|
Hoofdmenu
|
|
afb. Fotopersbureau Het Zuiden, januari 1933
|
|
Bisschoppelijk paleis (Parade 10-11)
Bisschoppelijk paleis, hoek Lange Putstraat.
Bron: Stadsarchief (0002171)
~~~
Dit paleis aan de Parade is een voormalige partriciërswoning uit de 18e eeuw. Het huidige pand ontstond door de samenvoeging van twee herenhuizen met koetshuizen en stallen. De voorgevel en het dak zijn in de 18e eeuw in een latere barokstijl vernieuwd. Het paleis beschikt over twee rijk versierde ingangen en een kroonlijst met fraaie consoles. In de periode 1985-1990 onderging het pand een grondige restauratie. Tussen 1830 en 1864 deed het dienst als kazerne en militair hospitaal. Pas in 1864 verhuisde de bisschop van Huize Gerda in Haaren naar de Parade.
Bron: 's-Hertogenbosch binnen de Veste
~~~
Rijk versierde ingangstravee en kroonlijst met consoles. Plint met cartouche-patronen als bossingen. Schuiframen met klossen en druppen onder de wisseldorpels en met waaierzwikken. Rechts van het gebouw een gepleisterd classicistisch koetshuis met kroonlijst op klossen; boven ingangsboog cartouche met een bisschoppelijk wapen.
Bron: Bossche Monumenten in Beeld
Parade 10 is het woongedeelte van het bisschoppelijk paleis. De middeleeuwse huizen die op de plaats stonden van de huidige Parade 10 en 11 kwamen in de jaren 1760 in handen van de rijke weduwe Sanuele Theophile Smits van Voorburgh, die getrouwd was geweest met de president-schepen van de stad, Leonard Jan Smits. Zij liet de huizen afbreken en in 1769 Parade 11 bouwen, en enkele jaren later Parade 10, dat in 1776 gereed kwam.
In 1827 kocht de Staat der Nederlanden de panden Parade 10 en 11 om ze te laten dienen als bisschopppelijk paleis.
Beide huizen waren van 1830 tot 1833 kazerne, en tot 1839 militair hospitaal. Daaarna werd Parade 10 een openbare lagere school.Pas in 1864, elf jaar na het herstel van de bisschoppelijke hiërachie, nam de eerste Bossche bisschop er alsnog zijn intrek. Veel later, in 1933, werden Parade 10 en 11 samengevoegd.
Bron: Bossche Pracht
|
Paleis aan de Parade
Door Henny Molhuysen
Het is een forse gevelwand aan de Parade. Maar dat valt eigenlijk niet zo op door de getailleerdheid van het gebouw. Vandaag nemen we een kijkje achter de voorgevel van: Parade 10-11.
In de middeleeuwen en ver tot in de achtiende eeuw stonden er op de plaats van het huidige gebouw een groot aantal kleinere panden die uitkeken op het Begijnhof en - vanaf het midden van de achttiende eeuw - op de paradeplaats voor militairen.
Al deze panden waren in 1776 eigendom van Samuele van Voorburgh, de weduwe van Leonard Jan Smits. Zij liet ze afbreken en A. Verhellouw, de stadsarchitect, bouwde op deze plek de twee nieuwe, grote gebouwen.
Het echtpaar Smits-Van Voorburgh had slechts eeb dochter, die de tweee panden erfde. De gebouwen raakten echter gescheiden maar werden beiden door de Staat in 1823 aangekocht. Over de toekomstige bestemming ontstond onzekerheid. Hieraan kwam in 1827 een einde, door een gesloten Concordaat: het zou een bisschoppelijk paleis worden. Dit plan is echter niet doorgegaan en daarom kwam er een nieuwe bestemming. De Belgen waren in opstand gekomen en daarom kwamen er vanuit heel Nederland troepen naar Brabant om hetzij de opstand neer te slaan (hetgeen eerst de bedoeling was), hetzij de nieuwe grenzen te verdedigen (wat later de reden was). De twee gebouwen werden ingericht tot een kazerne en enkele jaren later tot een militair hospitaal. Deze functie had het gebouw tot 1839, in welk jaar de vrede tussen Nederland en België getekend werd.
