Capucijner (Postelstraat)
Bebouwing, die mogelijk tot het Capucijner klooster behoort.
Bron: Van Bos tot Stad
|
Het voormalig Capucijnenklooster
|
De stichting van dit klooster werd mogelijk gemaakt door Goyard van Engeland, die gedurende eenige jaren schepen van den Bosch was en na doode zijner vrouw Zeeuwken, dochter van Lambert Vastards, welke 5 Juli 1602 stierf, priester was geworden. Volgen der wijze verhaalde hij aan pater Cyprianus van Antwerpen, provinciaal der Gapucijnen en aan pater Judocus van Gend, toen zij bij hem te gast waren, hoe hij er toe was gekomen om mede te werken tot de stichting van een Capucijnenklooster: „Ik was, zoo sprak hij, nog geheel onbekend met de Orde der Capucijnen, toen ik op zekeren dag met een knecht je naar mijn buitengoed, gelegen in het dorp Nuland, ging, en mij aldaar op eens een monnik verscheen. Ik zag hem geknield, met gevouwen handen, als in het gebed verslonden. Hij droeg een kleed, gelijk aan het habijt der Capucijnen. Mijn dienstknecht zag eveneens den monnik. Wij beiden waren ontsteld, ofschoon deze gebeurtenis op klaarlichten dag, het was omstreeks tien uur in den morgen, plaats greep. Ik zeide tot den knaap: ga er eens naar toe en zie wat die monnik doet. Hij durfde niet. Toen gingen wij samen, maar zie, plotseling was de monnik verdwenen. Ik waande mij door den schijn bedrogen, riep een landman, doch na veel zoeken mochten wij ook nu niemand bespeuren. Wanneer ik nu des anderen daags wederom naar mijn buitengoed wandelde, verscheen mij dezelfde gedaante, die echter weder even spoedig verdween. Alstoen kwam bij
| 267 |
mij de gedachte op om te Nuland een gasthuis te bouwen tot ondersteuning van oude, hulpbehoevende armen, doch de inwoners van dat dorp weigerden zich met het onderhoud van dat gesticht te belasten en zoo kwam er van dat plan niets. Daarna kwam de Capucijnerpater Henricus van Rijn, uit het Capucijnenklooster te Maastricht, in de St. Janskerk te den Bosch preeken; ik hoorde zijne preek en alstoen vatte ik, in de meening zijnde dat zulks met het visioen, dat ik had gehad,was bedoeld, liet voornemen op om in de plaats van een gasthuis te Nuland een Capucijnenklooster te den Bosch te stichten.” Van Engeland bood daartoe aan een paar huizen in de Diepstraat aldaar, die hij in 1612 daartoe had gekocht, ter vervanging van een zijner huizen aan de Windmolenbergstraat aldaar, dat hij het jaar te voren daartoe had bestemd, doch er niet geschikt voor was. Ook die huizen bleken daarvoor niet geschikt te zijn en daarom kocht hij, gesteund met eene gift van fl. 1000, die de Regeering der stad den Bosch daartoe had gedaan, in het jaar 1614, zooals wij reeds zagen, het Refugiehuis der Abdij van Postel voor een Capucijnenklooster aan; de Capucijnen vestigden zich voorloopig daarin, zoodat in eene Bossche Schepenakte van 1614 kon vermeld worden dat de Paters Capucijnen gevestigd waren in de huysinge van Postel, doch dit gebouw was voor hun klooster ook niet geschikt waarom dan ook bij den aankoop daarvan reeds besloten was in den voorste der daartoe behoorende tuinen een klooster met kerk te bouwen; die tuinen vergrootten zij nog met verschillende andere erven; zoo verkochten 14 November 1614 (Reg. n° 315 blz. 70) mr. Maarten Fierlandts, raad en rentmeester-generaal der Domeinen van Brabant in het Kwartier van den Bosch, diens broeder Francois en diens andere broeder Theodore, commies-generaal van de affaires van den Graaf van Hohenzollern, aan Jor. Peter van Broeckhoven, raad en rentmeester der Staten van Brabant in het Kwartier van den Bosch, tot behoef van de Eerw. Paters van de Cappucinen van den Bosch om by hen neffens de huysinge ende erffenisse
