De begijnenkerk, in 1304 aan de H. Nicolaus toegewijd, bezat een eigen herder met kapellaan, die aan de jurisdictie van den parochiepastoor niet was onderworpen; zelfs bezat de pastoor der parochie niet een het colatieregt van het pastoraat van het begijnhof, doch dit berustte bij de overste van het Dominicaner vrouwenconvent te Auderghem bij Brussel, tot dat het aan paus Leo X gehaagde ten jare 1517 het pastoorschap aan de tafel van het kapittel van St. Jan toe te voegen: hierom heet de pastoor van het begijnhof sedert dien tijd vicarius, vicecuratus enz. Het kapittel deed ook de benoeming der beneficiaten, doch niet van den koster (matricularius), die door de meesteressen werd aangesteld, zooals uit een charter van 9 mei 1522 blijkt. Aan het inwendig beheer des begijnhofs moest het kapittel geheel vreemd blijven en zoo ontstond er zelfs geschil over het bewaren der sleutels van den graanzolder in het begijnhof, waar de rogge van het kapittel en van de armen zich bevond. Behalve het hoogaltaar, aan de H. Maagd en aan den H. Nicolaus toegewijd, bezat de begijnenkerk nog de volgende altaren: 1. Altare S. Willibrordi 2ae fundationis 2. Altare S. Andreae 3. Altare S. Catharinae 4. Altare S. Antonii et quator doctorum 5. Altare S. Petri 2ae fundationis 6. Altaar van den H. Joannes Baptista en van Joannes Evangelist Bron: Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch
|
||||||||||||||||