voor de bestrijding van de uitgaven die grotendeels bestonden uit de kosten van de maaltijden die de gezworen broeders tijdens hun vergaderingen nuttigden en uit aanverwante kosten. De nieuwe rekeninghe particulier van de renten werd niet opgemaakt door de proosten maar door de rentmeester, van wiens overige werkzaamheden er nu veel werden overgenomen door een andere klerk. Op 30 mei 1525 werd Jan Bax zelf ook toegelaten tot de beperkte kring der gezworen broeders. Hij bleef rentmeester tot in 1529 toen hij werd opgevolgd door zijn zoon Simon (nr.27). 2)
Behalve van de O.L.V.-broederschap was hij van nog minstens vijf andere instellingen rentmeester. In 1511 en 1517/18 wordt hij genoemd als rentmeester van de graaf vander Marck en van Aremberg voor diens heerlijkheid Empel. Van 1515 tot en met 1525 ontving hij als rentmeester van de leprozen op de Eikendonk ieder jaar 3 gulden en 3 stuivers voor het dupliceren vande rekening. In 1523 kreeg hij voor het beuren van de renten van de broederschap van het Heilig Sacrament in de vier voorgaande jaren 6 gulden en voor het schrijven van de rekening 1 gulden en 8 stuivers. Hij bleef rentmeester van deze instelling tot 1527, waarna hij werd opgevolgd door Simon. Waarschijnlijk was hij tussen 1509 en 1517 ook rentmeester van de Clarissen, maar de rekeningen uit deze periode onbreken. Victor vander Moelen was rentmeester van dit convent van 1505 tot 1509. In deze periode werd Jan Bax namens het convent driemaal naar Turnhout gestuurd om daar een zekere Jan Rombouts gerechtelijk te vervolgen. Bovendien collationeerde Victor vander Moelen in deze tijd ook de afschriften in één van de cartularia van de Clarissen terwijl de latere afschriften steeds zijn gecollationeerd door Jan Bax. Hij zal Victor vander Moelen dus als rentmeester van de Clarissen zijn opgevolgd. 3)
Omstreeks 1500, toen Vander Moelen nog rentmeester was van de kerkfabriek van de St.Jan, schreef Jan Bax - waarschijnlijk als zijn klerk - een aantal stukken voor deze instelling. Mogelijk nog in hetzelfde jaar volgde hij hem op als "rentmeester der fabryke". In deze hoedanigheid schreef hij onder meer een cijnsboek dat nu verloren is gegaan. Ook raakte hij in deze tijd verstrikt in een proces tussen de kerkmeesters en de deken van de St.Jan. De eersten presenteerden in 1505 ten overstaan van Jan Bax als notaris meester Arnt Boest (nr.57) als rector van het St.Nicolaasaltaar. De deken van de St.Jan was echter de mening toegedaan dat de kerkmeesters niet het recht een beneficiant in zijn kerk te presenteren en schoof zijn eigen kandidaat naar voren, meester Peter Gherinx vanden Bosch. Hierbij was heer Dirck Spijs (nr.369) als notaris aanwezig. Gedurende het proces dat daarop in Leuven volgde hield meester Arnt Boest zijn aangetrouwde neef en kerkmeester van de St.Jan Henrick van Uden nauwkeurig op de hoogte van de juridische ontwikkelingen. In één van zijn brieven schrijft hij ook dat hij het betreurt dat Van Uden Jan Bax al tweemaal tevergeefs naar Boxtel heeft gestuurd om daar voor meester Arnt de stichtingsakte van het kapittel te copieëren. Zelfs al had het kapittel daarvoor toestemming gegeven dan nog was de copie waardeloos geweest want Bax had geen commissie ontvangen van de geestelijke rechter om de stichtingsakte, die door heer Jan Amelrijcx (nr.5) was opgesteld, te copiëren of transsumeren. De situatie leidde alleen maar tot groot leedvermaak bij meester Peter vanden Bosch, die niet naliet al zijn Leuvense vrienden van het voorval op de hoogte te stellen. 4)