| 268 |
|
van Postel gebruyckt ende geemployeert te ivorddene tot erectie van convent, kercke, etc. seeckere voortijts huysinge, over het water gelegen, mit zynen gronde, rosmolen, mit den hof daertoe behoorende, nu all te samen affgebrocken ende bleyckvelt zijnde, gelegen achter de Vughterstraat achter het huis met erf, genaamd de Catherine, toebehoorende aan den bierbrouwer Leunis Simonszn, tusschen de Dieze ex uno en voorts rondom de erven van de Huysinge van Postel, toebehoorende aan genoemde Paters en het ook aan de Vughterstraat staand huis de Blauwe Leeuw, toebehoorende aan Gerard van de Grave, mitsgaders de brug, waarover men over het water gaat van het erf van het huis de Catherine naar gezegd bleekveld; item de helft van de materialen van een bleekhuisje, op dat veld liggende, behoorende dé andere helft daarvan toe aan genoemden van de Grave, haddende Symon Fierlandt, vader der verkoopers, het verkochte gekocht 22 Januari 1599; voorts huis, erf en tuin, staande in de Aert Berewoutstraat tusschen het erf van hen. verkoopers, ex uno en dat, hetwelk voorheen was van Michiel Joosten, een gangske tusschen beiden liggende, ex alio, strekkende van de straat tot aan het erf van gemeld huis de Blauwe Leeuw, zijnde dit goed door Johanna weduwe van Wouter Pijnappel Willemszn 21 April 1598 verkocht geweest aan genoemden Symon Fierlandt; eindelijk een tuin of boomgaard, zijnde voorheen geweest huis, erf en tuin, gelegen in de Aert Berewoutstraat tusschen het erf van de Wed e Schepers ex uno en dat van Jan Lamberts ex alio, den 16 Februari 1585 door Wouter de Luyck als man van Hendrica, dochter van Jacob Hermanszn van Eyck, verkocht geworden aan denzelfden Symon Fierlandts.
Het zelfde deden in hetzelfde jaar (blz. 124 eod.) Jan van den Dunghen met zijn huis en tuin, staande en gelegen aan de Aert Berewoutstraat en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan het erf van het Huis van Postel en de bakker Otto Adriaanszn met zijn huis en tuin, in dezelfde straat gelegen en zich achterwaarts tot hetzelfde erf.
| 269 |
|
Den 8 December 1614 (Reg. n° 340 f. 89) verkochten Jenneken, dochter van wijlen Lambert Janszn van Berlikom en haar broeder Jan aan denzelfden Jor Peter van Broeckhoven ten behoeve van de Paters Capucynen van den Bosch omme neffens d' andere huysinge ende erffenisse van Postel geemployeert ende geconverteert te wordene tot erectie ende opbouwinge van een convent voor denselven Paters van de Capucinen (daartoe gemachtigd door de Aarsthertogen Albert en Isabella van Brabant), een huis met erf en tuin, staande en gelegen in de Aert Berewoutstraat tusschen het erf van Jan van den Dungen, vettewarier cremer, ex uno en tusschen het erf van de Zusters van het Convent op de Ulenborch, ex alio, strekkende zich van gezegde straat achterwaarts uit tot aan het erf van het Huis van Postel, nu de eerwaarde Paters van de Capucinen.