Het pand Parade 9 werd in 1840 ingericht tot een openbare lagere school. Talloze Bossche schoolkinderen zullen er les gehad hebben tot in 1863 het bisdom het gebouw kocht. Na een verbouwing verhuisde op 7 november 1864 mgr. Johannes Zwijsen naar de Parade. Vanaf die tijd is het Bisschoppelijk Paleis. Het buurpand, Parade 11, werd na 1839 enkele jaren verhuurd aan provinciale ambtenaren. Toen werd het ingericht tot 'het Hypotheekkantoor', het kadaster. Later diende het als uitbreiding van het Bisschoppelijk Paleis.
Zwijsen was de eerste Bossche bisschop na ruim tweehonderd jaar. Hij ijverde ervoor om het Mirakelbeeld uit ballingschap (het verbleef in België) te laten terugkeren. Hij steunde de restauratie van de vele Brabantse kerken, en zeker die van de Sint-Jan. „De heerlijke St. Jans-kerk, die in al hare naaktheid en verminking den aanschouwer eerbied en bewondering afdwong, gaat in volle pracht herrijzen”, schreef men in die tijd.
Voortbouwen
Zwijsen werd opgevolgd door A. Godschalk (1877-1892) die voortbouwde op het door zijn voorganger gelegde fundament. Mgr. W. van de Ven was nauw betrokken bij de opkomst van de sociale acties in zijn bisdom. De Bossche A.F. Diepen (1919-1942) had in 1895 reeds de Bisschoppelijke kweekschool - de voorganger van de Pabo - gesticht en bleef ook tijdens zijn ambt een voorvechter van het katholieke onderwijs. Mgr. W. Mutsaerts werd bisschop in de oorlogsjaren en maakte de heropbouw van vele katholieke kerken mee.
Zijn opvolger was de populaire W.M. Bekkers (1960-1966) met zijn lijfspreuk 'De liefde als wapen'. Hij maakte het Vaticaanse Concilie mee en door zijn eigentijdse aanpak van pastorale problemen verkreeg hij de sympathie en bewondering van velen. Niet alleen van katholieken, maar door zijn t.v.-toespraken was hij in het hele land bekend. 'Dagelijks dienstbaar' was de lijfspreuk van zijn opvolger mgr. J.W.M. Bluysen, die om gezondheidsredenen te vroeg moest aftreden. De huidige bewoner van het bisschoppelijk paleis aan de Parade is mgr. J. ter Schure.
In het Bisschoppelijk Paleis woont niet alleen de bisschop maar hij heeft er zijn kantoor, een eigen kapel en er zijn tal van instituten van het bisdom gevestigd. Wat er uit verdween is het Bisschoppelijk Museum, een kerkelijk museum dat tot na de Tweede Wereldoorlog in het pand onderdak bood aan een fraaie collectie. Vanaf de 70-er jaren is deze collectie te bewonderen in het Museum voor religieuze kunst in Uden.
Brabants Dagblad donderdag 5 september 1996
|
| |
Inwendig stucwerk in de gang, schoorsteenmantel van wit en zwart marmer; op de verdieping een houten schoorsteen en een plafond, alles uit de bouwtijd.
Bron: Bossche Monumenten in Beeld
|
| |
|
Parade 10
Bisschoppelijk Paleis, als particulier woonhuis gebouwd in 1776. Rijk versierde ingangstravee en kroonlijst met consoles. Plint met cartouche-patronen als bossingen. Schuiframen met klossen en druppen onder de wisseldorpels en met waaierzwikken. Inwendig stucwerk in de gang, schoorsteenmantel van wit en zwart marmer; op de verdieping een houten schoorsteen en een plafond, alles uit de bouwtijd. Op de eerste verdieping van de achtervleugel een kleine neo-gotische kapel met vijfzijdige koorsluiting, waarin twee spitsboogramen met ijzeren tracering; in de zijgevels twee 8-ruits ramen; gevels in schoon metselwerk; dak gedekt met blauwe Hollandse pannen en leien en bekroond door smeedijzeren kruis. Rechts van het gebouw een gepleisterd klassicistisch koetshuis met kroonlijst op klossen; boven ingangsboog cartouche met een bisschoppelijk wapen.