Nog vervelender werd het voor Bax toen meester Peter zijn kwaliteiten als notaris in het geding stelde. Hij was erop uit om de notaris van de voordracht-akte van zijn concurrent in discrediet te brengen en zo meester Arnts positie te verzwakken. Meester Peter twijfelde eraan of Bax wel wettig was aangesteld en plaatste ook vraagtekens bij zijn kennis van het Latijn. Door middel van getuigenverklaringen wilde meester Arnt aantonen dat Bax wel degelijk ervaren was in het schrijven van Nederlandse èn Latijnse akten, en dat hij in de stad Den Bosch werd gehouden "pro legali et experto notario" op wiens diensten regelmatig een beroep werd gedaan. Beter nog was het als Bax zelf naar Leuven zou komen om zijn deskundigheid aan te tonen. In een brief van 10 februari 1508 schrijft Boest dan ook: "Soe voude ick wel dat Johannes Bax heir selver quaem en respondeerden selver in presentia iudicis, Latine want heet gaet hem aen syn eer. Meester Peter sal hem wel beeternisse moeten doen voer dy injurie dy hy hem overseyt heet, negerende legalitatem. Ende nu in dese articulen laet Johannes wrij een goet peert neemen ende laet hen heir coemmen, dy coesten sullen al wel betaelt weerden." Meester Ghijsbrecht die Hollander (nr.184), pensionaris van Den Bosch, had echter een eenvoudiger plan. Hij stelde voor om de schepenen van Den Bosch een getuigschrift te laten maken onder het grootzegel van de stad, waarin zij en twee of drie van de oudste raadsheren samen met twee of drie secretarissen zouden verklaren dat ze Bax al vijf of zes jaar kenden als een wettige notaris. Boest verzocht Henrick van Uden dit getuigschrift toch vooral in een doos naar Leuven op te sturen omdat anders het zegel beschadigd zou kunnen raken. Zijn tegenstander zou dan ongetwijfeld ook de echtheid van deze oorkonde in twijfel trekken, "Want", zo schrijft Boest, "meester Peter es zeer calumnioes". 5)
Jan Bax bleef rentmeester van de kerkfabriek tot in 1529, waarna zijn zoon Simon de functie overnam. Jans carrière bereikte nu een hoogtepunt. Op 11 april 1529 werd hij door Karel V benoemd tot rentmeester van de hertogelijke domeinen in het kwartier van Den Bosch. Aangezien een hoge borgsom moest worden betaald voor dit ambt moet Jan Bax omstreeks 1529 in redelijke welstand hebben geleefd. Het rentmeestersambt was vrijgekomen door de dood van meester Goert van Eyck en was vóór hem in bezit van Victor vander Moelen. Vanaf 1529 komen we Jan Bax in de archieven doorgaans tegen als hoichrentmeester des Keysers en zien we hem grote bedragen aan belastingen innen van de instellingen waarvoor hij eerder zelf gewerkt had. Daarnaast had hij tot taak ook de meer traditionele domaniale inkomsten te innen, zoals tol- en pachtgelden, en moest hij zorg dragen voor het onderhoud van de hertogelijke bezittingen. Tot zijn territorium mocht hij niet alleen de Meierij rekenen, maar ook de tot Brabant behorende vrije heerlijkheden in het noordoosten. Van de inkomsten en uitgaven maakte hij ieder jaar een rekening op in tweevoud. Eén exemplaar hield hij zelf en het andere ging ter controle naar de rekenkamer in Brussel. De reeks van de Brusselse rekeningen is nog steeds bewaard. Als rentmeester zal hij tevens lid zijn geweest van de Raad van financiën van de landsheer (vgl. nr.268). Hij had hij een klerk in dienst, die traditiegetrouw ieder jaar de O.L.V.-broederschap voorzag van één of twee zwanen, toebehorend aan de hertog krachtens het jachtregaal of het recht van zwanendrift. In de rekeningen van de broederschap wordt de klerk van de rentmeester dan ook wel pluymgreeff of pluymgrave genoemd. In 1534/35 was dat een zekere Jan. 6)