Ook kochten de Paters Capucijnen bij deze erven nog aan het Loyersgasthuis en een stuk van de straat de Uilenburg, waaraan dat gasthuis stond. Door al deze aankoopen waren zij eigenaars geworden van een zeer uitgestrekt terrein, dat zich van de Postelstraat langs het Waterstraatje 1), nu abusievelijk geheeten de Capucijnenpoort, en de erven van de aan de Vughterstraat staande huizen eenerzijds en den tuin van het vroegere klooster Marienburg op de Uilenburg anderzijds zich uitstrekte tot aan de Berewoutstraat. Op dit terrein, waarop men van de Postelstraat kwam door na te melden poort, die tusschen het Refugiehuis van Postel en het huis, genummerd Postelstraat no 16 stond en die altijd de Capucijnenpoort geheeten heeft, begonnen de Paters Capucynen achter laatstbedoeld huis in 1615 hun klooster met kerk te bouwen; voor deze kerk legde toen de Bossche Bisschop Zoesius den eersten steen, terwijl voor het klooster vanwege de stad door een harer Schepenen de eerste steen werd gelegd, die daaronder twee dubbelde Albertus'sen, ter waarde van ongeveer elf Carolusguldens, inmetselde; in
| 270 |
datzelfde jaar gaf de Regeering der stad aan de Capucynen tot bouw van hunne kerk fl 100 en in het volgend jaar nog fl 1000 en stond zij hun bovendien toe om daarvoor in de stad te collecteeren. Den 16 Januari 1618 was deze kerk voltooid en is zij toen gewijd; in datzelfde jaar werd gebouwd de reeds gemelde Capucynenpoort, waardoor men van de Postelstraat in het klooster en de daarbij behoorende kerk kon komen; voor den bouw van die poort had de Regeering der stad 3000 steenen gegeven, terwijl zij nog fl 40 schonk om boven die poort het beeld van den H. Franciscus te plaatsen; bij deze schenkingen der stad bleef het niet, want zij gaf in datzelfde jaar aan de Capucynen ook nog fl 1000 om te bouwen een muur tusschen het erf van hun klooster en dat van het klooster Mariënburg op de Uilenburg.
Toen hun klooster gereed was verlieten de Capucijnen het Refugiehuis van Postel en betrokken dat kloostermetterwoon; zij hebben daarop dat refugiehuis met een deel van deszelfs tuin met Guiliam Aertssen 2), zoon van wijlen Dirck Aertsen (of Aerdsen) en Rasa, de dochter van wijlen mr. Gerard Hack, tegen onroerend goed van dezen geruild, zooals blijkt uit eene Bossche Schepenakte van 4 Maart 1617 (Reg. n° 318 f. 276 vso), waarin daarover het volgende voorkomt: „Peter Janszn Mutsaerts als geordineerde ende genomineerde directeur off werelijck vader van de eerwaerdiche Patres van de Capucinen binnen deser stadt ende henne goederen alhier, (gemachtigd) door den Eerweerdiche heere ende Pater Simon Aldenardensis, provinciael des ordens der Capucinen over de provincie van Vlaenderen in Nederduitzlandt, ter eenre ende Guiliam Aertsn, zoene wylen Diercx Aertsn ende Rasa, dochter wylen mr. Gherarts Hack, ter andere zyde, hebben oipentlick beleden ende bekent, dat de voirs. Eerweerdiche Patres van de Capucinen binnen deser stadt mitten voirs. Guiliam Aertsn hebben gemaect ende aengegaen
| 271 |
zeeckere erffmangelinghe ende permutatie van zeeckere parthyen van gronden van erven, malcanderen by ende aengelegen aen henne erffenissen, gestaen ende gelegen binnen deser voirs. stadt in de Postelstraete, in alsulcke vuegen ende gestaltenisse gelijck de voirs. erffenissen ter wedersyden tot elcx gerieff zijn mit mueragien affgeteeckent, bevrijdt ende affgeheympt,” waarna zij hunne wederzijdsche rechten en verplichtingen ten aanzien van die muren met elkander regelden.
De Capucijnen bleven niet lang in het bezit van hun nieuw klooster, daar reeds in 1629, toen den Bosch zich aan de Staatschen had moeten overgeven, hetzelve ten behoeve van het Rijk werd verbeurd verklaard en zij het alstoen moesten verlaten. Het Rijk heeft het daarop verhuurd aan Andries de Fresne, raad én rentmeester der Domeinen in de stad en Meierij van den Bosch en ontvanger van de gemeene middelen in die stad. Scotte en Gruys in hunne hoedanigheid van Gecommitteerden van den Raad van State kwamen daarna in 1636 met dezen overeen, nadat zij zelven het klooster hadden bezichtigd en het bovendien hadden doen opnemen en schatten door Pieter Bilderbeeck, opzichter en Frans Blom, toen timmerman te den Bosch, dat hij het van den staat zoude koopen, waarop Pieter Schuyl, als raad en rentmeester der geestelijke goederen aldaar hem den 26 November 1636 het Capucijnenklooster verkocht, hetwelk alstoen omschreven werd als volgt: het clooster ofte huysinge, voorplaetse ende hoff. 3) Op welke wijze dit klooster daarna van hem is gekomen aan Henrietta Maria Blom, dochter van Nicolaas en Elisabeth Wylde, is mij niet kunnen blijken. Van genoemde Henrietta Maria Blom werd het vervolgens geërfd door Leonora Wylde, die het ten huwelijk bracht aan haren man Diederick Ruysch, commissaris-ordinaris van de monstering en raad van den Bosch.