(adres: Parade 9, 10; datum: -; kadastraalnr: H 6486; monumentnr: 21769)
Rijksdienst voor de Monumentenzorg 2004
|
| |
|
Het Bisschoppelijk paleis
(No. 9)
Gaande van af den hoek der Kerk- en Peperstraat naar den hoek der Peper- en Lange Putstraat, krijgt men, na eenige huizen te zijn voorbijgegaan, aan zijne rechterhand eerst een huis, dat in eene Bossche Schepenakte van 1554 gezegd werd van het Klooster der Augustijnen te Dordrecht te zijn; later werd het genoemd het huis der Paters Augustijnen te Leuven. Cornelis Lancelot en andere paters der Orde van St. Augustijn in de Nederlanden verkochten 27 Maart 1609
| 397 |
(Reg. n°. 307 f. 332 vso) dit huis, dat toen gezegd werd te zijn: huis, erf, ledige plaats en achterhuis, staande in de Peperstraat tusschen het huis van Eerken wed. van Gerard Janszn, bakker, ex uno, en dat der erfgenamen van Heer Johan van Eyndhouts ex alio, en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan het erf van Jan, den zoon van Thomas van Turnhout, - aan Geerling Ruys Henrickszn; thans is dit huis dat, genummerd Peperstraat 19. Hiernaast staat Zuidwaarts het huis, dat Heer Nycolaus Colen, kanonik der St. Janskerk van den Bosch, in 1513 had verkocht aan zijne natuurlijke kinderen Frans en Anna. De Zusters van het Klooster achter Tolbrug te den Bosch verkochten in 1587 (Reg. n°. 244 f. 288) de helft van dat huis aan Johannes van Eyndhouts, kanonik der gezegde kerk; later werd deze ook eigenaar van de wederhelft van dat huis; hij was zoon van Jor. Adriaan van Eyndhouts en Angela, dochter van Joris Sampson en broeder van de Jors. Joris en Adriaan van Eyndhouts 1); dit huis is thans genummerd Peperstraat 17. Daarop volgt in dezelfde richting een huis, dat in 1587 toebehoorde aan Henrick Want en 29 Januari 1607 (Reg. n°. 273 f. 235) door Gooswijntken en Catharina, dochters van Dirick 's Heeren en Zeger Adriaanszn de Ruyter als man Aleid, dochter als voren, die het geërfd hadden van heer en mr. Aelbrecht Heeren Henrickszn, priester, verkocht werd aan Wouter Aertszn Houbraeken 2). Hiernaast staat in dezelfde richting een huis, dat toebehoorde aan mr. Henric van der Weyden, die vanaf 1574 - 1612 pastoor van het voormeld Groot Begijnhof was; het is thans genummerd Peperstraat 13. Daarop volgt verder een huis, dat de uitvoerder van den uitersten wil van Jenneken, dochter van Loy, timmerman van Oirschot, 24 Februari 1616 verkocht had aan Arnd Kuysten, (zoon van François en Gudula van Vechel), wiens kinderen (ex matre Jenneken, dochter van Jan Meusse), zijnde mr. Peter, priester; Nicolaas; Dirck; Jan; Franchoys en Ulanda, huisvrouw van Theodorus van
| 398 |
Berckel, dat 28 Februari 1617 (Reg. n°. 289 f. 187) weder verkochten aan Anneken, dochter van Mathijs van Loozen; deze verkocht het 1 December 1621 op hare beurt aan mr. Philps van Soerendonck, licentiaat in de H. Godgeleerdheid en penitentiarius van het Bisdom den Bosch en zijnen broeder Mathijs; beiden waren priesters en kanoniken der kerk van St. Jan Ev. aldaar en zonen van Jacob 3), den zoon van den horlogiemaker Mathijs Henrickszn van Soerendonck; zij verkochten 8 December 1626 (Reg. n°. 363 f. 96) dit huis, dat nu gezegd werd te zijn: eene nyeuwe huysinge met een en gevel, erve, hoff ende achterhuys, aan Delyken, dochter van wijlen Lambert Embertszn van der Stappen en wed. van Jan, den zoon van Jan Janszn; dit huis was naar alle waarschijnlijkheid hetzelfde als dat, hetwelk in Reg n°. 