Jan Bax woonde sinds 1500 achter het Wild Varken (aan de Zijle), in een huis dat na zijn dood in 1552 werd gekocht door zijn schoonzoon meester Jacob Proening van Deventher (1556). Van 1500 tot na 1514 was Jan van Balen (nr.31) zijn buurman, en enkele huizen verderop woonde Victor vander Moelen. Ze waren toen alle drie als klerk werkzaam op het Stadhuis dat op enkele passen van hun woonhuizen lag. De bijdrage die ze leverden aan de zetting - een belasting die was gebaseerd op een schatting van de economische draagkracht van de belastingbetaler - was in deze tijd niet veel hoger dan die van de doorsnee-belastingbetaler. Bax en Van Balen behoorden ongeveer tot de 35 procent rijkste Bossche belastingbetalers, terwijl de oudere klerk Vander Moelen zich bij de rijkste 17 procent mocht rekenen. Na 1514 werden door de weerzin van de patriciërs tegen dit type belasting lange tijd geen zettingen meer gehouden, zodat de financiële situatie van drie notarissen in deze periode ook niet kan worden gevolgd. Bij de zetting van 1552 - Vander Moelen en Van Balen waren toen reeds overleden - werd Jan Bax als bewoner van de Ridderstraat aangeslagen voor 30 Carolusgulden of 600 stuivers. Daarmee zat hij op het zelfde niveau als de doorsnee-raadsheer of gezworene en behoorde hij tot de rijkste 5 procent van de Bossche belastingbetalers. 7)
Jan Bax had bij zijn vrouw Heylwich vanden Hoeve minstens negen kinderen: Heylwich, heer Frans, Anna, Katherijn, Barbara, Pauwels, Andries, Simon (nr.28) en Jacop. Van deze kinderen overleed Heylwich in 1522 of 1523. Heer Frans was kanunnik van de St.Catharina te Eindhoven en sinds 1552 gezworen lid van de Bossche O.L.V.-broederschap. Hij overleed in april 1584. Zijn zusters Anna, Katherijn en Barbara waren respectievelijk getrouwd met 0DUFXV vander Hulst, met Joest Jans van Auwen, schepen van Den Bosch, en met Jacob van Deventher Gheritsz wiens volledige naam volgens de eerder vermelde genealogie was meester Jacob Proening van Deventher Gheritsz. Hun broer Pauwels vertrok omstreeks 1550 naar Antwerpen, terwijl Andries in 1558 buiten de Nederlanden verbleef. In 1544 deed Jan Bax afstand van het ambt van rentmeester van de domeinen ten bate van zijn zoon, de klerk en notaris Simon Bax (nr.28). Zelf bleef hij echter ook actief in de financiële administratie van het Bossche kwartier. In 1549 trad hij bijvoorbeeld op als gemachtigde van de Staten van Brabant voor het uitbetalen van de renten die door inwoners van het kwartier waren gekocht van de Staten. Hij heet in dat jaar nog steeds: Jan Bax, raidt ons alder genadichsten heeren des Keysers. Toen zijn zoon Simon in 1550 overleed werd Jan samen met zijn andere zoon Jacop door de weduwe van Simon gemachtigd om de lopende zaken van het rentmeesterschap der domeinen af te handelen. Hij werd echter niet opnieuw rentmeester der domeinen zoals door Boeree wordt gesuggereerd. Jan Bax stierf op 22 juli 1552 en zijn vrouw overleed niet lang daarna op 28 april 1555. Hun graf in de St.Jan is bedekt met een steen waarop een wapen is afgebeeld met links drie kalebassen en rechts een ploeg. Misschien is dit het wapen dat Jan als rentmeester der domeinen voerde, misschien dateert het echter ook uit de zeventiende eeuw toen de grafsteen werd vervaardigd. 8)