Van hem erfde het hunne dochter Florentina Ruysch, de huisvrouw van Christoffel baron van Galen; deze verkocht
| 272 |
20 November 1717 4) het voormalig Capucynenklooster aan Nicolaas Smeyers, wonende te den Bosch; het werd alstoen omschreven als volgt: huysinge, poorte, voorplaatse, kerck, binnenhoven ende den groot en hof, gemeenlijch genaamt het Capucinenklooster, gelegen aan de Postelstraat, achteruitgaande Westwaarts met een poortje in de Berewoutstraat en bezijden Noordwaarts met eene poort achter den Uilenburg, door verkooper en zijne huurders gebruikt wordende.
Genoemde Smeyers (wiens vrouw was Elisabeth Ledigermans, die na zijnen dood hertrouwde met Hendrikus Couwenberg) verkocht 12 Aug. 1729 (Reg. n° 544 f. 131 vso) het gewezen Capucynenklooster, zooals het in laatstgemelde akte was omschreven, aan Jan Louis Verster, notaris en procureur, schepen en raad te den Bosch 5). Het kloostergebouw en de kerk van dit klooster verkeerden toen blijkens Foppens Historia Episcopatus Sylvaeducensis p. 298 in dezen staat: Conventus hodieque in totâ ferme integritate perseverat una cum templo, nisi quod circa annum 1700 turris corrueril. Den 2 Jan. 1742 (Reg. n° 560 f. 456) droeg Jan Louis Verster dit voormalig klooster met kerk tegelijk met het voormalig klooster Catharinenberg te Oisterwijk, dat de Staat aan hem den 11 Dec. 1729 had verkocht, over aan zijnen zoon Abraham Verster, drossaard van St. Michiels-Gestel, oud-schepen en raad van den Bosch en rentmeester der geestelijke goederen in de Kwartieren van Oisterwijk en Kempenland.
Ten tijde dat genoemde Abraham Verster dit gewezen Capucynenklooster bezat, waren de kerk en het kloostergebouw daarvan nog in wezen, behoudens dat toen reeds, als gezegd, op de kerk geen torentje meer stond en dat het kloostergebouw in twee aparte huizen gesplitst was.
Den 14 Juli 1801 verkochten zijne kinderen, behuwd- en kleinkinderen, zijnde: Dr. Florentius Verster, wonende te den
| 273 |
Bosch 6); mr Comelis Jacob Speelman, heer van Heeswijk en Dinther, wonende te Heeswijk, als gehuwd met Catharina Verster; Willem Guerin, wonende te den Bosch, als gehuwd met Geertruy Verster; Abraham Gijsbert Verster, wonende te Amsterdam; mr. Joost Romswinkel, wonende te Leiden, als gehuwd met Henriette Geertruy Verster en Agnes Maria de Lepo weduwe mr. Jean Louis Verster, voor zich en in hare hoedanigheid van moeder-voogdes over hare minderjarige kinderen Florentia Anna, Henrica en Abraham Arnoldus Josephus Verster, aan den op blz 265 genoemden Cornelius Sebastianus van Boeckel, die vroeger te Achel en nu te den Bosch woonachtig was: de kapel van het geweeze Capucyneklooster met alle de gebouwen ten O. van deselve en de open plaats ten Z. en ten O. van gemelde kapel, begrensd ten W. door den muur van den tuin, ten Z. door den muur van de Dieze, den muur van het straatje en het erf van J. de Gruyter, ten O. door de Poort aan de Postelstraat en N. door de erven van den kooper; den 6 November 1799 had hij van hen reeds van dit kloostergoed gekocht: een huisje met een tuintje daarachter, staande aan de Postelstraat op den hoek van de Capucynenpoort en ingang hebbende door die poort, begrensd eenerzijds door die poort en anderzijds door het Oud-Keizershof en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan den stal van de verkoopers, terwijl hij, zooals wij hiervoren reeds zagen, den 6 Maart 1798 ook al had gekocht het gewezen Refugiehuis der Abdij van Postel. Zoo waren nu voor een goed deel weder in eene hand de goederen, die de Capucynen in het begin van 1617 te den Bosch bezaten.