387 f. 94 vso gezegd wordt te zijn het huis eertijds der Maagden van Oirschoi, nu van Magdalena van der Stappen, Het is thans het huis van den Secretaris van het Bisdom van den Bosch en genummerd 11. Daarnaast staat ook in de richting als voren, het huis, dat Hillegondis, dochter van Coenraad van Boechem, 18 Januari 1558 verkocht aan heer en mr. Jan van Wyntelroye, priester en beneficiaat der St. Janskerk van den Bosch (Reg. n°. 202 f. 67 vso); diens gelegitimeerde bastaardzoon Everard, voor de eene helft en Maria, dochter van mr. Arnold Louwius genaamd Loeckemans en Margaretha, zuster van genoemden van Wyntelroye of Wyntelre, voor de andere helft verkochten het 1596 (Reg. n°. 259 f. 148) aan Christina de Ruyter Petersdochter, die huwde met Jan van den Kerckhoff Gijsbertszn. Thans is dit huis het koetshuis met stal van het Bisschoppelijk paleis en daarmede genummerd Peperstraat 9. Hiernaast staat het Bisschoppelijk paleis. Ter plaatse waar dit gebouw staat, stond oudtijds een huis, dat mr. Marten van Zoemeren, kanonik der gezegde kerk, gelegateerd had tot eene woning voor eenen kanonik dier kerk. Na de reductie van den Bosch werd het ten behoeve van den Staat verbeurd ver-
| 399 |
klaard en zoo kwam het, dat Peter Schuyl in diens hoedanigheid van rentmeester der geestelijke goederen te 's Hertogenbosch het 31 Augustus 1641 verkocht aan mr. Johan Gans, raad van die stad en Frans Blom, beiden in Dl. I blz. 182 genoemd; zij verkochten het 15 Juli 1644 (Reg. nos. 388 f. 559 en 386 f. 345), als wanneer het gezegd werd te zijn: huys, erve ende hoff, staande in de Peperstraat tusschen het huis, dat eertijds was van Christina de Ruyter wed. van Jan van den Kerckhoff en nu is van Jan Baudewijnszn van den Santvoirt 4), ex uno en dat van Maria van Breugel wed. van mr. Jan Costerius, ex alio en zich achterwaarts uitstrekte tot aan het erf der wed. en kinderen van mr. Philips van Heymissen, organist, aan Willem van Wilich, stadhouder van den Hoog- en Laagschout der Stad en Meierij van den Bosch, die van dit huis toen reeds huurder was en voorts door koop eigenaar was geworden van het erf van genoemden organist, waarop huisjes stonden met eenen uitgang in de Korte Putstraat.
Genoemde Willem van Wilich, die te Wezel geboren was en 31 December 1652 stierf, had tot vrouw Elisabeth van Beresteyn 5), dochter van Gijsbert Pauluszn en Maria Prins Christiaansdr. Toen zij weduwe van hem was verkocht zij 6 April 1657 gezegd huis met het daarachter gelegen erf, dat afkomstig was van genoemden mr. van Heymissen, aan Jacomo Lus, servitiemeester te den Bosch; diens weduwe en universeel erfgename, Johanna van Middelkoop, verkocht het 9 Mei 1658 (Reg. n°. 414 f. 102) weder aan mr. Johan van Blenckvliet. Zijne weduwe Maria Cornelis van Santen en de uitvoerders van zijnen uitersten wil verkochten het op hunne beurt 27 Februari 1662 (Reg. n°. 442 f. 256) aan Franchoys Focanus 6),
| 400 |
landdrost van de Meierij van den Bosch, die 5 April 1668 (Reg. n°. 449 f. 27 vso) ook nog kocht, en wel van de kinderen van Diederick van Haersolte, kapitein en majoor van den Bosch en diens echtgenoote Fenne Elisabeth van Haersolte, het kasteeltje Harenstein. gelegen aan het Groene Plein onder Haaren, dat te voren eene boerderij was en genoemde kapitein 24 Maart 1665 gekocht had van de erfgenamen van Cornelis de Groot, ook landdrost der gezegde Meierij; het werd daarbij omschreven als: eene schoone ende welgelegen huysinge, stallinge, bachuys, coetshuys, playsanten hoff, boomgaert, schoone nieuwe grachten met eene schoone dreve off allee, met schoone wel wasschende mastboomen beplant voor aan de straete, met een stachetsel ende omtrent den woonhuyse met een schoone, nieuwe optreckende brugge.