Jan Bax' zoon Jacop werd omstreeks 1517 geboren. Hij trouwde met Anna Hack en woonde vlak bij zijn vader en oudere broer Simon achter het stadhuis. Tussen 1547 en 1559 fungeerde hij als rentmeester van de O.L.V.-broederschap, de kerkfabriek van de St.Jan en de broederschap van het Heilig Sacrament. In 1559 werd hij door de Staten van Brabant aangesteld als "rentmeester vanden bede van 35000 ponden artoys tsjaers, mitsgaders vanden imposten van die vier specien int quartier van tsHertogenbossche". Later wordt hij meer algemeen aangeduid als "ontvanger der beden" of "rentmeester van de Staten van Brabant in het kwartier van Den Bosch". Hij was echter nooit rentmeester van de hertogelijke domeinen zoals zijn vader en broer, want onder de rentmeesters der domeinen komt in de Brusselse rekeningen de naam Bax na 1550 niet meer voor. Uit de borgsommen die Jacop moest stellen voor zijn ambt en voor tijdelijke commissies blijkt dat hij bijzonder rijk was. Hij vestigde zich in het huis "de Munt" in de Postelstraat dat hij huurde van de weduwe van Aelbrecht Proening van Deventher. Jacop was in 1560 kapitein van de schutterij "de Oude Voetboog". Hij was tevens gezworen broeder en in 1572/73 zelfs proost van de O.L.V.-broederschap. In 1567 werd hij bij een onderzoek naar aanleiding van de beeldenstorm omschreven als "personne digne de foy, bon catholique et de la foy et église romaine". Hij steunde de stadsregering tussen 1567 en 1577 herhaaldelijk met renteloze leningen voor het onderhoud van het garnizoen. Vermoedelijk probeerde hij op deze wijze plundering van zijn huis te voorkomen. Desondanks werd dit huis op 9 september 1571 door soldaten van het Duitse garnizoen leeggeroofd. Misschien naar aanleiding hiervan kocht Jacop in 1577 het kasteel "de Strijdhoeve" in Udenhout. Jacop Bax bleef zijn hele leven trouw aan koning en katholicisme, dit in tegenstelling tot veel van zijn verwanten. Zo was het huis van zijn broer heer Frans Bax, de Eindhovense kanunnik, al in 1568 in beslag genomen omdat hij ervan verdacht werd het calvinisme aan te hangen en ook al Jacops kinderen waren calvinist. 9)
Jacops oudste zoon Simon werd op 31 augustus 1564 als Simon Bacx Buscoducensis aan de Leuvense universiteit ingeschreven bij de "divites porcenses" en trouwde op 17 juni 1576 te Antwerpen met Anna van Gameren. In 1577 keerde hij terug naar Den Bosch en nam hij er het ambt van ontvanger der beden of rentmeester van de Staten van Brabant in het kwartier van Den Bosch over van zijn vader. Hij bleek een fel calvinist te zijn en was in 1577 één van de oprichters van het van de schermschool geheten "Die Jonghe Borst" die hij als kapitein omvormde tot een anti-papistisch keurkorps. De schermers en hun katholieke tegenstrevers, de vier schuttersgilden, oefenden in deze tijd een ware straatterreur uit in de stad. Zo liet Simon Bax, vanwege zijn eetlust door zijn tegenstanderes de Cueckenruyter genoemd, op 14 juni 1578 door zijn schermers het zilverwerk uit een aantal Bossche kloosters en de St.Jan weghalen. Na de afkondiging van de Unies van Atrecht en Utrecht in januari 1579 koos het Bossche stadsbestuur op 1 juli van dat jaar de zijde van Utrecht. Bij de straatgevechten die toen uitbraken vielen veertig doden. De calvinisten moesten uiteindelijk het veld ruimen. Simon vertrok naar Antwerpen waar hij nog binnen het jaar overleed. Zijn broers, Jan, Pauwels en Marcelis, die eveneens bij het schermersoproer betrokken waren geweest, traden in dienst van het Staatse leger. Jan was al sinds 1578 kastelein van Heusden. Van hieruit ondernam hij nu met zijn broers Pauwels en Marcelis regelmatig plundertochten in de omgeving van Den Bosch. Het bestuur van deze stad stelde daarop Jacop Bax en zijn vrouw in verzekerde bewaring en dwong hen een brief te schrijven aan hun zoons in Heusden. Toen