|
In opstand
Door Henny Molhuysen
Normaal werd er altijd in het stadhuis, in de Vierschaar, recht gesproken. Wegens de grote belangstelling voor de processen in 1477 werd de vierschaar op de Markt gespannen.
Half maart 1477 bereikte het nieuws van de dood van hertog Karel de Stoute 's-Hertogenbosch. Op dat ogenblik was het stadsbestuur aan het vergaderen over een bede, die door de hertog was gevraagd. De dekenen van de ambachtsgilden woonden deze vergadering eveneens bij. Op het bericht van de dood van de hertog brak er oproer uit. Want Karel de Stoute had nogal wat extra belastingen laten invoeren, onder andere op levensmiddelen. Dat had kwaad bloed bij het volk gezet. En de Bosschenaren kwamen in opstand: een menigte drong het stadhuis binnen en nam 43 leden van het stadsbestuur gevangen.
Het stadsbestuur bestond in die tijd uit zeven schepenen die voor één jaar benoemd werden, zeven gezworenen (= de schepenen van het afgelopen jaar) en de raadslieden (oud-schepenen). De dekenen van de 17 ambachtslieden schaarden zich bij de opstandelingen en werden niet gevangen genomen. De gevangenen werden in de boeien geslagen en in de Gevangenenpoort in de Hinthamerstraat opgesloten.
De Hoogschout ridder Pieter de Vertaing, werd gedwongen recht te spreken op de vierschaar. Voor deze gelegenheid was deze op de Markt voor het stadhuis gespannen. De hoogschout kon moeilijk weigeren, want de gewapende ambachtsgilden stonden rond de vierschaar opgesteld.
Jan van Arkel, de laagschout, is de eerste die geoordeeld wordt. Hij werd ervan beschuldigd foute optellingen inzijn rekeningen gemaakt te hebben (hij had meer ontvangen dan hij gerekend had). Op Palmzondag, 31 maart, moest hij voor de tweede maal voor het gerecht verschijnen. Na het verhoor van de getuigen valt hij op zijn knieën en vraagt zeer nederig om vergiffenis, wijzende op het lijden van de Heer, dat men op het punt staat te gedenken.
Ook andere beklaagden zouden zeer emotioneel hun verhaal doen. De omstanders waren dikwijls tot tranen toe geroerd. Dergelijke uitbarstingen zijn in de middeleeuwen gewoon. Er volgde overleg. Toen Jan van Arkel op 3 april 1477 in linnen gewaad, blootshoofds en barrevoets voor het gerecht verschijnt om het vonnis te horen, werd hij veroordeeld tot een boete van 700 rijnsgulden en werden andere zware straffen hem kwijtgescholden.
Op 12 april begint het proces tegen Jan van Erpe Aertszoon. Hij was de plaatsvervanger geweest van de vorige laagschout Willem Hinckaert. Hij werd als dé boosdoener beschouwd. Hij stemde steeds in met de door hertog Karel de Soute geheven beden en belastingen op de levensmiddelen.
Tot mei volgden er nog verschillende processen. De ambachtsgilden gingen echter inzien dat zij zwaar in overtreding geweest zijn. Maar de positie van hertoging Maria was nog zo zwak, dat zij 's-Hertogenbosch - na een smeekschrift - haar wandaden vergaf en geen financiële boete oplegde.
Brabants Dagblad donderdag 21 maart 1991
|