Franchoys Focanus voornoemd 7) was gehuwd met Deliana van Lanschot 8), welke hem een zoon Johan Philip Focanus schonk, wiens voogden in 1682 (Reg. n°. 500 f. 279) het kasteeltje Harenstein verkochten aan mr. Frans Dominicus van den Velde gezegd Honselaer 9). Gezegde zoon schijnt insolvabel te zijn geweest, want 4 December 1686 (Reg. n°. 503 f. 411) werd het hierbedoeld huis met uitgang in de Korte Putstraat bij gerechtelijke executie verkocht aan Cornelis Thooft, schepen van den Bosch, nadat Hendrick de Bressy, hoogschout van het Kwartier van Maasland, daarvan handlichting had gedaan. Den 3 Juni 1711 werd dat huis wederom gerechtelijk uitgewonnen (Reg. n°. 529 f. 112), nu door Cornelis Zeylmans, predikant van Zundert en Rijsbergen en Arnoldus Otto, majoor, in hunne
| 401 |
hoedanigheid van momboiren over Johanna Elisabeth, minderjarig kind van wijlen de echtelieden Johan Evert Otto, ritmeester en Johanna van Zutphen, alsmede door Adolph van der Meulen als gehuwd zijnde met Johanna Thooft; kooper daarvan werd toen Jacob Hasevoet, stadhouder van den Schout van het Kwartier van Peelland; het werd alstoen omschreven als: huis met erf, tuin, stalling en koetshuis, met uitgang in de Korte Putstraat, zijnde in huur bij Jacob van der Hoeven, heer van Heeswijk en Dinther.
Van genoemden Jacob Hasevoet, die ook nog schepen van den Bosch was, en wiens vrouw was Mechlina Clara du Mont, erfden dit huis, voor de eene helft zijne erfgename Johanna Clara Kerckhoven en voor de andere helft de erfgenamen zijner vrouw, zijnde Maria, Johanna, Juliana Elisabeth, Johannes en Gellius du Mont, hare broeders en zusters; deze erfgenamen verkochten het 1 April 1728 (Reg. n°. 543 f. 158 vso) aan Doctor Nicolaas de Blankendael, oud-schepen en raad van den Bosch; het werd alstoen omschreven als huis met erf, tuin, stal, koetshuis en pomp, hebbende een uitgang in de Korte Putstraat en staande aan de Peperstraat naast het huis van Leonard Ragay 10) (eertijds Willem Vreggen) 11) ex uno en dat der erven van den Pensionaris van Breugel ex alio.
Van genoemden Doctor Nicolaas de Blankendael werd dit huis geërfd door mr. Nicolaes de Blankendael Jr., secretaris van den Bosch, van wien het weder werd geërfd door diens weduwe Charlotte Louise Platel; zij verkocht het 25 April 1753 (Reg. no. 575 f. 50) aan Jacob Pierling, kapitein-
| 402 |
ingenieur te den Bosch; in de hiervan opgemaakte akte werd beweerd, dat het huis, hetwelk Noordwaarts daaraan grensde, ook haar huis was, doch hiertegen kwam op mr. Adriaan Schoneus, advocaat te den Bosch, die zeide het 8 Juni 1746 te hebben gekocht en het dan ook als deszelfs eigenaar aan Christiaan Lauken verkocht.
Het huis, dat Jacob Pierling als voorzegd had gekocht, werd 4 Mei 1767 (Reg. n°. 580 f. 27 vso), als wanneer hij zich noemde Jacob Pierlinck, controleur-generaal der Hollandsche fortificatiën en kapitein-ingenieur, - door zijnen gemachtigde Ary Verhellouw, architect te den Bosch, verkocht aan na te noemen Samuele Theophile van Voorburgh 12), weduwe van Leonard Jan Smits, oud-president-schepen en raad van den Bosch, die toen reeds eigenares was van het tusschen dit huis en de Putstraat staand huis; zij brak het tegelijk met dat huis af en bouwde in 1776 het tegenwoordig Bisschoppelijk paleis daarvoor in de plaats, dat hare dochter Margaretha Jacoba Smits, echtgenoote van den ook na te noemen professor Johan Bon, van haar erfde.