de eerste brief niet dreigend genoeg bleek te zijn stelde meester Henrick Bloeymans, heer van Helvoirt en president-schepen van Den Bosch (zie nr.55), op 17 juli 1582 voor dat "men Bax zijn hooft sal affsneyden ende in een sack den kynderen thuys seynden". Het stadsbestuur vond dat wat te ver gaan en besloot aan de gebroeders Bax te schrijven dat nieuwe plunderingen verhaald zouden worden op hun vaders lichaam en goederen. Blijkbaar had de boodschap effect want kort daarna vroegen Marcelis en Pauwels verplaatsing aan naar Bergen op Zoom waar ze elkaar later als gouverneur van de vesting zouden opvolgen. Hun vader overleed op 31 maart 1591 in Den Bosch en werd bij zijn ouders begraven. 10)
De kapiteins Jan, Marcelis en Pauwels Bax werden in de Republiek beschouwd als helden. Zo zei Christiaen Huygens met gepaste trots over hen: "Deze Baxen in Den Bosch hebben met mijn vader saligher ende met ons huys altijt groote vriendschap gehouden en oock maagschap willen rekenen, met name de heeren Jan, Paulus ende Marcelis Bax." Hun neef Gerart Prouninck van Deventher vestigde in 1579 in Utrecht een calvinistisch schrikbewind en zijn zoon Jacob was commandant van Loevestein ten tijde van de ontsnapping van Hugo de Groot. Nog in de zeventiende eeuw was een jonkheer Johan Bax van Herenthals uit Den Bosch kapitein in Batavia en Ceylon, vanwaaruit hij onder meer een expeditie ondernam tegen Calcutta. Hij werd later gouverneur van Kaap de Goede Hoop. De familie Bax van Herenthals stierf - althans in de Nederlanden - tegen het einde van de achttiende eeuw uit. 11)
Noten
1.Van Sasse van Ysselt, "Genealogie", 1-2; Goeree, De kroniek, 478-480; GAH, RA 1268, fo.16r-v (4 jan.1500), fo.268r (26 mrt.1500); Bax was - althans van vaderszijde - waarschijnlijk niet verwant aan de Guillaume Back ou Backs uit Den Bosch die wordt vermeld als raadsheer van Brabant in 1515, zie: De Ryckman de Betz e.a., Armorial, II 504-505. Wel zou volgens de stamboom zijn moeder Alida Back hebben geheten; Een Henricus Bacx was vanaf 1495 onderpastoor van het Antwerpse Begijnhof en stelde daar in 1497 als notaris ook een testament op (cler. Luik, A.), zie: Oosterbosch, "Het openbare notariaat in Antwerpen", II 68 nr.54, III nr.755.
2.Bijlage II 27.1, 27.2, 268.6, 268.7, 309.2 (hand: passim); GAH, RA 1271, fo.293v (jan.1503); GAH, OA B14 (1504/05), B16 (1506/07), B26 (1516/17), GAH, IVR 416 (1502/03), 422 (1529/30); OLVB 46/47; OLVB 52, band 6, fo.174v (1503/04), band 7, fo.108v (1508/09), fo.190r-v (1509/10), fo.240r-v (1510/11), fo.294r (1511/12), fo.326v, fo.338r (1512/13), band 9, fo.1r, fo.22r, fo.36r (1513/14), fo.72r (1514/15), band 10bis, fo.37r (1525/26); Van Dijck, De Bossche optimaten, 453; Door Jan Bax geschreven of gecollationeerde afschriften van notariële akten (1365-1519): Bijlage II 5.90, 27.6, 27.35, 50.7, 43.9, 60.11, 113.1, 128.10, 166.1, 179.2, 182.1, 223.10, 246.10, 272.39, 272.42, 238.5, 264.25, 338.3, 350.3, 353.20, 362.8.
3.Boeree, De kroniek, 480; GAH, GBW 1162 (1515/17-1524/25); GAH, BHS 35 (1520/23), 36 (1527/31); GAH, Clarissen 43, fo.80r-82r, fo.207r-273r, fo.275r-280r, 44, fo.1r-83r, fo.141r-189r, 55 (1507).
4.APB, St.Jan II, passim; Glebbeek, "De kerkfabriek", 199; Mosmans, "Over de nalatenschap", 242 (vgl. Bijlage II 27.22); Bijlage II 5.104, 27,14, 182.14 (in dorso: "gequeeten, prout in libro Joannis Bacx"), 369.3; APB, St.Jan II, brieven van Boest.
5.APB, St.Jan II, brieven van Boest. Meester Ghijsbrechts advies kwam overeen met het advies dat Durantis voor dit soort zaken geeft, zie hoofdstuk II, § 2.