Het voormalig klooster en kerk der Capucijnen zijn in de eerste helft der 19e eeuw gesloopt geworden, Thans zijn bijna al de goederen, die zij in het begin van 1617 te den
| 274 |
Bosch hadden liggen en ook bijna al de goederen van het vroegere Bossche klooster Marienburg eigendom der Zusters van Engelen, of zooals zij officieel heeten: der Zusters van het Gezelschap J.M.J.
| 275 |
| Noten | | 1. | Dit straatje werd in eene Bossche Schepenakte van 1577 (Reg. n° 237 f. 464) geheeten: dat straetken neven den Postel. | | 2. | Van zijne vrouw Petronella van Broeckhoven, die eene dochter zal geweest zijn van Rogier en Elisabeth van Jabeek, had hij geene kinderen. Zij stierf in of omstreeks het jaar 1672. | | 3. | Reg. n° 374 f. 346. | | 4. | Reg. n° 538 f. 142. | | 5. | Hij was zoon van Abraham Verster en Henrietta Margaretha van Woerkom en huwde als gezegd met Catharina Gast. | | 6. | Hij was aldaar geneesheer, schepen en raad; den 14 Augustus 1747 werd hij er geboren en hij overleed er 24 April 1802; hij huwde met 1° Antonia Emilia van Heurn; 2° Sabina Wilhelmina Mollerus; zijne eerste vrouw schonk hem Jan François Leopold Verster, die inspecteur der registratie en lid van den Gemeenteraad te den Bosch was en zijne tweede vrouw baarde hem een zoon Abraham Hendrik Verster, heer van Wulverhorst en opperhoutvester. |
De voorname Huizen en Gebouwen van 's-Hertogenbosch I (1910) 267-275
|
| |
| 1873 |
L.H.C. Schutjes
Capucijnen
Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch IV (1873) 400-401
|
| 1983 |
Hans L. Janssen en Paul A.M. Zoetbrood
De Uithof en het Refugiehuis van de Abdij van Postel
Van Bos tot Stad (1983) 74
|
| 1988 |
D.J. de Vries
De dendrochronologische datering van paalresten afkomstig van de Uithof van de abdij van Postel te 's-Hertogenbosch
Kroniek Bouwhistorisch en Archeologisch onderzoek 's-Hertogenbosch 1 (1988) 102-107
|
| 1988 |
P.R. Tomlinson
Het botanisch onderzoek van plantresten uit een 13e eeuwse greppel rond de Uithof van de priorij van Postel te 's-Hertogenbosch
Kroniek Bouwhistorisch en Archeologisch onderzoek 's-Hertogenbosch 1 (1988) 108-112
|
| |
| 1615 |
Kapittel 18.
Betaling van den laatsten termijn, ten behoeve der Paters Capucijnen tot aankoop en bouwing van hun convent, in het huis van Postel.
Bron: Stads Rekeningen van het jaar 1615-1616. Deel 2, blz 1226
|
| 1616 |
Kapittel 20.
Toelaag aan de Paters Kapucijnen tot opbouwing der kerk.
Bron: Stads Rekeningen van het jaar 1616-1617. Deel 2, blz 1237
|
| 1618 |
Kapittel 22.
• Commissie tot bijlegging, van het geschil tusschen het convent van de Capucijnen en het vrouwenklooster op den Uilenborg.
• De Stad betaalt de Eerw. heeren Capucijnen 1000 gul. voor den scheidingsmuur tusschen hun Convent en het klooster op den Uilenborg.
Bron: Stads Rekeningen van het jaar 1618-1619. Deel 2, blz 1254-1255
|
| 1625 |
Kapittel 23.
• Het convent der paters capucijnen door de pest besmet, worden de paters daarin besloten en hen eetwaren en andere benoodigdheden van Stadswege geleverd.
• Behoudmiddelen tegen de pest aan de capusijnen en schepenen geleverd.
Bron: Stads Rekeningen van het jaar 1625-1626. Deel 2, blz 1326-1327, 1329
|
| |
|