Hun eenig kind Elisabeth Samuelle Theophile Bon, echtgenoote van mr. François Johan Gallé, lid van het Departementaal Bestuur van Brabant 13) kreeg 2 Juli 1802 van haar dit huis, dat haar genoemde man den 8en Juli daaraanvolgende namens haar verkocht aan Gerardus Sterk, lid van de Municipaliteit van den Bosch en wonende aldaar; deze verkocht het 25 November 1803 weder aan mr. Jan Schouten, auditeur-militair en advocaat te den Bosch. Later is dit huis met dat, hetwelk tusschen hetzelve en de Lange Putstraat staat, aangekocht door den Staat, ten einde die beide woningen ter voldoening aan
| 403 |
het Concordaat van 1827 tot bisschoppelijk paleis te doen dienen; hiervan is echter niets gekomen en daarom heeft de Staat deze beide huizen van af 1830 tot 33 tot kazerne en van af 1833 tot 39 tot militair hospitaal doen dienen; later werd het huis, dat thans het bisschoppelijk paleis is, gebezigd tot eene openbare lagere school der gemeente den Bosch, wat het bleef tot dat in 1863 het Bisdom van den Bosch dat huis kocht tot verblijf zijner bisschoppen. De eerste bisschop, die er zich in vestigde, was Mgr. Joannes Zwijsen, die het 7 November 1864 metterwoon betrok en sedert dien is dit huis steeds de residentie der bisschoppen van gezegd bisdom gebleven.
| 404 |
| Noten | | 1. | Taxandria XI p. 129 en vlgd. | | 2. | Het is thans genummerd Peperstraat 15. | | 3. | Zijn andere zoon was Henrick van Soerendonck, schepen van den Bosch. | | 4. | Zijn broeder was Jan en zijne zuster Mayken van den Santvoirt, de laatste echtgenoote van Jacques Lauren. | | 5. | Hunne kinderen zijn vermeld in de Wapenheraut 1904 p. 360. | | 6. | Hij was zoon van Jacob Focanus, president-schepen van den Bosch, raad en ontvanger-generaal der beden in de Meierij van dien naam (zoon van Jacob, predikant te Vught en Sara de Witt) en van diens tweede vrouw Helena Tulleken, dochter van Rutger, schepen van den Bosch en Francina de Leeuw. | | 7. | Hij bezat ook nog het landgoed Havincdonck te Belveren onder Haaren, dat in 1502 (Reg. n°. 97 f. 266 vso) werd toebedeeld aan Jan Monicx Willemszn en 18 September 1698 bij gerechtelijke uitwinning kwam aan Maria Herincx wed. Johan van Kessel (Reg. no. 482 f. 120.) | | 8. | Zij stierf 6 Maart 1677 en werd in de St. Janskerk te den Bosch met deze kwartieren begraven:| Lanschot | Kraayestijn | | Van den Bogaert | Beveren | | Lanschot | Van Nes | | Boots | Oem |
| | 9. | Het is thans de R.K. Pastorie van Haaren Cf. Dl. I blz. 359. | | 10. | Hij was secretaris van Vught en in 1725 gehuwd met Johanna de Jongh, weduwe van Willem Vreggen; later is hij hertrouwd met Anna Verspyck, van wie hij had: Leonard, Huberta Joanna Geertruij en Anna Catharina Ragay; zijn hierbedoeld huis werd 12 Juli 1728 ten zijnen laste gerechtelijk verkocht aan Isaak van Ruelo, notaris te den Bosch. | | 11. | Hij had dit huis 21 Juni 1706 gekocht bij gerechtelijke uitwinning, gedaan ten laste van Jacob van Bree; het werd toen begrensd door dat van de erven Cornelis Thooft ex uno en dat van de onmondige kinderen van Nicolaas van Oudenhoven ex alio. | | 12. | Jan Voorburg, schepen en raad van Rotterdam, had in 1733 tot erfgenamen Magdalena van Voorburg, gehuwd met den kapitein Isaak Marcelis Rek van Muilhuijsen en Samuele Theophile van Voorburg, gehuwd met Leonard Jan Smits. | | 13. | Hij zal een zoon geweest zijn van Karel Jan Gallé, die in 1763 als predikant bij de Waalsche gemeente te den Bosch beroepen was en in 1770 professor in de wijsbegeerte aan de Illustre school aldaar werd. |
De voorname Huizen en Gebouwen van 's-Hertogenbosch II (1910) 397-404
|
| |
|
Meeëten
Door Henny Molhuysen
In Bakel werd een nieuwe kerk gebouwd. Zoiets kost geld, veel geld. Getracht werd dan ook op allerlei manieren aan de bonodigde financiën te komen. Jan Thijssen, een van de geleerdste boeren van het dorp, werd naar 's-Hertogenbosch gestuurd, naar de bisschop. Hier zou hij financiële steun moeten vragen voor de bouw van een nieuw altaar.