6.ARAB, RK 5347 (1529/30); Gachard e.a., Inventaire, II 96; De Hingh, "Studie", 35-36, 57; Boeree, De kroniek, 480-481; Van der Ree-Scholtens, De grensgebieden, 14; Van der Velden, "Het abbatiaat", 101-102; RANB, Coll.CV 1554; GAH, IVR 422 (1534/35); GAH, THG - (28 mei 1533); GAH, OA B36 (1529/30) t/m B48 (1541/42); OLVB 52, band 10, fo.275v (1523/24), band 10bis, fo.240r (1528/29), fo.336v (1529/30). Dat juist zwanen werden geschonken is mogelijk een herinnering aan de vermeende afstamming van de eerste Brabantse hertogen van de zwaanridder, vgl.: Van Lith-Droogleever Fortuijn, Sanders, Van Synghel, Kroniek, 7-8. Van Dijck meent van niet, zie: Van Dijck, De Bossche optimaten, 180-187.
7.Bijlage II 27.4, 27.22.2, 27.26, 27,28, 27.30; GAH, GG 3266 (17 april 1534); Goeree, De kroniek, 480-482; Van Sasse van Ysselt, De voorname huizen, II 150-152; GAH, OA B7 (1496), B11 (1501/1502), B12 (1502/03), B14 (1504/05), B15 (1505/06), B16 (1506/07), B17 (1507/08), B21 (1511/12), B22 (1512/13) (Achter het Wild Varken), B59 (1552/53) (blok Kerkstraat); Vgl.: Blondé, De sociale structuren, 13, 143-145, 155-157, 166-169, 202.
8.Van Sasse van Ysselt, De voorname huizen, II 150-151 (familiereconstructie niet geheel correct); Van Sasse van Ysselt, "Genealogie", 2-3; Boeree, De kroniek, x-xiv, 478-484; Van Dijck, De Bossche optimaten, 453; Van Oirschot, Middeleeuwse kastelen, 63; OLVB 49, fo.36v; Smits, De grafzerken, 219 nr.210.
9.GAH, OA B59 (1552/53, blok Kerkstraat); OLVB 52 (rekeningen 1547/48 t/m 1558/59); Glebbeek, "De kerkfabriek", 199 (vermeld vanaf 1553, volgde vermoedelijk zijn broer op in 1549); GAH, BHS 38 (1556/57); GAH, GBW 518, fo.246r-v; ABH, ZZ 334-1; Van der Velden, "Het abbatiaat", 101; OLVB 49, fo.20r, fo.39r-v; Cuypers-Van Velthoven, Documents, I 308-311; Verreyt, "Iets over Johan, Paulus en Marcelis Bax", 627-636; Boeree, De kroniek, 481-484; Van Sasse van Ysselt, De voorname huizen, I 248-249; Van de Meerendonk, Tussen Reformatie en Contra-reformatie, 82-83; Venner, "De beeldenstorm", 184, 190, 192, 194; Van Oirschot, Middeleeuwse kastelen, 81-82; Pirenne, 's-Hertogenbosch, 185-186, bijlage 3.
10.Schillings, Matricule, IV 681 nr.298, vgl. 712 nr.127; Boeree, De kroniek, vii-viii, xiii-xiv, 484-485; Hermans, Verzameling, 399-434; Van Sasse van Ysselt, De voorname huizen, II 152; Pirenne, 's-Hertogenbosch, 21-22, 36; Verreyt, "Iets over Johan, Paulus en Marcelis Bax", 627-636; Boeree, De kroniek, 481-484; Van Sasse van Ysselt, De voorname huizen, I 248-249; Pirenne, 's-Hertogenbosch, 21-22, 36, 75-76; Smits, De grafzerken, 219 nr.210.
11.Van Oirschot, Middeleeuwse kastelen, 63; Boeree, De kroniek, vii-viii, xiii-xiv; Tjaden, "De reconquista mislukt", 255-257; Idema Greidanus, "Genealogie", 15-17, 21; Van Gurp, "Bossche migranten", 53, zie ook 44-46.
A.H.P. van den Bichelaer, Het notariaat in Stad en Meierij van 's-Hertogenbosch tijdens de Late Middeleeuwen (1306-1531) (Amsterdam 1998)