Hoofdmenu

Artikelen    
Bosch allerlei    
afb. Ed Hupkens, 16 maart 2007

Grafsteen (1519) (Parade)

Yken Goyaerts Haubraken, † 8 mei 1519

Nabij het beeld van Sint-Jan de Evangelist op de parade ligt in het plaveisel een grafsteen met de volgende tekst:

hier leet begraven ijken goeyaert haubrakens dochter baghijn die sterf ao xvc xix des sondachs nae beloken paeschen

Deze steen (50 x 79 cm) is afkomstig uit de kerk van het Bossche Groot Begijnhof, die in de loop van de zeventiende eeuw dermate in verval raakte, dat hij in 1701 is gesloopt(1). Hoe deze grafsteen uiteindelijk in het plaveisel van de Parade terecht is gekomen, is onbekend.
Yken Goyaerts Haubraken of Houbraken is een dochter van de snijder Goyaert Willems Houbraken en zijn eerste vrouw Catharina. Goyaert liet zich in 1449-1450 samen met Catharina inschrijven als lid van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. Catharina overleed in 1490-1491, waarna Goyaert hertrouwde met Aleyt, dochter van steenhouwer Michiel Bonduyel of Bondeweels en Laureynsken Gysberts Bullen. Goyaert overleed eind 1500 of in de eerste helft van 1501, Aleyt volgde hem in 1505.
Uit het eerste huwelijk worden twee dochters vermeld; Catharina en Ida. Goyaert droeg in november 1500 de nagelaten goederen van hun moeder aan zijn dochters over. Catharina droeg in 1508 een aantal goederen over aan haar zuster Ida: een erfpacht uit land te Haaren, erfcijnzen uit een huis in het Arnt Berwoutstraatje in 's-Hertogenbosch, uit land te Empel, uit een huis op de Eyckendonck, uit land te Schijndel, en tenslotte de helft van een huis in de Karrenstraat, dat aan hun vader had toebehoord.
Ida of Yken was begijn op het Bossche Groot Begijnhof. Zo liet ze zich in 1470-1471 inschrijven als lid van de Illustre Lieve Vrouwebroederschap: Yda Goyarts dochter van Houbraken begynen opten groten hof. Ze leefde een teruggetrokken bestaan op het Bossche begijnhof en heeft weinig sporen nagelaten in de archieven. Ida overleed op de zondag na beloken pasen 1519, dat wil zeggen op 8 mei van dat jaar. In de rekening van de Broederschap over het jaar 1518-1519 staat de betaling van de doodschuld voor de overleden Yda Goyart Houbraken dochter beghyne opgetekend. Ida werd zeer waarschijnlijk in de kerk van het Groot Begijnhof begraven. Die kerk is al meer dan drie eeuwen verdwenen, haar zerk heeft de eeuwen goed doorstaan en ligt nu op de Parade als laatste tastbare herinnering aan het Bossche Groot Begijnhof, dat eens op deze plaats heeft gelegen(2).

Anton Schuttelaars, 2008


 1Ad van Drunen, 'Een speurtocht naar middeleeuwse Bossche kloosters. Bouwhistorie en archeologie: betrouwbare gidsen' in: M. Ackermans en Th. Hoogbergen ed., Kloosters en religieus leven. Historie met toekomst ('s-Hertogenbosch 2002) 56-77, aldaar 65; L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch IV (Sint-Michielsgestel 1873) 371.
 2Brabants Historisch Informatiecentrum, Archief Illustre Lieve Vrouwe Broederschap 119 18r; 120 26v; 122 194v; 123 316r; 126 259v; Stadsarchief 's-Hertogenbosch, Oud Stadsarchief 1361 stadsrekening 1504-1505; 2697 Pensioenboek 79r (20-5-1481); Rechterlijke Archief 1269 212r (5-11-1500); 1277 246v-247r (7-2-1508).


Bossche begijntjes II
Door Ed Hupkens

De huidige Parade maakte in de middeleeuwen deel uit van het uitgestrekte, ommuurde gebied van het Grootbegijnhof. Begijnen waren geen echte kloosterzusters, maar hadden een status tussen die van een kloosterling en een leek in. Voor een enkele begijn ging de afzondering achter de muren van het begijnhof niet ver genoeg. Die lieten zich op het begijnhof insluiten in een van de twee aanwezige kluizen om zo in volstrekte eenzaamheid te leven. Om zelfs hun bezoekers niet te kunnen zien, maar ook om elke verleiding te weerstaan, moesten alle kluizenaars, 'hoe heylich dat sy oock sijn', een 'swart doecxsken' voor hun raam hangen.

Na de inname van Den Bosch in 1629 werd in de overgavebepalingen opgenomen dat het Begijnhof mocht blijven bestaan, totdat de laatste begijn gestorven zou zijn. Dat was in 1675 het geval, bijna vijftig jaar later stierf Cornelia van Deursen. Na haar dood ontstonden felle geschillen over de eigendom van het terrein. Deze onenigheden duurden tot 1721. Toen werd een deel van het gebied staatseigendom, en een deel stadseigendom. In de jaren daarna raakten steeds meer gebouwen van het begijnhof in verval. In 1749 werden de laatste resten van het begijnhof opgeruimd en werd het vrijgekomen terrein ingericht als parade- en exercitieplaats voor het garnizoen. Daar komt de naam Parade vandaan. Er is nog slechts één herinnering aan de Bossche begijnen: een grafzerk afkomstig uit hun kerk, aan de voet van het standbeeld van Sint-Jan de Evangelist.


Stadsblad woensdag 20 juni 2007
 

1997

Kees Veerman

Een grafsteen uit 1519
KringNieuws 4 (1997) 14-15