Onderweg naar 's-Hertogenbosch reperteerde hij voor zichzelf steeds dat moeilijke woord: monseigneur. Aangekomen op de Parade belde hij aan en een lakei met allemaal blinkende knopen aan zijn pak deed open. Jan Thijssen was helemaal onder de indruk. Het heel moeilijke woord dat hij steeds geoefend had wist hij zich ook niet meer te herinneren en daarom dacht hij: 'Ik zal de hoogste maar nemen die er is'. En op de vraag wat hij kwam doen vroeg Jan: „Is Jezus Christus thuis?” Hij werd binnengelaten en stelde zich voor: „Ik ben Jan Thijssen, ik kom van Baokel.”
De bisschop had bezoek van zijn zuster en haar kinderen, maar Jan mocht toch binnenkomen. „Goejemorge, Jezus Christus, vrouw en kindere", zei Jan. „Jan", zei de bisschop, „gao maor zitte, ge zult wel muu zijn, hedde d'r iets op tege da we doorete? Vertel is wat er te doen is. Is 't er nog nieuws in Baokel?” „Ja, m'n buurman heet een zog gekregen mee baggen. Die zog heet dertien baggen en maor twaolf tippels". „Wa moete ze dan met de dertiende doen?” vroeg de bisschop. „Die moet net als ik toekijke as de andere ete,” gaf Jan ten antwoord. De bisschop begreep de hint: „Zet bij Jan, zet bij”.
Zo gemakkelijk ging dat eigenlijk nooit, die contacten met het hoogste gezag in het bisdom. Alleen in de rubriek 'sterke verhalen' komen dergelijke gebeurtenissen voor. Maar misschien zijn ze daarom juist ontstaan: als een reactie.
Als de bisschop door de Bossche straten liep, schreed hij als een vorst. De laatste 35 jaar is dat sterk veranderd. Vooral met de komst van Bekkers in de jaren 1957-1960, toen hij nog als hulpbisschop actief was. Tijdens de jaarlijkse jeugdmanifestatie van Pax Christi in de Brabanthallen ging alles er steeds plechtig aan toe, tot de Bossche bisschop Mutsaerts de ruimte verliet. Dan werd Bekkers, de hulpbisschop, op de schouders genomen en de Brabanthallen rondgedragen! Er kwam een hele verandering binnen de katholieke kerk.
Een van de gasten die jaarlijks bij de huidige bisschop op bezoek komt, is Amadeiro XXIII. Op de zaterdag vóór carnaval meldt hij zich op de Parade, waar bisschop Ter Schure een brandewijntje met suiker en een grote sigaar heeft klaar staan. Maar meeëten is er nu ook niet bij.
Brabants Dagblad donderdag 12 maart 1992
|
| |
| 1992 |
Henny Molhuysen
Verhalen en legenden : Meeëten
Brabants Dagblad donderdag 12 maart 1992
|
| 1994 |
Redactie
Bisschoppelijk paleis en Sint-Janscentrum houden open huis op Monumentendag
Bisdomblad 36 (1994) 10
|
| 1996 |
Henny Molhuysen
Achter de Voorgevel : Paleis aan de Parade
Brabants Dagblad donderdag 5 september 1996 (foto)
|
| 2003 |
Wim Hagemans
Het bisschoppelijk paleis
Bossche Pracht 11 (2003) 251-254
|
| |
| 1776-1777 |
Aan de Parade wordt een particulier woonhuis gebouwd, dat later dienst zal doen als militair hospitaal en (nu nog) als Bisschoppelijk Paleis.
Bron: Kroniek van 's-Hertogenbosch
|
| 1833 |
Het huidige Bisschoppelijk Paleis aan de Parade heeft in de periode 1830-1839 (tijdens de Staat van Beleg in 's-Hertogenbosch) een militaire functie gehad. Van 1830 tot 1833 was het een kazerne, in de zes daarop volgende jaren een militair hospitaal.
Bron: Kroniek van 's-Hertogenbosch
|
| |
|
| 27 februari 2008 |
|
|
|
|
|